Alle soorten › Evenhoevigen › Holhoornigen › Gems

Gems | Rupicapra rupicapra

Chamois | Rebeco alpino

De gems (Rupicapra rupicapra) is een dagactieve berggeit-antilope van de Alpen, de Karpaten en andere gebergten van Midden- en Zuidoost-Europa. Hij staat vaak in het open op hellingen, maar meestal op grote afstand, zodat een telescoop nodig is om hem goed te zien. In de Alpen en de Karpaten wordt hij bij het afzoeken van de grasstroken tussen de rotsbanden vrijwel altijd gevonden. In de Pyreneeën, het Cantabrisch gebergte en de Apennijnen leeft een andere soort, de Pyreneese gems.

Gems (Rupicapra rupicapra)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De prent is 5 tot 6,5 cm lang en 3 tot 4 cm breed, tweetenig, met de hoefhelften duidelijk uit elkaar en aan de punt afgerond in plaats van spits; de gems spreidt de tenen voor grip, wat in de prent zichtbaar is. De bijklauwen drukken af in sneeuw en op zachte grond. In sneeuw is het loopspoor het bruikbaarst: lange, rechte sporen die een sneeuwveld of couloir schuin oversteken van rotsband naar rotsband, vaak in terrein dat voor mensen niet begaanbaar is. In diepe sneeuw graaft de gems trechters tot op het gras; een helling met veel van zulke kuilen wijst op een troep. De keutels zijn zwarte, glanzende bolletjes van 8 tot 12 mm in losse hopen op richels en bij rustplaatsen; in het veld zijn ze niet met zekerheid te onderscheiden van die van steenbok, moeflon en vrijlopende geit; de plek en de bijbehorende sporen zijn beslissend. De rustplaatsen zijn duidelijker: uitgeschraapte ovale kuilen onder een overhang of op een richel, met keutels en losse haren, die jarenlang worden gebruikt. In juni ligt de afgeworpen wintervacht in plukken op struiken en rotsen. In de winter zijn er vraatsporen aan bergden, jonge lariks en spar: afgebeten scheuten en plaatselijk geschilde bast. In de bronsttijd, in november, wrijven de bokken het secreet van de klieren achter de hoorns aan takken en rotspunten, wat een sterke bokkengeur achterlaat die bij windstil weer waarneembaar is. Een belangrijk teken is de alarmfluit, een scherpe, hoge stoot door de neus die over grote afstand hoorbaar is en aangeeft dat een troep de waarnemer heeft opgemerkt.

In zijn leefgebied

Gems, op het blokveld van de červená dolina in de hoge tatra, boven de boomgrens — hier leeft de tatragems, rupicapra rupicapra tatrica
Op het blokveld van de Červená dolina in de Hoge Tatra, boven de boomgrens — hier leeft de Tatragems, Rupicapra rupicapra tatrica · Foto: Marcin Białek — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In wintervacht

Gems, in wintervacht, rhône-alpes, frankrijk, januari: het lichaam is nu bijna zwart, in scherp contrast met het lichte kopmasker
In wintervacht, Rhône-Alpes, Frankrijk, januari: het lichaam is nu bijna zwart, in scherp contrast met het lichte kopmasker · Foto: luluchouette — CC BY 4.0 · iNaturalist

Het jong

Gems, jong in het aletschbos, wallis; het kopmasker is al even scherp getekend als bij de moeder, de horens zijn nog stompjes
Jong in het Aletschbos, Wallis; het kopmasker is al even scherp getekend als bij de moeder, de horens zijn nog stompjes · Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een gedrongen berggeit-antilope van 110 tot 130 cm kop-romplengte, 70 tot 85 cm schouderhoogte en 25 tot 60 kg, met een korte romp op hoge, sterke poten en een korte staart van 3 tot 8 cm. De zomervacht is licht roodbruin tot okerbruin; de wintervacht is bijna zwart, veel langer, met lichte achterbenen, lange dekharen over rug en flanken en een vuilwitte stuitvlek. Over de rug loopt een zwarte aalstreep. Het gezicht is het kenmerk op afstand: roomwit tot lichtgeel, met een scherpe zwarte streep van de neus door het oog naar het oor, en een zwarte kin. Beide seksen dragen haakhoorns: dunne, gladde, zwarte hoorns die vlak boven de ogen recht omhoog gaan en aan het uiteinde scherp naar achteren omgebogen zijn; 15 tot 30 cm lang, bij de bok dikker aan de basis en sterker gehaakt, bij de geit slanker en met een wijdere bocht. De hoeven hebben een harde, scherpe buitenrand die grip geeft op rots en ijs, en daarbinnen een zachte, veerkrachtige zool; de twee tenen kunnen ver spreiden. Het jong volgt de moeder binnen enkele dagen in steil terrein.

