Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Berglemming

Berglemming | Lemmus lemmus

Norway Lemming | Leming De Tundra

De berglemming is een contrastrijk getekend knaagdier van het Scandinavische hoogland, waarvan de aantallen zo sterk schommelen dat piekjaren een eigen naam hebben: lemmingjaren. In zulke jaren is de soort op het fjell zeer talrijk en voeden sneeuwuil, hermelijn en kleine jager zich grotendeels met lemmingen; enkele jaren later kan de soort in hetzelfde gebied vrijwel afwezig zijn. Deze cycli bepalen in sterke mate het functioneren van het toendra-ecosysteem.

Berglemming (Lemmus lemmus)
Foto: Andreaze — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Op de pas sneeuwvrije toendra in juni zijn de sporen van de winter gemakkelijker te vinden dan het dier zelf. Het opvallendst zijn de winternesten: losse, gevlochten ballen van afgeknaagde grassprieten en zeggen, twaalf tot twintig centimeter in doorsnede, met een of twee zij-ingangen. Ze worden onder de sneeuw gebouwd, op de bodem in de ruimte tussen sneeuwdek en grond, en blijven na het smelten op het mos of de graspol liggen tot de wind ze uit elkaar haalt. Tien nesten per hectare in een goed jaar wijzen op hoge winterdichtheden. Daarnaast zijn er de wintergangen: een netwerk van geribbelde, kaalgevreten geulen van vier tot vijf centimeter breed aan de onderkant van het sneeuwdek, die na het smelten zichtbaar worden als lichte, in de vegetatie ingedrukte banen, vaak met hoopjes keutels op een kruispunt. In de zomer lopen zomerwissels als scherp afgegraasde paadjes door zeggen en mos, met om de paar meter een latrine van keutels: donkergroen tot zwart, ovaal, drie tot zes millimeter lang, plomper en groener dan die van een muis, in tientallen bij elkaar. Verse vraat is te herkennen aan schuin afgeknaagde grasstengels en afgeschilde twijgen van wilg en dwergberk. Ook broedvogels geven een aanwijzing: waar in een zomer sneeuwuil, ruigpootbuizerd en kleine jager broeden en hermelijnen talrijk zijn, is het vrijwel zeker een lemmingjaar.

Berglemming, winternest van gevlochten gras, na de sneeuwsmelt op de toendra achtergebleven, sallooaivi, storfjord (noorwegen)
Winternest van gevlochten gras, na de sneeuwsmelt op de toendra achtergebleven, Sallooaivi, Storfjord (Noorwegen) · Foto: Antti Leppänen — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Berglemming, ingang van een gang onder de vegetatiemat, urho kekkonen-nationaalpark, fins lapland
Ingang van een gang onder de vegetatiemat, Urho Kekkonen-nationaalpark, Fins Lapland · Foto: LPfi — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Berglemming, in dwergberkenstruweel in het nationaalpark padjelanta, noord-zweden
In dwergberkenstruweel in het Nationaalpark Padjelanta, Noord-Zweden · Foto: Fährtenleser — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Berglemming, kop tussen de rotsblokken: zwarte kap, gele wangvlek en in het haar verborgen oortjes, noord-zweden
Kop tussen de rotsblokken: zwarte kap, gele wangvlek en in het haar verborgen oortjes, Noord-Zweden · Foto: Mouagip — CC0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een gedrongen, kortpotig knaagdier van 8 tot 14 cm met een staart van nauwelijks anderhalve centimeter, die in de lange vacht verdwijnt. Het patroon is voor een Europees zoogdier uitzonderlijk scherp: een gitzwarte kop met een geelwitte wangvlek die van de snuit tot achter het oog loopt, een zwarte schoudervlek of zadel, en een roestgele tot okergele rug en flank. De buik is geelwit. De oortjes zijn klein en in de vacht verborgen, de ogen zwart en klein, de voeten breed en behaard. In het najaar is de vacht dichter en lijkt het dier ronder. Jonge dieren zijn doffer en grijzer, maar hebben de zwart-gele tekening al. Een berglemming die zich bedreigd voelt, gaat rechtop zitten, zet de vacht op, laat een schelle roep horen en bijt; hij vlucht niet, en ook dat gedrag is een determinatiekenmerk.

Gelijkende soorten

Het patroon van zwart, geel en roest is uniek; geen ander Europees knaagdier lijkt erop. De boslemming overlapt in het naaldbos van Noord-Zweden en Finland: die is kleiner, egaal leiblauw tot zwartgrijs met een roestbruine vlek op de rug, en mist de zwart-gele kop volledig. Rosse woelmuis en grijze roodrugwoelmuis zijn slanker, hebben een duidelijke staart van een derde tot de helft van de romplengte, en zijn roodbruin zonder zwart. Bij een dood dier of een braakbalrest is de zeer korte staart in combinatie met het formaat voldoende: geen andere Scandinavische woelmuis haalt honderd gram bij een staart van minder dan twee centimeter. In het uiterste noordoosten grenst het areaal aan dat van de Siberische lemming (Lemmus sibiricus), die egaler roodbruin is en de zwarte kop mist.

