Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Balkansneeuwmuis
Balkansneeuwmuis | Dinaromys bogdanovi
Balkan Snow Vole | Topillo nival de los Balcanes
De balkansneeuwmuis is de enige nog levende soort van de tribus Pliomyini, een tak van de woelmuizen die verder alleen uit het Plioceen en het Pleistoceen bekend is; de naaste verwanten zijn uitsluitend als fossiel bekend uit grotafzettingen in Europa. De soort leeft in de kalkrotsen van het Dinarisch gebergte, in verspreide, kleine populaties tussen de karstblokken. Zij plant zich langzaam voort, is gebonden aan één landschapstype en staat op de Rode Lijst als kwetsbaar.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De soort is moeilijk te vinden en laat weinig sporen na. Zij graaft niet, maar woont in diepe spleten en holten in de kalksteen; er zijn daardoor geen holingangen en geen aardhopen. Wel te vinden zijn latrines in beschutte spleten en onder overhangende steenblokken: hoopjes van tientallen tot honderden keutels van zes tot negen millimeter lang, cilindrisch met afgeronde uiteinden, donkergroen tot zwart, groot voor een woelmuis en jarenlang op dezelfde plek afgezet. Daarnaast voedselvoorraden: bosjes afgesneden grassen, kruiden en jonge naaldtakjes die in een spleet of onder een steen zijn opgeslagen als wintervoedsel, met de stengels in één richting gelegd. Op de rotsplaten liggen kleine afgeknipte plantendelen waarvan de sappige onderkant is gegeten. Nesten van fijn gras en mos liggen diep in de spleten en zijn zelden te zien. Braakballen van oehoe en kerkuil uit de karstdorpen zijn een van de betere methoden om de aanwezigheid van de soort vast te stellen.
Herkenning
Voor een woelmuis groot en langstaartig: kop-romp 10 tot 15 cm, staart 6 tot bijna 12 cm, dus meer dan de helft van de kop-romplengte, wat onder de Europese woelmuizen uitzonderlijk is, en een gewicht tot 88 gram. De vacht is lang, dicht en zijdeachtig, in de winter dichter. De bovenzijde is donker blauwgrijs tot leigrijs, soms met een bruine zweem, de onderzijde duidelijk lichter, grijs tot vuilwit, met een scherpe scheiding op de flank. De staart is tweekleurig, donker van boven en wit van onder, met iets langere haren aan het eind. Kenmerkend zijn de grote, ver uit de vacht stekende oren met een goed ontwikkelde oorlob, de kleine ogen en de brede, stompe kop. De snorharen zijn lang. De poten zijn stevig, met lange, gebogen nagels waarmee het dier tussen de rotsen klimt. Jonge dieren zijn donkerder en grijzer.
Gelijkende soorten
In het Dinarisch gebergte komt de soort samen voor met de sneeuwmuis (Chionomys nivalis), de enige soort waarmee serieuze verwarring mogelijk is. De sneeuwmuis is kleiner, lichter en zilvergrijs tot lichtgrijs, met een kortere staart (minder dan de helft van de kop-romplengte) en kleinere oren, en is fijner gebouwd. Op afstand zijn de lange staart, het donkere blauwgrijs en de grote oren de kenmerken van de balkansneeuwmuis. Rosse woelmuis en ondergrondse woelmuis zijn kleiner en bruiner en leven in bos of grasland in plaats van in kale karst. Een zwarte rat is veel slanker, met een veel langere, kale, geschubde staart en grote ogen. De vindplaats is een belangrijk determinatiekenmerk: de soort leeft op kale kalksteen aan en boven de boomgrens.