Gelijkende soorten

In de Pyreneeën, het Cantabrisch gebergte en de Apennijnen leeft niet deze soort maar Rupicapra pyrenaica, de Pyreneese gems (in het Spaans rebeco, sarrio of isard), met de vormen pyrenaica in de Pyreneeën, parva in de Cordillera Cantábrica en ornata in de Abruzzen. De twee soorten overlappen nergens. R. pyrenaica is kleiner en lichter, de wintervacht is roodbruin in plaats van zwart, het zwarte gezichtsmasker is minder gesloten, en op keel, schouder en flank staan opvallende witte tot roodwitte vlekken die R. rupicapra niet heeft. Een gems in de Picos de Europa of in Ordesa is dus de andere soort; dit is de meest voorkomende determinatiefout. In de Alpen komen verder voor: de alpensteenbok, veel zwaarder en gedrongener, met een stompe kop zonder gezichtsmasker en bij het mannetje zeer grote, naar achteren gebogen, geribbelde hoorns; de moeflon, met gekrulde hoorns en een lichte zadelvlek; en vrijlopende huisgeiten, die in de zuidelijke gebergten op afstand de meest voorkomende verwarringsbron zijn. Op het Iberisch Schiereiland is de Spaanse steenbok, veel forser en met andere hoorns, een verwarringsmogelijkheid voor de Pyreneese gems.

Leefgebied

De zone tussen de boomgrens en de rotsen. Alpiene en subalpiene graslanden, puinhellingen, rotswanden en grasstroken tussen rotsbanden vormen het zomerleefgebied, tot boven 3000 m. In de winter trekt de gems naar het hogere bergbos (naaldbos en gemengd bos met open plekken) en naar steile, zonnige zuidhellingen waar de sneeuw wegwaait; bergdenstruweel biedt daar dekking. Overal is de combinatie van voedsel en steil, onbegaanbaar terrein op korte afstand kenmerkend.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De Alpen, met verreweg de grootste populatie (honderdduizenden dieren), verder de Jura, de Vogezen (uitgezet vanaf de jaren vijftig), het Zwarte Woud, de Tatra, de Karpaten, de Dinarische gebergten, de Pindos en de Balkan, de Kaukasus en Noordoost-Anatolië; daarbuiten ingevoerd in Nieuw-Zeeland, waar de soort als plaag wordt beschouwd. De noordgrens in Europa ligt in de Tatra en de Alpen; in Scandinavië, op de Britse Eilanden en in de Lage Landen komt de gems niet voor en heeft hij in historische tijd niet voorgekomen. De dichtstbijzijnde populaties bij de Lage Landen liggen in de Vogezen, ongeveer 400 km van de Ardennen, gevolgd door de Jura en de Zwitserse en Beierse Alpen. Op het Iberisch Schiereiland komt de soort niet voor. In de Pyreneeën (Ordesa, Aigüestortes, Val d'Aran, Alta Ribagorça) en het Cantabrisch gebergte (Picos de Europa, Somiedo, Riaño, Fuentes Carrionas) leeft Rupicapra pyrenaica, met ongeveer 25.000 dieren in de Pyreneeën en een vergelijkbaar aantal in het Cantabrisch gebergte; beide populaties zijn in de twintigste eeuw sterk hersteld nadat ze tot enkele kernen waren teruggebracht.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De gems is dagactief en daardoor een van de best waarneembare grote zoogdieren van de Europese gebergten: hij graast in de vroege ochtend en de late middag en herkauwt daartussen liggend op een richel, vaak in het open. Geiten met jongen en jonge dieren leven in troepen van vijf tot dertig dieren, in de herfst tot honderd; oude bokken leven het grootste deel van het jaar solitair. Het voedsel wisselt sterk met het seizoen: in de zomer alpiene grassen, kruiden en bloemen, in de winter mossen, korstmossen, knoppen, naalden van bergden en spar, en bast. Verticale trek is de regel: in de zomer boven de boomgrens, in de winter in het bos en op windvrije zuidhellingen. De bronst valt van half november tot half december: bokken achtervolgen elkaar en de geiten over sneeuwhellingen, wat soms tot dodelijke val leidt. De draagtijd is ongeveer 170 dagen; in mei of juni wordt op een beschutte richel één jong geboren, zelden een tweeling. Het jong staat binnen een uur en volgt de moeder na enkele dagen. Gemzen worden vijftien tot twintig jaar oud. Er is geen winterrust, maar het energieverbruik in de winter is sterk beperkt: minder beweging, een lagere stofwisseling en een gewichtsverlies dat bij oude dieren tot een derde van het lichaamsgewicht kan bedragen. Verstoring in de winter, bijvoorbeeld door skiërs buiten de piste of sneeuwschoenwandelaars op zuidhellingen, heeft daardoor grote gevolgen.