Leefgebied

Vochtige toendra en fjellheide boven de boomgrens: zeggenvelden, mosrijke laagten, dwergberken- en wilgenstruweel, natte hellingen onder sneeuwvelden en de randen van palsavenen. In de winter is het sneeuwdek het leefgebied: een isolerende laag van minstens twintig tot dertig centimeter waaronder de dieren op de grond leven en zich voortplanten. Bij hoge dichtheid trekken ze in het najaar omlaag tot in het berkenbos en zelfs in naaldbos en bebouwing, waar ze anders niet voorkomen. Van zeeniveau in Finnmark tot boven 1500 meter in Zuid-Noorwegen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het Scandinavische gebergte en Fennoscandinavië: Noorwegen van het zuiden tot Finnmark, de Zweedse fjällen, Fins Lapland en het schiereiland Kola. De soort is endemisch in dit gebied en een van de weinige zoogdieren die alleen in Fennoscandinavië voorkomen. Zuidwaarts reikt het areaal tot Hardangervidda en Dovrefjell, met een geïsoleerd gebied in Zuid-Noorwegen. Elders in Europa, waaronder de Britse Eilanden, de Lage Landen en Zuid-Europa, komt de soort sinds de laatste ijstijd niet voor. Fossiele resten zijn wel bekend uit afzettingen van de koude fasen van het Pleistoceen in Midden- en West-Europa, onder meer uit Britse grot- en rivierafzettingen en uit Nederlandse rivierafzettingen. In lemmingjaren verspreidt de populatie zich tot ver buiten het gewone gebied, tot in de dalen en de kuststreken.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief verdeeld over dag en nacht, in afwisselende perioden van ongeveer drie uur eten en drie uur rusten, en daardoor in de zomer op de toendra ook midden op de dag te zien. Het voedsel bestaat vrijwel uitsluitend uit mos, aangevuld met zeggen, grassen en blad van dwergberk en wilg; dit voedsel is van zo lage kwaliteit dat grote hoeveelheden nodig zijn. De voortplanting gaat in de winter door, onder de sneeuw, en dat verklaart de sterke aantalsschommelingen: bij een gunstig sneeuwdek krijgt een vrouwtje elke drie weken vijf tot acht jongen, waarvan de vrouwtjes zelf al na ongeveer drie weken, soms zelfs na twee, geslachtsrijp zijn. Een populatie kan zo in één winter honderdvoudig toenemen. Pieken treden gemiddeld eens per drie tot vijf jaar op. In een piekjaar volgt in de nazomer een massale verspreiding: dieren verlaten het overbevolkte gebied, trekken dagenlang in één richting, zwemmen meren en rivieren over en verdrinken bij tienduizenden. Dat is geen zelfmoord, zoals een oude mythe stelt, maar het gevolg van gebrek aan ruimte. Daarna stort de populatie in en duurt het jaren tot de volgende piek. De roofdieren volgen deze cycli: hermelijn, poolvos, sneeuwuil, ruigpootbuizerd en kleine jager hebben in een lemmingjaar grote worpen en legsels en slaan het jaar erna de voortplanting over. De berglemming wordt beschouwd als het duidelijkste voorbeeld van een prooidier dat een heel ecosysteem stuurt. In het wild wordt een dier zelden ouder dan een jaar.

Waar en wanneer kijken

Ga in juli of augustus naar het fjell van Noord-Zweden, Noord-Noorwegen of Fins Lapland en informeer vooraf of het een lemmingjaar is; nationale parken en vogelaars hebben die informatie. In een lemmingjaar zijn de dieren gemakkelijk te vinden: ze steken paden over en zitten in de zeggen langs beken en in de dwergberk. Loop langzaam en let op kleine, bewegende bruin-zwarte dieren. Ze laten zich dicht benaderen en vallen eerder aan dan dat ze vluchten, zodat een gewone lens volstaat; houd voldoende afstand om het dier niet te verstoren. Is het geen lemmingjaar, zoek dan in begin juni naar winternesten op plekken waar de sneeuw net verdwenen is, in laagten en langs beken. Een sneeuwuil op een steen is een sterke aanwijzing dat er lemmingen zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), en over het hele areaal talrijk. Een belangrijk risico is de verandering van het sneeuwdek. Voortplanting onder de sneeuw vereist een dikke, droge, luchtige laag; bij dooi en regen midden in de winter bevriest de onderkant van het sneeuwdek tot ijs en verdwijnt de ruimte waarin de dieren leven. Sinds de jaren negentig zijn de pieken in grote delen van Fennoscandinavië zwakker en minder regelmatig geworden, en onderzoekers wijzen warmere, nattere winters als oorzaak aan. Het uitblijven van pieken treft ook de soorten die van lemmingen afhankelijk zijn: sneeuwuil, kleine jager en poolvos hebben in Fennoscandinavië een slecht decennium gekend, en bij de poolvos wordt dat direct toegeschreven aan het uitblijven van lemmingjaren. De soort zelf is niet bedreigd; de regelmatige cycli waarop het toendra-ecosysteem is ingesteld, nemen wel af.

Wetenschappelijke naam

Lemmus lemmus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus Lemmus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lemmus is gevormd bij het Noorse lemende 'lemming', dat teruggaat op het Oudnoorse lómundr; de verdere herkomst is onbekend. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Lapland.