Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Steppemuis
Steppemuis | Mus spicilegus
Mound-building Mouse | Ratón De Las Estepas
De steppemuis bouwt voorraadhopen. Elk najaar werpen enkele jonge dieren samen een aardhoop op van één tot twee meter doorsnede, met daaronder een voorraadkamer vol zaad, waarin ze overwinteren. Deze hopen zijn op grote afstand zichtbaar. Het dier zelf is nauwelijks van een huismuis te onderscheiden; de hoop is een eenduidig kenmerk.
Sporen
De kurgantsjik, de aardhoop, is een eenduidig spoor. In september en oktober bouwen vier tot veertien verwante jonge dieren, voornamelijk mannetjes, in twee tot drie weken een ovale hoop van aarde en plantenmateriaal van één tot twee meter doorsnede, uitzonderlijk tot vier meter, en ongeveer een halve meter hoog. In en onder de hoop liggen voorraadkamers met zaad en graan, tot tien kilo per hoop en in enkele gevallen aanzienlijk meer, verzameld van tientallen plantensoorten; het nest ligt zestig tot tachtig centimeter onder het maaiveld en is via gangen met de voorraad verbonden. De hoop beschermt tegen weer, vorst en predatoren en is de reden dat de jongen van de late worp de winter overleven. In een goed bezet veld liggen er tot twintig per hectare, als lage bulten in een verder vlakke akker of steppe; in de winter en het vroege voorjaar, wanneer het gewas weg is, zijn ze op honderden meters te zien, en op afgebrande of kale percelen zijn ze duidelijk zichtbaar. Geen ander Europees zoogdier maakt een vergelijkbare constructie. Een molshoop is los, zwart, kegelvormig en zonder plantenresten; het werk van een blindmuis bestaat uit een reeks losse hopen; de hoop van de steppemuis is breed, vast, doorvlochten met stro en graanresten en in het voorjaar herkenbaar aan de afwijkende begroeiing erop. Keutels en prenten zijn niet van die van de huismuis te onderscheiden.


Herkenning
Een muis van het formaat en de vorm van een huismuis: vijf en een halve tot ruim negen centimeter kop-romp, met een staart die even lang is als kop en romp of iets korter, nooit duidelijk langer. De rug is bleek grijsbruin, zandiger en lichter dan bij de huismuis, en de buik is witgrijs en vrij scherp afgegrensd, zonder de geleidelijke overgang die de huismuis kenmerkt. De staart is dun en niet duidelijk tweekleurig. Oren negen tot veertien millimeter, achtervoet veertien tot zeventien en een halve millimeter. De bovensnijtand heeft aan de achterzijde de inkeping die alle Mus-soorten gemeen hebben. In de hand en op foto's zijn de verschillen met de huismuis zo klein dat ze in de praktijk geen uitsluitsel geven; de determinatie berust op vindplaats, seizoen en hoop.
Gelijkende soorten
De huismuis (Mus musculus) is de voornaamste verwarringssoort, en op uiterlijke kenmerken is het onderscheid in het veld niet betrouwbaar te maken. Het bruikbare criterium is ecologisch: de steppemuis komt niet in gebouwen, terwijl de huismuis in Oost-Europa 's winters juist naar binnen trekt. Een muis in steppe of op een stoppelveld met een aardhoop in de buurt is dus een steppemuis, een muis in een schuur niet. Waar beide soorten samen voorkomen, zijn de bleekgrijze rug, de scherper begrensde witgrijze buik en de iets kortere, dunnere staart aanwijzingen maar geen bewijs. De nauwste verwant, de Macedonische huismuis (Mus macedonicus), is de zustersoort en lijkt sterk; de arealen raken elkaar op de Balkan, maar die soort bouwt geen hopen en komt verder naar het zuiden en oosten voor. De bosmuis is groter, roodbruin, met veel grotere ogen en oren, een zuiver witte buik en een springende gang. De Algerijnse muis komt in dit deel van Europa niet voor.