Waar en wanneer kijken

Zoek vroeg in de ochtend, hoog in het gebergte en met een telescoop. Zoek na zonsopgang systematisch de grasstroken tussen de rotsbanden en de graatlijn af: een grazende gems is een langzaam bewegende donkere vorm, en waar er één is, is meestal de hele troep in de buurt. Halverwege de ochtend gaan de dieren naar schaduwrijke noordhellingen en liggen ze op richels. Bekende gebieden zijn het Nationaal Park Gran Paradiso in Italië, de Berchtesgadener Alpen, de Vanoise, het Zwitserse Nationaal Park bij Zernez, de Hohe Tauern en de Hoge Tatra; in al deze gebieden zijn de dieren aan wandelaars gewend en tot op honderd meter te benaderen. Voor R. pyrenaica zijn Ordesa y Monte Perdido, Aigüestortes, de Picos de Europa en Somiedo geschikt, met dezelfde methode. In november is de bronst te zien, met achtervolgingen over besneeuwde hellingen. Loop niet boven een troep langs: gemzen reageren op gevaar van boven en vluchten. Luister naar de alarmfluit, die vaak het eerste teken van gemzen is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021), met meer dan een miljoen dieren en een groeiende populatie in de Alpen; de gems is een van de weinige Europese hoefdieren die zowel algemeen is als in het hele areaal volgens quota wordt bejaagd. Problemen zijn plaatselijk. Twee ziekten kunnen een populatie in enkele jaren met tachtig procent doen afnemen: infectieuze keratoconjunctivitis of gemsblindheid, die de dieren tijdelijk blind maakt, waardoor ze kunnen neerstorten, en schurft (sarcoptesschurft), die sinds de negentiende eeuw in golven door de oostelijke Alpen en de Karpaten trekt en in Spanje ook de Cantabrische populaties van de Pyreneese gems zwaar heeft getroffen. Daarnaast spelen concurrentie met schapen en runderen op de zomerweiden, de aanleg van skigebieden en liften in het winterleefgebied, en, de laatste jaren de belangrijkste verstoringsfactor, recreatie buiten de gebaande paden in de winter, wanneer elke vlucht energie kost die de dieren nodig hebben om de winter door te komen. Klimaatopwarming verschuift de alpiene zone omhoog en verkleint het leefgebied per gebergte; onderzoek in de Alpen wijst bovendien op lagere gewichten van jonge gemzen bij warmere zomers.

Wetenschappelijke naam

Rupicapra rupicapra | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Capra Rupicapra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rupicapra is Latijn, van rupes 'rots' en capra 'geit': de rotsgeit. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland.