Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Steppelemming

Steppelemming | Lagurus lagurus

Steppe Lemming | Lagurus lagurus

De steppelemming is, ondanks de naam, geen toendrabewoner maar een knaagdier van de droge graslanden tussen Oekraïne en Kazachstan. De soort is herkenbaar aan een zwarte streep over het midden van de rug. Zij kent uitbraakjaren, en in die jaren gold zij vroeger als een belangrijke landbouwplaag.

Steppelemming (Lagurus lagurus)
Foto: Dawson at the English Wikipedia — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Sporen

De steppelemming leeft in kolonies, en die zijn in het veld het best te vinden. Op beweide steppehellingen of braakliggende akkerranden liggen tientallen holingangen van drie tot vier centimeter dicht bij elkaar, rond en schuin de grond in, elk met een kleine waaier losse aarde ervoor. Het gangenstelsel reikt tot negentig centimeter diep en bevat een nestkamer van ongeveer tien centimeter doorsnede en een of meer voorraadkamers. Tussen de ingangen lopen kaalgevreten paadjes van twee tot drie centimeter breed door het gras, met om de paar meter hoopjes keutels: donkergroen tot zwart, cilindrisch, twee tot drie millimeter lang, veel kleiner dan die van de berglemming. Rond de kolonie is het gras duidelijk korter en de kruidlaag opengevreten; in een uitbraakjaar is een heel perceel kaalgevreten en zijn de graanhalmen aan de voet doorgeknaagd, zodat de aren op de grond liggen. In de winter blijven de dieren onder de sneeuw actief; na de dooi liggen er geribbelde wintergangen op het maaiveld en losse graskluwens die als winternest zijn gebruikt. Braakballen van steppekiekendief, torenvalk en velduil in het steppegebied bevatten in goede jaren veel resten van deze soort.

Herkenning

Een klein, gedrongen woelmuisachtig knaagdier: kop-romp 8 tot 12 cm, met een staart van minder dan twee centimeter die grotendeels in de vacht verborgen is, en een gewicht van 22 gram in de winter tot bijna 35 gram in de zomer. De vacht is kort, dicht en licht asgrijs tot grijsbruin, de buik vuilwit. Het kenmerk is de smalle zwarte aalstreep die van tussen de oren over het midden van de rug tot aan de stuit loopt; bij oude dieren is zij scherp, bij jonge dieren vager, maar zij ontbreekt vrijwel nooit. De kop is breed en stomp, de snuit kort, de oren zijn zo klein dat ze geheel in de vacht verdwijnen, en de ogen zijn klein en donker. De voeten zijn kort, met stevige graafnagels. Vrouwtjes zijn gemiddeld iets groter dan mannetjes, en binnen het areaal neemt de grootte van west naar oost iets toe.

Gelijkende soorten

De combinatie van aalstreep, niet zichtbare oren en een vrijwel ontbrekende staart is in de Europese steppe uniek. De woelmuizen in hetzelfde gebied, veldmuis, ondergrondse woelmuis en woelrat, hebben alle een duidelijk zichtbare staart van minstens een kwart van de romplengte en geen rugstreep. De steppemuis (Mus spicilegus) en andere echte muizen zijn slanker, hebben grote ogen en oren en een lange staart. In het uiterste oosten van het areaal leeft ook de gele steppelemming (Eolagurus luteus), die zandgeel is en geen zwarte streep heeft. Een dood dier of een rest uit een braakbal is te herkennen aan de zeer korte staart en het formaat; het kiespatroon onderscheidt de soort definitief van de woelmuizen, maar is geen veldkenmerk.

