Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Algazel

Algazel | Oryx dammah

Scimitar-horned oryx | Órix de cuernos de cimitarra

De algazel is een grote antilope van de Sahel en de randen van de Sahara die in 2000 door de IUCN als uitgestorven in het wild werd aangemerkt. Tot in de jaren tachtig trok de soort in kudden van honderden dieren door de Sahel. De dieren in Tunesië en Marokko zijn teruggezet en leven in omheinde reservaten; sinds 2016 is er in Tsjaad weer een vrij levende populatie.

Algazel (Oryx dammah)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In de reservaten is de algazel vaak eerder aan sporen dan aan het dier zelf vast te stellen, omdat de kudden zich veel verplaatsen en afstand houden. De prent is die van een grote antilope: een gespleten hoefafdruk van acht tot tien centimeter lang, breder en ronder dan die van een gazelle, met de twee helften bij snelle gang wijd gespreid en met een duidelijke, brede punt. Op los zand drukt de hoef ondiep en breed af, een aanpassing waardoor het dier op duinzand niet wegzakt; op harde reg blijft alleen de rand van de hoefwand achter. Het loopspoor van een kudde bestaat uit een bundel evenwijdige paden die vanaf een waterpunt of een schaduwboom uitwaaieren en na jaren gebruik uitgesleten wissels vormen. De keutels liggen in hopen van tientallen tot honderden bolletjes van ongeveer een centimeter, langwerpig met een puntje aan één kant, vers glanzend zwart en snel matgrijs verbleekt; ze liggen op vaste latrineplekken. In de nazomer zijn er ligkuilen: ondiepe, met de voorhoeven uitgeschraapte kommen in de schaduw van een acacia of onder een zandwal, waar de dieren de heetste uren doorbrengen, en aan boomstammen schuurplekken en hoornkrassen van stieren.

In zijn leefgebied

Algazel, op de kale keihellingen van het nationaal park dghoumes aan de rand van de chott el djerid, tunesië
Op de kale keihellingen van het Nationaal Park Dghoumes aan de rand van de Chott el Djerid, Tunesië · Foto: Houssembo — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Algazel, koe met kalf van het teruggezette bestand in tsjaad; het kalf is effen zandgeel en heeft nog korte, rechte hoorns
Koe met kalf van het teruggezette bestand in Tsjaad; het kalf is effen zandgeel en heeft nog korte, rechte hoorns · Foto: Kduthler — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote, hoogpotige antilope met een bijna wit lichaam en een scherp afstekende roodbruine hals en borst. De kop is wit met kastanjebruine strepen die door het oog naar de wang lopen en een brede roodbruine baan over de neusrug; samen vormen die een masker. Beide geslachten dragen lange, dunne, naar achteren gebogen hoorns in een gelijkmatige boog van een tot ruim een meter twintig, met dwarsringen over het onderste deel. De hoorns zijn broos en bij oude dieren vaak afgebroken; dieren met één hoorn of met stompen komen regelmatig voor. De staart is lang, met een donkerbruine pluim aan het uiteinde. De hoeven zijn breed en gespreid, aangepast aan losse zandbodem. Kalveren zijn effen zandgeel zonder tekening, met korte, rechte hoorns.

Gelijkende soorten

In Noord-Afrika is er geen andere witte antilope met lange, gebogen hoorns; verwarring is alleen mogelijk met soorten die in dezelfde omheinde reservaten zijn teruggezet. De addax (Addax nasomaculatus), die in Tunesië in dezelfde parken leeft, is gedrongener en korter van poot, heeft bruine schoudermanen en spiraalvormig gedraaide hoorns in plaats van een gladde boog, en een witte vlek op de neusrug in plaats van een roodbruine baan. De Arabische oryx is kleiner en heeft rechte, nauwelijks gebogen hoorns; hij komt in Noord-Afrika niet voor. De dorcasgazelle en de edmigazelle, die in dezelfde reservaten leven, zijn veel kleiner en zandkleurig. Een licht gekleurd verwilderd rund of een lichte dromedaris kan op afstand voor verwarring zorgen, maar niet wanneer de hoorns zichtbaar zijn.

