Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Boslemming

Boslemming | Myopus schisticolor

Wood Lemming | Léming De Bosque

De boslemming is een kleine, leiblauwe lemming van de boreale naaldbossen. Hij leeft verborgen in de moslaag onder sparren en eet vrijwel alleen mos. In tegenstelling tot de berglemming maakt hij geen massale trektochten. Een bijzonder kenmerk is de geslachtsverhouding: van elke drie boslemmingen zijn er gemiddeld twee vrouwtjes. De oorzaak is een afwijkend X-chromosoom dat de werking van het Y-chromosoom uitschakelt.

Boslemming (Myopus schisticolor)
Foto: Risto S. Pynnönen — Public domain · Wikimedia Commons

Sporen

De boslemming laat weinig sporen na, en die liggen vooral in het mos. In oude sparrenopstanden met een dikke moslaag van gaffeltandmos en bronsmos zijn door het mos gevreten gangen te vinden: geulen van drie tot vier centimeter breed die net onder het levende mosoppervlak lopen en pas zichtbaar worden als de moslaag met de hand wordt opgetild. Op de kruispunten liggen kleine, groene keutels tot vijf millimeter lang; de groene kleur komt doordat het voedsel bijna geheel uit mos bestaat en de vertering onvolledig is. De vraatplekken zijn kale, uitgeknaagde plekken in het mos waar de bovenste centimeter van de stengeltjes is weggevreten; een bruinige, uitgeholde plek in een verder intacte moslaag is het duidelijkste teken. Nesten van fijn geplozen mos liggen onder een omgevallen stam, in een rotte stronk of in een holte onder een steen; in de winter worden ze op de bodem onder de sneeuw gebouwd en na de dooi blijven ze achter als vervilte bolletjes van vijf tot tien centimeter. In braakballen van ruigpootuil, laplanduil en sperweruil is de soort in Noord-Scandinavië goed vertegenwoordigd; braakballen zijn vaak de eerste aanwijzing voor aanwezigheid.

Herkenning

Klein en gedrongen, kop-romp 8 tot 12,5 cm, staart 1,2 tot 2 cm; bijna even kortstaartig als de berglemming, maar veel kleiner en veel donkerder. De vacht is dicht, zacht en egaal leiblauwgrijs tot zwartgrijs, met over het midden van de rug een roestbruine tot kaneelkleurige zadelvlek die bij sommige dieren duidelijk en bij andere nauwelijks zichtbaar is. De buik is iets lichter grijs, zonder scherpe scheiding. De oren zijn klein en in de vacht verborgen, de ogen klein, de snuit kort en stomp, de voeten kort en behaard. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes. In de hand zijn de fluweelachtige vacht en de korte staart kenmerkend: de staart is korter dan een vijfde van de kop-romplengte.

Gelijkende soorten

Binnen het leefgebied is het onderscheid vooral een kwestie van kleur en staart. De berglemming is groter, heeft een scherp zwart-geel-roestkleurig patroon en een zwarte kop, en is daardoor direct te onderscheiden. De rosse woelmuis en de grijze roodrugwoelmuis leven in hetzelfde bos en zijn de belangrijkste verwarringssoorten: beide hebben een duidelijke staart van een derde tot de helft van de kop-romplengte en een roodbruine rug zonder blauwgrijze tint; de boslemming heeft nauwelijks een staart en is donker en blauwgrijs. De aardmuis is grijsbruin, heeft een langere staart en leeft op open, grazige plekken in plaats van in dicht mos. Bij slecht licht zijn formaat en ronde lichaamsvorm het eerste kenmerk; bij twijfel is de staartlengte beslissend.