Leefgebied
Uitsluitend kalksteen- en dolomietkarst: rotsplaten, blokvelden, puinhellingen, kloofranden, dolinewanden en de open, met kruiden begroeide plekken tussen de stenen, meestal aan of boven de boomgrens en tot ongeveer 2200 meter. De soort gebruikt diepe spleten die beschutting en een gelijkmatig microklimaat bieden. Zij komt ook lager voor, tot in de submediterrane zone, waar de karst kaal is en de spleten diep genoeg zijn. Bepalend is niet de vegetatie maar de rots: waar de rots met bos of grasland is dichtgegroeid, ontbreekt de soort.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in de westelijke Balkan, in het Dinarisch gebergte en de direct daarachter gelegen bergen: Kroatië (Dalmatië en de Velebit), Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Servië, Kosovo, Noord-Macedonië en Noord-Albanië, met één vondst in het uiterste noorden van Griekenland. De typelocatie ligt bij Cetinje in Montenegro, op 680 meter. Het areaal is klein en de populaties zijn sterk versnipperd: de soort leeft in eilanden van geschikte karst, gescheiden door terrein waar zij ontbreekt. Buiten de westelijke Balkan komt zij niet voor. Fossiele verwanten van het geslacht zijn in heel Europa gevonden, onder meer in Pleistocene afzettingen in Groot-Brittannië, Nederland en op het Iberisch Schiereiland.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend nachtactief, maar bij bewolkt weer en in de vroege ochtend ook overdag te zien. De soort klimt behendig over de rotsen en verdwijnt bij verstoring direct in een spleet. Het voedsel bestaat in de zomer uit groene plantendelen, kruiden en grassen en in de winter uit knoppen en jonge scheuten van naaldbomen en uit de aangelegde voorraad. Er is geen winterslaap; ook onder de sneeuw blijft de soort tussen de blokken actief. Kenmerkend is de uitzonderlijk trage voortplanting, uniek onder de Europese woelmuizen: één, hooguit twee jongen per jaar, en de dieren zijn pas in hun tweede levensjaar geslachtsrijp. De levensduur is lang: tot vier jaar in het wild, terwijl andere woelmuizen zelden een jaar oud worden. Dit levenspatroon past bij een stabiele, voedselarme en voorspelbare omgeving, en verklaart waarom de soort verliezen niet snel kan compenseren. De dichtheden zijn overal laag.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de kale karst van Montenegro, Zuidwest-Bosnië of de Kroatische Velebit, bijvoorbeeld in de Durmitor, de Orjen of de Lovćen, en richt je op blokvelden en rotsplaten rond en boven de boomgrens. Zoek overdag naar latrines: kijk onder overhangende blokken en in de bredere spleten naar hoopjes grote, donkere keutels en naar opgeslagen bosjes afgesneden gras. Dat geeft de beste kans om de soort vast te stellen; het dier zelf wordt zelden gezien. Om het dier te zien, wacht je na zonsondergang stil bij een rotsplaat met verse latrines, met een rode lamp of een warmtebeeldkijker. Veel ervaren veldwerkers in de Balkan hebben de soort nooit gezien; zoeken op sporen is de meest effectieve methode.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2018). De beoordeling berust op drie factoren die elkaar versterken: het areaal is klein en versnipperd, de populaties zijn klein en dun, en door de trage voortplanting kan de soort een achteruitgang niet snel herstellen. Waar de karst dichtgroeit, door het wegvallen van de eeuwenoude extensieve begrazing met schapen en geiten in het Dinarisch achterland en door bebossing, verdwijnt de open rots die de soort nodig heeft. Daarnaast wordt concurrentie met de sneeuwmuis genoemd, die in hetzelfde rotslandschap leeft, zich veel sneller voortplant en vrijgekomen plekken sneller bezet; een dergelijke verklaring wordt voor zoogdieren zelden aangevoerd. Steengroeven, wegenaanleg, skigebieden en kalksteenwinning tasten de blokvelden direct aan, en door de opwarming verschuift het geschikte klimaat naar grotere hoogte, waar het beschikbare oppervlak afneemt. Genetisch onderzoek toonde dat de populaties al lang van elkaar gescheiden zijn en dat de noordwestelijke groep zo verschilt dat zij in de Mammal Diversity Database als aparte soort is opgenomen, Dinaromys longipedis; daardoor wordt het areaal van D. bogdanovi nog kleiner. Voor het behoud is het van belang de kale karst open en onverstoord te houden.
Wetenschappelijke naam
Dinaromys bogdanovi | (V. E. Martino & E. V. Martino, 1922)
V. E. Martino & E. V. Martino beschreef de soort in 1922 als Microtus (Chionomys) bogdanovi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dinaromys is genoemd naar het Dinarisch gebergte, met het Griekse mys 'muis' erachter: de woelmuis van de Dinariden. bogdanovi eert een Bogdanov, vermoedelijk de Russische zoöloog Modest Bogdanov (1841–1888); Martino, zelf een Rus in de Balkan, licht de naam niet toe. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Montenegro, Cetinje.