Leefgebied

Droge en halfdroge graslanden op zwarte aarde en löss: veren- en zwenkgrassteppe, open plekken in bossteppe, zoutsteppe en halfwoestijn. In het cultuurlandschap beweide hellingen, dijken, taluds langs wegen en spoorlijnen, akkerranden, luzernepercelen en braakland. De soort is gebonden aan korte vegetatie en diepe, goed doorlatende grond; wordt de begroeiing te hoog en te dicht, dan verdwijnt zij. Bij hoge dichtheid trekt zij ook graanakkers en weiden in. Van vlak steppeland tot in de lage bergsteppe.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Oost-Oekraïne oostwaarts door Zuid-Rusland en Kazachstan tot Kirgizië, Noordwest-China en West-Mongolië. Het westelijke deel van het areaal omvat Oost-Oekraïne, de Russische steppe rond Don en Wolga en Noordwest-Kazachstan. Tot omstreeks 1900 kwam de soort ook in Midden- en West-Oekraïne voor; daar is zij verdwenen. Fossiele resten uit de koudste fasen van de laatste ijstijd zijn bekend uit West-Europa, onder meer uit grot- en rivierafzettingen in Groot-Brittannië, van de bodem van de Noordzee en van het Iberisch Schiereiland, uit de periode waarin de mammoetsteppe zich tot daar uitstrekte. In uitbraakjaren verspreiden de dieren zich tot honderden kilometers buiten het gewone areaal.

Levenswijze

Overwegend nachtactief, maar vooral in de zomer ook in de vroege ochtend en de late namiddag buiten het hol. Het voedsel bestaat uit groene plantendelen: grasscheuten, blad, stengels, bollen en zaden, in het cultuurland ook graan en luzerne. Er is geen winterslaap; de dieren leggen een kleine wintervoorraad aan en blijven onder de sneeuw actief. De voortplanting verloopt snel: vrouwtjes zijn met zes weken geslachtsrijp, de draagtijd duurt ongeveer twintig dagen, en er zijn tot zes worpen per jaar met vijf tot zes jongen. In een gunstig jaar, met een natte lente na een zachte winter, kan een populatie daardoor binnen één seizoen toenemen tot honderden dieren per hectare. Zulke uitbraken kwamen in de Sovjettijd om de paar jaar voor: hele graanpercelen werden kaalgevreten, en bestrijding met vergiftigd lokaas was een vast onderdeel van de landbouw. Na de piek stort de populatie in en trekken de overgebleven dieren weg over de steppe; om dat trekgedrag werd de soort vroeger bij de echte lemmingen ingedeeld, al is de verwantschap niet nauw. De dieren leven in losse kolonies waarin elk volwassen dier een eigen gangenstelsel heeft. In het wild worden ze zelden ouder dan een jaar.

Waar en wanneer kijken

De soort is te vinden in de steppe van Oost-Oekraïne, Zuid-Rusland en Noordwest-Kazachstan; mei en juni zijn de beste maanden. Zoek eerst de kolonie en niet het dier: loop beweide hellingen of oude steppedijken af en let op dichte groepjes kleine holingangen met kortgevreten paadjes ertussen. Ga daarna bij zonsopgang of in het laatste uur voor donker rustig op tien meter afstand zitten en wacht. Zoeken met een zaklamp langs een akkerrand op een warme zomeravond levert meer op dan zoeken overdag. In laag gras zijn dieren te zien die snel en laag bij de grond van de ene ingang naar de andere lopen; de rugstreep is dan het bruikbaarste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2008), met een groot areaal en plaatselijk zeer hoge aantallen. In het westen van het areaal, in Midden- en West-Oekraïne, is de soort rond 1900 verdwenen, als gevolg van het omploegen van de laatste steppe en van intensieve bestrijding in de periode dat zij als plaag gold. Het huidige areaal omvat het oostelijke deel. Daarnaast heeft het einde van de extensieve veehouderij in de voormalige Sovjet-Unie nadelige gevolgen: waar niet meer wordt begraasd, groeit de steppe dicht en verdwijnt de korte vegetatie die de soort nodig heeft. De uitbraken zijn zeldzamer geworden, wat gevolgen heeft voor predatoren die van de soort afhankelijk zijn, zoals steppekiekendief, roodpootvalk en steppebunzing.

Wetenschappelijke naam

Lagurus lagurus | (Pallas, 1773)

Pallas beschreef de soort in 1773 als Mus Lagurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lagurus is Grieks, van lagōs 'haas' en oura 'staart': de hazenstaart, naar het korte staartje. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan, Atyrau.