Leefgebied

Oud, vochtig naaldbos en gemengd bos met een dikke moslaag, vooral sparrenbos met veel dood hout, omgevallen stammen, rotte stronken en bemoste rotsblokken. Ook hoogveen en overgangsveen omgeven door sparren, bosveentjes en de mosrijke oevers van beken in de taiga. De soort mijdt droge, kale of jonge bossen: kapvlakten, aanplant zonder ondergroei en gedunde bossen zijn ongeschikt. Van het laagland tot in de berkengordel, en in Zuid-Noorwegen tot rond duizend meter.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De taigagordel van Fennoscandinavië tot Kamtsjatka. In Europa: Noorwegen, Zweden, Finland, de Baltische staten (zeer schaars in Estland en Letland), Wit-Rusland, en Europees Rusland van het schiereiland Kola tot voorbij de Oeral. Naar het zuiden reikt het areaal tot Midden-Zweden, Zuid-Finland en de zuidgrens van de Russische taiga. Binnen het hele areaal is de soort plaatselijk en schaars en komt ze voor in gescheiden populaties.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in korte perioden, dag en nacht, met de nadruk op de schemering, en het hele jaar door; er is geen winterslaap en in de winter leeft de soort onder de sneeuw. Het voedsel bestaat voor meer dan negentig procent uit mossen, vooral Dicranum en Pleurozium; daarmee is de boslemming vrijwel de enige Europese zoogdiersoort die van bladmos leeft. Daarnaast worden zeggen, bosbesblaadjes en korstmossen gegeten. Mos bevat weinig eiwit en veel onverteerbaar materiaal; de boslemming heeft een lange darm en eet zijn eigen zachte keutels opnieuw op. De worpen zijn klein, twee tot zeven jongen, met twee of drie worpen per zomer. De populatie schommelt met dezelfde drie- tot vierjarige cyclus als bij de andere lemmingen, maar met kleinere pieken. Kenmerkend is de scheve geslachtsverhouding: ongeveer twee derde tot drie kwart van de dieren is vrouwelijk. De oorzaak is een gemuteerd X-chromosoom, aangeduid als X*, dat het geslachtsbepalende effect van het Y-chromosoom uitschakelt. Vrouwtjes komen daardoor in drie genetische vormen voor (XX, X*X en X*Y), mannetjes alleen als XY. Een X*Y-dier is uiterlijk een normaal vrouwtje, is vruchtbaarder dan een XX-vrouwtje en krijgt vrijwel alleen dochters. Hierdoor kan een kleine populatie met weinig mannetjes snel groeien. Een dergelijk systeem is bij zoogdieren zeldzaam.

Waar en wanneer kijken

De soort wordt meestal bij toeval waargenomen, vooral in piekjaren. De kans is het grootst in de zomer of vroege herfst in oud sparrenbos in Midden- of Noord-Zweden, Finland of Noorwegen, op plekken met veel dood hout en een dikke moslaag; let op beweging in het mos vlak voor je voeten. De dieren bewegen langzaam en blijven vaak even zichtbaar. Til de moslaag voorzichtig op om de gangen te zien; die worden vaker gevonden dan het dier zelf. In de schemering langs bosweggen is de kans op een waarneming het grootst. Waar ruigpootuilen en sperweruilen broeden, zijn woelmuizen en lemmingen talrijk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), met een groot areaal van Scandinavië tot de Grote Oceaan. In Europa is de bosbouw de belangrijkste bedreiging: de soort is gebonden aan oud, vochtig, mosrijk bos met dood hout, en dat bostype is door de moderne productiebosbouw in Fennoscandinavië sterk afgenomen. Kaalkap, bodembewerking, ontwatering en de vervanging van gemengd oud bos door gelijkjarige aanplant vernietigen de moslaag, waardoor de soort verdwijnt. In Estland en Letland is hij daardoor teruggebracht tot enkele vindplaatsen en op de nationale rode lijsten als bedreigd opgenomen; in Zweden en Finland is hij plaatselijk verdwenen uit streken waar hij vroeger algemeen was. Ook winterweer heeft invloed: dooi en ijzel in het sneeuwdek hebben op deze soort hetzelfde negatieve effect als op de berglemming. De soort geldt als indicator voor de kwaliteit van boreaal bos.

Wetenschappelijke naam

Myopus schisticolor | (Lilljeborg, 1844)

Lilljeborg beschreef de soort in 1844 als Myodes schisticolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myopus wordt gelezen als het Griekse mys, genitief myos, 'muis', en pous 'voet'; Miller licht de naam niet toe. schisticolor betekent 'leikleurig', van het Latijnse schistus 'leisteen' (Grieks schistos 'gespleten') en color 'kleur', naar de grijsblauwe rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noorwegen, Gudbrandsdal.