Alle soorten › Insecteneters › Egels › Trekegel

Trekegel | Atelerix algirus

Algerian Hedgehog | Erizo moruno

De trekegel, ook Algerijnse egel genoemd, is een egel van de zuidelijke Middellandse Zeekust. Het oorspronkelijke areaal ligt in de Maghreb; op de Balearen, langs de Spaanse kust, op Malta en op de Canarische Eilanden is de soort door mensen uitgezet. Hij is van de andere egels in Europa te onderscheiden aan de kale scheiding op de kruin.

Trekegel (Atelerix algirus)
Foto: Naturalezapura — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het meest gevonden spoor is de keutel: drie tot vijf centimeter lang, ongeveer een centimeter dik, cilindrisch en aan beide uiteinden stomp, vers zwart en glanzend, en vol keverresten. In Algerije bestond het voedsel voor ongeveer vijfentachtig procent uit insecten, vooral mieren en kevers; tegen het licht gehouden bevat de keutel glinsterende dekschilden, fijne mierenpootjes en segmenten van duizendpoten. De keutel ligt onbedekt op paden, dorsvloeren, tegels of gemaaide grond en wordt nooit begraven, wat hem van een kattenkeutel onderscheidt; hij is niet gedraaid en loopt niet uit in een haarpunt, wat hem van een marterkeutel onderscheidt. In los zand en op stoffige paden zijn prenten te vinden: klein in verhouding tot het dier, ongeveer tweeënhalf tot drie centimeter, met vijf tenen en scherpe, ver naar voren stekende nagelafdrukken; door de lange poten staan de prenten wijd uiteen en oogt het spoor onregelmatig. Verdere sporen zijn snuitputjes in zachte grond onder struiken en het slaapnest: een losse hoop dorre bladeren, gras en plantenresten onder een dwergpalm, braamstruik, steenhoop of stapel snoeihout, op de eilanden ook onder het puin van oude veldmuren. Tijdens het foerageren is 's nachts op tien meter afstand gesnuif, geblaas en geritsel in droog blad hoorbaar. In Spanje en op Malta wordt de soort het vaakst vastgesteld als verkeersslachtoffer.

In zijn leefgebied

Trekegel, donker gekleurd dier in het gras van het nationaal park el feija in de kroumirie, noordwest-tunesië; de determinatie rust op de plaats — in dit vochtige kurkeikenbos is dit de enige egel — en op het grote, vrij boven de stekels staande oor
Donker gekleurd dier in het gras van het Nationaal park El Feija in de Kroumirie, Noordwest-Tunesië; de determinatie rust op de plaats — in dit vochtige kurkeikenbos is dit de enige egel — en op het grote, vrij boven de stekels staande oor · Foto: Slim Alileche — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Trekegel, kop van dichtbij, el feija, tunesië: de lange spitse snuit, het grote ronde oor dat vrij boven het stekelkleed uitkomt, en de bleke haarband die langs het oor naar de kruin loopt
Kop van dichtbij, El Feija, Tunesië: de lange spitse snuit, het grote ronde oor dat vrij boven het stekelkleed uitkomt, en de bleke haarband die langs het oor naar de kruin loopt · Foto: Slim Alileche — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Kleiner en lichter gebouwd dan de gewone egel, met een kop-romplengte van twintig tot zevenentwintig centimeter en een gewicht dat zelden boven de achthonderd gram komt. Het doorslaggevende kenmerk zit op de kop: midden over de kruin loopt een kale scheiding waar de stekels naar links en rechts uiteenwijken, smaller dan bij de andere egels van het geslacht, maar op een foto van bovenaf duidelijk zichtbaar. Het gezicht is veel bleker dan bij de gewone egel: voorhoofd en zijkanten van de snuit zijn wit tot vuilwit, waartegen de donkere neus en de zwarte ogen sterk afsteken. De oren zijn groot en steken duidelijk boven de stekels uit. De poten zijn lang en licht van kleur; een lopend dier draagt het lichaam hoog boven de grond. De stekels zijn glad, zonder de fijne knobbeltjes van Erinaceus, en variëren van bleek geelwit met een donkere ring tot overwegend donker; op de Canarische Eilanden en de Balearen zijn de dieren gemiddeld bleek. De buikvacht is grof en geelwit, de staart een stompje van hooguit drie centimeter.

Gelijkende soorten

In Noordoost-Spanje grenst het areaal aan dat van de West-Europese egel (Erinaceus europaeus); het onderscheid is eenvoudig: de West-Europese egel is forser, egaal grijsbruin in het gezicht, heeft kleine oren die nauwelijks boven de stekels uitkomen, kortere poten en geen kale scheiding op de kruin. Een egel die hoog op de poten door de garrigue loopt, met witte wangen en opvallende oren, is een trekegel. In de Maghreb komt ook de abessijnse egel (Paraechinus aethiopicus) voor, die in woestijn en steppe leeft en niet in mediterraan struikgewas: die heeft nog grotere oren, een donker masker rond snuit en ogen met daarboven een brede witte voorhoofdsband, en donkere poten, het omgekeerde kleurpatroon van de bleke kop van de trekegel. In Oost-Libië en Egypte leeft daarnaast de langooregel (Hemiechinus auritus), met nog langere, spitsere oren en een witte buik zonder tekening. De kale kruinscheiding is in alle gevallen het snelste kenmerk. De witbuikegel uit de handel in gezelschapsdieren is een Afrikaanse soort van ten zuiden van de Sahara; een egel met grote oren in een Spaanse tuin is vrijwel altijd een trekegel en geen ontsnapt huisdier.