Leefgebied

Open, halfwoestijnachtige grasvlakten en steppen aan de rand van de Sahara: droge grasvlakten met ijl steppegras, zoutsteppe, keivlakten en de randen van duinvelden, met verspreide acacia's die schaduw geven. De soort is aangepast aan extreme droogte en warmte: de lichaamstemperatuur loopt overdag op, waardoor minder water verloren gaat, en het dier kan maandenlang zonder drinken door vocht op te nemen uit gras, meloenen en knollen. In Tunesië leeft de algazel in de omheinde nationale parken aan de rand van de Sahara, in een landschap van steppegras, jujube en gedegradeerde acaciasavanne.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk de hele Sahel- en Saharagordel van Marokko en Senegal tot de Nijl, in kudden die met de regens noord- en zuidwaarts trokken. Deze oorspronkelijke populaties bestaan niet meer: de laatste betrouwbare waarnemingen van vrij levende algazellen komen uit Tsjaad en Niger in de jaren tachtig, en in 2000 werd de soort als uitgestorven in het wild aangemerkt. In Noord-Afrika zijn alle huidige dieren teruggezet en omheind: in Tunesië sinds 1985, met kuddes in de nationale parken Bou Hedma, Sidi Toui, Dghoumes en Oued Dekouk, samen ongeveer driehonderd dieren, en daarnaast een kudde in Marokko. In Tsjaad loopt sinds 2016 een herintroductieproject in het Ouadi Rimé–Ouadi Achim-wildreservaat, waar 285 uit dierentuinen afkomstige dieren zijn uitgezet; de vrij levende populatie daar kwam in 2023 boven de zeshonderd.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in de vroege ochtend en de late middag; de heetste uren brengt de algazel liggend in de schaduw door. Sterk sociaal: oorspronkelijk in gemengde kudden tot zeventig dieren, met in het regenseizoen groepen van honderden tot duizenden die honderden kilometers noordwaarts de Sahara in trokken en in de droge tijd terugkeerden. Het voedsel bestaat uit steppegrassen, kruiden, acaciapeulen en de vruchten van wilde meloenen. De draagtijd is achtenhalve maand; meestal wordt één kalf geboren, dat na enkele dagen met de kudde meeloopt. De levensduur is vijftien tot twintig jaar.

Waar en wanneer kijken

In Noord-Afrika is de algazel alleen te zien in de Tunesische nationale parken, met een gids en een terreinwagen. Bou Hedma aan de voet van de Djebel Bou Hedma en Dghoumes aan de rand van de Chott el Djerid zijn de beste plekken, in de vroege ochtend, wanneer de kudden op de open vlakten grazen. De dieren leven daar binnen een omheining. Het reservaat in Tsjaad met vrij levende dieren is niet ingericht op bezoekers en de regio is onveilig. In Europa is de soort in dierentuinen te zien; uit die populatie stammen alle teruggezette dieren.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN, 2023), een verbetering ten opzichte van Uitgestorven in het wild. De algazel stond sinds 2000 als uitgestorven in het wild te boek, als gevolg van jacht op vlees en hoorns, verdringing door vee en langdurige droogte. De resterende dieren leefden in dierentuinen en op particuliere ranches en stamden af van een kleine groep die in de jaren zestig en zeventig was gevangen. Uit die fokpopulatie werden vanaf 1985 kuddes in Tunesische reservaten opgebouwd, en vanaf 2016 werden in Tsjaad 285 dieren in het wild vrijgelaten. Op 11 december 2023 verlaagde de IUCN de status van Uitgestorven in het wild naar Bedreigd. De dieren in Tunesië en Marokko leven in omheinde reservaten en niet vrij; ze worden bijgevoerd en beheerd, en hun genetische variatie gaat terug op een klein aantal stichters.

Wetenschappelijke naam

Oryx dammah | (Cretzschmar, 1827)

Cretzschmar beschreef de soort in 1827 als Antilope dammah; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Oryx is het Griekse oryx 'houweel', bij oryssein 'graven'; de Grieken gebruikten het woord al voor een Noord-Afrikaanse antilope, naar de spitse hoorns. dammah hoort bij het Latijnse damma 'damhert, antilopeachtig wild', maar met een uitgang die op een plaatselijke naam wijst; Cretzschmar licht de vorm niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Soedan.