Leefgebied
Open, droog en bewerkt land: steppe en steppeachtig grasland, braakliggende akkers, stoppelvelden na de graanoogst, ruige perceelsranden, taluds van wegen en spoorlijnen en de dijken langs de Donau en de Tisza. De soort is gebonden aan grond waarin zij kan graven en aan gewassen die zaad leveren, en profiteert daardoor van akkerbouw. Zij komt niet boven ongeveer tweehonderd meter voor en komt, anders dan de nauwste verwanten, niet in gebouwen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in Zuidoost-Europa: van Oostenrijk en Slowakije door Hongarije, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Albanië en Noord-Macedonië tot Griekenland, en oostwaarts door Roemenië, Bulgarije, Moldavië en Oekraïne tot in Zuid-Rusland. De westgrens ligt in het Weense Bekken en de Slowaakse laagvlakte; verder westelijk komt de soort in Europa niet voor. Aan de Adriatische kust leeft een afzonderlijke, geïsoleerde vorm.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en volledig aan de grond gebonden. De soort eet zaden en plantendelen: granen en zaden van akkeronkruiden vormen het grootste deel, en de soorten die gegeten worden, zijn niet dezelfde als die in de hoop worden opgeslagen. De voortplanting is strikt seizoensgebonden en valt aan het eind van de lente en in de zomer; in gevangenschap krijgt een vrouwtje ongeveer om de vier weken een worp van zes of zeven jongen. Jongen die laat in het jaar worden geboren, planten zich dat jaar niet meer voort, maar bouwen in het najaar samen met broers en zussen een hoop en worden pas in het volgende voorjaar geslachtsrijp. De soort is de enige Mus-soort die sociaal monogaam leeft: een mannetje en een vrouwtje vormen een vast paar, verdedigen in het broedseizoen een eigen territorium, zijn beide agressief tegenover vreemde soortgenoten en verzorgen de jongen samen. Er is geen winterslaap; de winter wordt in de hoop doorgebracht, waarbij de dieren van de eigen voorraad leven.
Waar en wanneer kijken
Zoek in november, december of maart, wanneer de akkers kaal zijn. Rijd langs stoppelvelden, braakland en dijken in de Hongaarse Alföld, de Vojvodina, de Dobroedzja of de Oekraïense steppe en kijk naar lage, brede bulten in een verder vlak veld; de hopen liggen meestal in groepen. Bezoek dezelfde plek in het voorjaar en let op de afwijkende begroeiing op de hoop. Graaf niet: de bewoners van een geopende hoop overleven de winter niet. Het dier zelf is alleen met een zaklamp op een windstille avond te zien en daarbij meestal niet van een huismuis te onderscheiden; bij deze soort is de hoop het bruikbaarste waarnemingsgegeven.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2023). De soort is over het hele areaal wijdverbreid en plaatselijk talrijk, en profiteert van graanteelt. Het bouwgedrag staat echter onder druk: diep ploegen in de nazomer, vroeg onderwerken van de stoppel en het opruimen van braak en perceelsranden vernietigen de hopen juist in de weken waarin ze worden gebouwd, en zonder hoop overleeft de najaarsgeneratie de winter niet. In Oostenrijk en Slowakije, aan de westrand van het areaal, is de soort daardoor plaatselijk zeldzaam geworden. De dijken en taluds langs de grote rivieren vormen daarentegen een blijvend en ongestoord leefgebied. Als landbouwplaag is de soort van geringe betekenis. Zij is een van de best bestudeerde wilde verwanten van de laboratoriummuis en een veel onderzocht voorbeeld van monogamie en samenwerking bij knaagdieren.
Wetenschappelijke naam
Mus spicilegus | Petényi, 1882
Petényi beschreef de soort in 1882 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mus is het Latijnse woord voor 'muis', verwant met het Griekse mys. spicilegus is Latijn voor 'arenlezer', van spica 'aar' en legere 'verzamelen', naar de zaadaren die het dier in zijn voorraadheuvels opstapelt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hongarije, Budapest.




