Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Blinde woelmuis

Blinde woelmuis | Ellobius talpinus

Northern Mole Vole | Ellobius talpinus

De blinde woelmuis is een woelmuis met een gravende, ondergrondse levenswijze. Hij graaft niet met de poten maar met de snijtanden, heeft zeer kleine ogen, geen uitwendige oren en een staart die korter is dan de achtervoet, en komt vrijwel nooit boven de grond. Zijn aanwezigheid is vooral vast te stellen aan de rijen aardhopen in de steppe. De soort is een van de weinige zoogdieren die het Y-chromosoom volledig hebben verloren: mannetjes en vrouwtjes hebben beide 54 chromosomen met twee X-chromosomen, en het mechanisme van de geslachtsbepaling is niet precies bekend.

Blinde woelmuis (Ellobius talpinus)
Foto: Alexandra Kaganova — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Omdat het dier zelf zelden te zien is, zijn de sporen bij deze soort het belangrijkste. De soort leeft in een gangenstelsel van 5 tot 6 centimeter doorsnede (gemiddeld 5,2), met voedselgangen op vijftien tot twintig centimeter diepte en nestkamers van ongeveer 11 bij 11 bij 9 centimeter, die in het zuiden op veertig tot vijfenzestig centimeter diepte liggen en in het noorden tot ongeveer vier meter diep. De ingangen worden altijd gesloten, en de daarbij naar buiten geduwde aarde vormt de hopen: ovaal van vorm, 13 tot 68 cm lang, 10 tot 38 cm breed en 2 tot 10 cm hoog. Eén familie maakt er twintig tot vijfendertig, die samen twintig tot drieëntwintig procent van de bodem kunnen bedekken. Daaraan is een kolonie op tweehonderd meter afstand te herkennen: de steppe lijkt licht omgewoeld, in slingerende rijen. Een familie verplaatst per jaar twee tot drie kubieke meter grond. Bij het graven maakt het voorste dier de grond los met de snijtanden, duwen de dieren daarachter de aarde naar buiten, en wisselen ze regelmatig van plaats; het tempo is ongeveer tien centimeter per minuut. Vraatsporen zijn in de gang te vinden en niet daarbuiten: afgebeten wortels en aangeknaagde bollen van iris en look, en aan de oppervlakte, vooral in het najaar, kleine plekken waar de vegetatie van onderaf is weggetrokken en alleen een gaatje overblijft. De keutels zijn vier tot zes millimeter, cilindrisch, en liggen in de gang. Voorraden worden niet aangelegd. De kolonies liggen twee- tot driehonderd meter uit elkaar; waar één kolonie is gevonden, zijn er meestal meer in de omgeving.

Blinde woelmuis, een kolonie in de steppe van trjochizbenka, loehansk, oekraïne: tientallen ovale, platte aardhopen van 13 tot 68 cm lang, in slingerende rijen boven de gangenloop; de twee onderzoekers geven de maat
Een kolonie in de steppe van Trjochizbenka, Loehansk, Oekraïne: tientallen ovale, platte aardhopen van 13 tot 68 cm lang, in slingerende rijen boven de gangenloop; de twee onderzoekers geven de maat · Foto: zag — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een cilindrisch dier met een grote, platte, stompe kop, een korte hals en een zware borst, aangepast aan een gravend bestaan. De kop-romplengte is 8,4 tot 11,5 cm en het gewicht 24 tot 56 gram. De staart is 0,8 tot 2,1 cm en daarmee korter dan de achtervoet. De neusspiegel is groot en kaal, de oren zijn teruggebracht tot een huidplooi en de ogen zijn zeer kleine zwarte puntjes die in de vacht nauwelijks te vinden zijn. De voorpoten zijn zwaarder dan de achterpoten, en de duim is minder gereduceerd dan bij de meeste knaagdieren. De vacht is fluweelzacht en in alle richtingen te strijken, zoals bij een mol, en de kleur varieert sterk: zandgeel, okerbruin, grijsbruin of bijna zwart, met de buik altijd lichter en de kop donkerder dan de rug, meestal met een zwart masker tussen neus en oren. Het opvallendst zijn de grote, geelwitte snijtanden, die vóór de lippen uitsteken; daardoor kan het dier met gesloten mond graven zonder aarde binnen te krijgen.

Gelijkende soorten

In Europa is verwarring uitgesloten als het dier zelf te zien is: geen ander Europees knaagdier heeft uitstekende snijtanden, geen oren en geen zichtbare ogen. De aardhopen worden wel vaak verward. De mol maakt hoge, kegelvormige hopen van kluiten, uit een verticale schacht en zonder gangopening; die van de blinde woelmuis zijn ovaal, plat en breed uitgespreid. De blindmuis (Nannospalax), die in Zuid-Oekraïne en op de Balkan in dezelfde steppe leeft, is veel groter, graaft eveneens met de snijtanden en maakt duidelijk grotere hopen, vaak in bogen; hij heeft bovendien helemaal geen zichtbare ogen, een huidplooi over de plaats van het oog en een brede kop met een stijve rand van borstels op de snuit. De woelrat maakt onregelmatige hopen met de gangopening zichtbaar aan de zijkant, en leeft bij water. In het Aziatische deel van het areaal komen andere Ellobius-soorten voor; in Europa is dit de enige. Rijen platte, ovale aardhopen in droge steppe, met families op tweehonderd tot driehonderd meter van elkaar, wijzen op deze soort.