Leefgebied

Warm, droog, laaggelegen en open terrein met voldoende dekking: kustgarrigue en maquis, dwergpalmstruweel, droge graslanden, duinstruweel, olijf- en amandelgaarden, akkerranden, tuinen en boerenerven. Gesloten bos en geheel kaal terrein worden gemeden; de soort zoekt overgangen met open plekken tussen kruiden en struiken. In Spanje ligt het zwaartepunt onder zeshonderd meter, dicht bij de kust; in de Midden-Atlas in Marokko komt de soort tot ongeveer tweeduizend meter voor, en in Algerije is zij gevonden in oases in de Sahara, vijfhonderd kilometer ten zuiden van de kust. Op de Balearen is zij algemeen in het cultuurland en in dorpen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk Noordwest-Afrika, van Marokko tot Noordoost-Libië. Alle Europese populaties zijn door mensen ingebracht: genetisch onderzoek toont aan dat de populaties van Spanje, de Balearen en de Canarische Eilanden jong zijn en vrijwel zeker per schip zijn aangevoerd. In Spanje komt de soort verspreid voor langs de mediterrane kuststrook van Catalonië tot Andalusië, en in Ceuta en Melilla; op de Balearen op Mallorca, Menorca, Ibiza, Formentera en Cabrera; op de Canarische Eilanden op Fuerteventura, Lanzarote, Gran Canaria en Tenerife, waar zij pas in de jaren negentig van de negentiende eeuw is uitgezet. Op Malta is zij eveneens ingevoerd en algemeen. In Zuid-Frankrijk heeft een ingevoerde populatie bestaan, die is verdwenen. De meeste waarnemingen komen uit Spanje en Marokko, gevolgd door Algerije, Malta en Tunesië.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Strikt nachtactief, met een polyfasisch ritme: de dieren komen ongeveer een uur na zonsondergang tevoorschijn, foerageren met onderbrekingen de hele nacht en zijn een half uur tot een uur voor zonsopgang weer in dekking. Het voedsel bestaat vrijwel geheel uit ongewervelden: vooral mieren, kevers en keverlarven, daarnaast duizendpoten, pissebedden, spinnen en slakken, en af en toe een gekko, een ei of aas. De leefgebieden zijn groot, bij mannetjes veel groter dan bij vrouwtjes; ze overlappen sterk, en hoewel de soort solitair leeft, worden soortgenoten verdragen. De voortplanting valt in het warme halfjaar: in Noord-Afrika in voorjaar en zomer, op de Balearen van juni tot oktober met een piek tussen eind juli en begin september. Na een draagtijd van dertig tot achtenveertig dagen worden één tot zeven jongen geboren, met zachte witte stekels die binnen een dag doorbreken; op de Balearen zijn worpen van één tot drie jongen gebruikelijk. Er is geen echte, maandenlange winterslaap maar een winterrust: in Spanje gaan de dieren tussen januari en maart af en toe in torpor, dagen tot weken achtereen, afhankelijk van de temperatuur. In zachte winters aan de kust en op de Canarische Eilanden zijn ze vrijwel het hele jaar actief.

Waar en wanneer kijken

Zoek in de eerste uren na zonsondergang langs landweggetjes tussen droge stapelmuurtjes en dwergpalmen, in mei of september, wanneer de meeste dieren actief zijn. Op Mallorca en Menorca is de soort zo talrijk dat een avondwandeling door het cultuurland bij Alcúdia, Artà of Ciutadella vaak binnen een uur een waarneming oplevert; op Fuerteventura en Lanzarote komen de dieren tot aan de dorpsranden. Op het Spaanse vasteland is de soort veel schaarser; zoek daar overdag eerst naar keutels om te bepalen of een nachtelijk bezoek zinvol is. Gebruik een zaklamp met rood filter en houd afstand: een verstoord dier rolt zich op en blijft minutenlang stil zitten. Let bij het rijden op de bermen; de soort wordt vooral als verkeersslachtoffer waargenomen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2022) en ook op de Europese Rode Lijst niet bedreigd; de beoordeling berust echter op weinig gegevens. De Europese populaties zijn versnipperd en worden vrijwel niet gevolgd: er bestaat geen reeks tellingen waaruit een trend kan worden afgeleid, en in Spanje wordt een plaatselijke achteruitgang vermoed die niet met gegevens is onderbouwd. De doodsoorzaken zijn wel bekend: verkeer is verreweg de belangrijkste, met een piek in de voortplantingstijd wanneer mannetjes grote afstanden afleggen, en daarnaast het verdwijnen en versnipperen van droog, kruidenrijk cultuurland. Een beperkt en oplosbaar probleem vormen veeroosters, waarin egels vallen en niet meer uit kunnen komen; een schuine uitstaphelling in de put voorkomt dat. Op de eilanden is de soort zelf ingevoerd, waardoor bescherming daar een afweging vraagt. Taxonomisch blijkt uit DNA-onderzoek dat de vroeger in Noord-Afrika onderscheiden ondersoorten niet standhouden en dat de Europese dieren afstammen van meegevoerde Noord-Afrikaanse dieren.

Wetenschappelijke naam

Atelerix algirus | (Lereboullet in Duvernoy & Lereboullet, 1842)

Lereboullet in Duvernoy & Lereboullet beschreef de soort in 1842 als Erinaceus algirus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Atelerix wordt gelezen als het Griekse atelēs 'onvolledig' met een tweede deel dat op het oude woord voor 'egel' teruggaat; Pomel licht de naam niet toe, zodat de verklaring onzeker blijft. algirus betekent 'van Algiers', naar de typelocatie in Algerije. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.