Leefgebied

Bossteppe, steppe en halfwoestijn op zwarte aarde (tsjernozjom), klei, zand en ook op grindige of stenige grond. De soort is gevoelig voor bevriezing van de bodem en voor een dik sneeuwdek, wat de noordgrens van het areaal bepaalt; in droge zomers verplaatst zij zich naar berkenbosjes en laagten, waar de grond vochtig blijft. Verder komt zij voor op braakland, langs akkerranden en op oude, niet geploegde percelen. De soort heeft grond nodig die het hele jaar te bewerken is en een ondergronds aanbod van bollen, knollen en dikke wortelstokken.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van het zuidoosten van Europees Rusland en Oekraïne oostwaarts door Zuidwest-Siberië en Kazachstan tot Turkmenistan, Noordoost-Iran, Mongolië en Noordwest-China. In Europa gaat het om de steppen van Zuidoost-Oekraïne en Zuid-Rusland: de linkeroever van de Dnjepr, de steppe van Loehansk en Donetsk en het gebied tussen Don en Wolga. Langs de benedenloop van de Dnjepr is de soort verdwenen; in 2015 werd zij op de westoever van die rivier onverwacht teruggevonden. In Midden- en West-Europa, waaronder de Lage Landen, de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland, komt de soort niet voor en is zij ook nooit voorgekomen.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief bij dag en nacht, met pieken in de ochtend en de avond; bij droogte en in de winter neemt de activiteit af en worden de dieren traag, maar er is geen winterslaap. De soort leeft strikt ondergronds en komt zelden boven, en dan meestal 's nachts, om aarde af te voeren of om te verhuizen. Het voedsel bestaat uit ondergrondse plantendelen (bollen van iris en look, knollen en graswortels), waarvan dagelijks tientallen grammen worden gegeten. Voorraden worden niet aangelegd. De voortplanting begint in de late winter en piekt in februari en maart; de draagtijd duurt dertig dagen, lang voor een woelmuis, en een worp telt gemiddeld vier jongen, met uitersten van één tot zeven. Een vrouwtje heeft één of twee worpen per jaar en plant zich pas in het tweede levensjaar voort; de levensverwachting is ongeveer twee jaar. De ogen van de jongen gaan open na eenentwintig tot achtentwintig dagen. De soort leeft in kolonies van familiegroepen tot ongeveer tien dieren, waarvan slechts één vrouwtje jongen krijgt; deze sociale organisatie is bekend van de Afrikaanse molratten en bij Europese knaagdieren vrijwel onbekend. Jonge dieren verspreiden zich van maart tot mei en leggen daarbij tot achthonderd meter af.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar de hopen en niet naar het dier; de kans om een blinde woelmuis boven de grond te zien is zeer klein, en de meeste bestaande foto's zijn gemaakt van opgegraven of gevangen dieren. Ga in april of mei, voordat het gras hoog staat, de steppe in in de streek van Loehansk of Donetsk of langs de Don, en kijk over het vlakke terrein: een kolonie is te zien als een reeks lichte, ovale plekken in een slingerende lijn door het gras. Die lijn volgt het gangenstelsel. Verse, donkere aarde op de hopen wijst op een bewoonde kolonie; begroeide hopen wijzen op een verlaten kolonie. Ga op een halve meter van een verse hoop zitten en wacht: soms wordt van binnenuit nieuwe aarde naar buiten geduwd, wat voor de meeste veldwerkers de dichtste benadering van het dier is. Graven is niet toegestaan en niet zinvol: het gangenstelsel loopt tot meters diep en de dieren zijn beschermd.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2017). Deze beoordeling weerspiegelt vooral de situatie in Kazachstan en Siberië en niet die in Europa. Aan de westrand van het areaal neemt de soort snel af: de hele Oekraïense populatie wordt op tweeduizend tot drieduizend dieren geschat, de soort staat in het Rode Boek van Oekraïne, en langs de benedenloop van de Dnjepr is zij verdwenen. De oorzaak is het verlies van ongeploegde steppe, waarvan de soort afhankelijk is en die in Oost-Europa vrijwel verdwenen is. Het omploegen van een perceel betekent het einde van de kolonies daarop, en omdat families slechts één voortplantend vrouwtje hebben dat zich pas in het tweede jaar voortplant, herstelt de soort langzaam. De herontdekking in 2015 op de westoever van de Dnjepr, op een plek waar de soort als verdwenen gold, toont dat bij deze moeilijk waarneembare soort voorzichtigheid geboden is bij het vaststellen van verdwijning.

Wetenschappelijke naam

Ellobius talpinus | (Pallas, 1770)

Pallas beschreef de soort in 1770 als Mus talpinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Ellobius is Grieks, maar de herkomst is niet zeker: men denkt aan ellobion 'oorring', bij lobos 'oorlel', of aan ellos 'stom' en bios 'leven'. talpinus is Latijn voor 'molachtig', bij talpa 'mol', naar de gravende levenswijze en de molvormige bouw. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.