Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Craseomys rufocanus
Craseomys rufocanus | Craseomys rufocanus
Gray Red-backed Vole | Craseomys rufocanus
Craseomys rufocanus is een rosse woelmuis die tegenwoordig niet meer in Clethrionomys maar in een eigen geslacht, Craseomys, wordt geplaatst. Het is de grootste van de drie rosse woelmuizen van Europa en het algemeenste knaagdier van het Scandinavische berkenbos en de blokvelden daarboven. Woelmuizen tussen de rotsen in Noord-Noorwegen en Fins Lapland behoren meestal tot deze soort; in de piekjaren van de vierjarige cyclus is ze zeer talrijk.
Sporen
De soort leeft aan de oppervlakte, en de sporen liggen daardoor in en niet onder de zode. In berkenbos en op blokvelden zijn wissels van drie tot vier centimeter breed te vinden die onder dwergberk, blauwe bosbes en kraaiheide doorlopen en tussen de stenen verdwijnen, en ronde gaten van drie tot vier centimeter onder een steenblok, aan de voet van een berk of onder een wortelkluit. Het nest is een bol van gras, mos en berkenbast van vijftien tot twintig centimeter doorsnede, in de zomer onder een steen of in een holte en in de winter in de sneeuwlaag; na de sneeuwsmelt in juni liggen die nesten op de grond, met eromheen de resten van de wintergangen: strengen van gras over de bodem. Verder zijn er afgeknaagde bosbes- en kraaiheidestengels, geschilde twijgjes en in de winter geringde bast aan de voet van jonge berken en wilgen. In piekjaren heeft een heel berkenbos in juni bruine kronen doordat de bast onder de sneeuw is weggevreten; dat is het duidelijkste spoor van deze soort. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, donkergroen tot zwart, in kleine hoopjes langs de wissel. Onder roestplaatsen van ruigpootuil, sperweruil en laplanduil zijn in braakballen de knaagdiersoorten van het gebied te vinden.
De kop van dichtbij

Herkenning
Een grote, grijze woelmuis met een smalle rode rugmantel die scherp afsteekt tegen de grijze flanken; dit contrast, en niet de kleur zelf, is het kenmerk. De kop-romplengte is 10 tot 14,2 cm en het gewicht 27 tot 52 gram, beduidend groter dan de rosse woelmuis en de kleine rosse woelmuis. De staart is 2,7 tot 6,3 cm, ongeveer veertig procent van de kop-romplengte, en behaard. De oren zijn groot en steken duidelijk uit de vacht en de ogen zijn groot; de soort leeft grotendeels bovengronds. De vacht is lang en tamelijk grof, en de kleur varieert sterk met seizoen en streek: in de winter grijzer, in de zomer meer roodbruin op de rug, en in het noordelijkste deel van het areaal opvallend donker. Buik en onderzijde zijn grijswit.
Gelijkende soorten
In Fennoscandinavië komen drie rosse woelmuizen naast elkaar voor; met ervaring zijn ze te onderscheiden. De rosse woelmuis (Clethrionomys glareolus) is kleiner, kastanjebruin over rug en flanken zonder scherpe grens, met kleinere oren en een langere staart (ongeveer de helft van de kop-romplengte). De kleine rosse woelmuis (C. rutilus) is duidelijk kleiner, met een fel roestrode, brede rugmantel en een kortere staart van ongeveer een derde van de kop-romplengte. Deze soort is van beide te onderscheiden door de combinatie van formaat, grote uitstekende oren, grijze flanken en een smalle rode rug; in het veld is de indruk overwegend grijs, bij de andere twee soorten overwegend rood. In het noorden komt ook de boslemming (Myopus schisticolor) voor, leigrijs met een roestrode zadelvlek en een zeer korte staart, die op afstand op deze soort kan lijken; de boslemming is kleiner, heeft een kortere staart en kleinere oren. De berglemming is geel-zwart gevlekt en niet te verwarren. Deze soort wordt in veel databestanden nog vermeld als Myodes rufocanus of Clethrionomys rufocanus; het gaat om dezelfde soort.
Leefgebied
Naald- en berkenbos van de noordelijke taiga, vooral de steen- en blokrijke plekken daarin: puinhellingen, rotsribben, oude muurtjes en stenige beekdalen. De soort is echter een generalist en komt ook voor in weiden, struweel, bosaanplant, gemengd bos en tot in de alpiene toendra; in Azië tot ongeveer 3000 meter. In Scandinavië is het de kenmerkende woelmuis van de berkengordel boven de naaldbosgrens en van de wilgenstruwelen langs beken. Belangrijk is dekking op de bodem, zoals stenen, dood hout of een dichte dwergstruiklaag, meer dan een bepaald bostype.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Fennoscandinavië oostwaarts door heel Siberië tot de Grote Oceaan, Kamtsjatka, Sachalin en Hokkaido, zuidwaarts tot de zuidelijke Oeral, Mongolië, Noord-China en Korea; in totaal ongeveer dertien miljoen vierkante kilometer. In Europa omvat het areaal het Scandinavische hoogland van Zuid-Noorwegen tot Finnmark, Noord-Zweden, Fins Lapland en het schiereiland Kola; van de drie rosse woelmuizen dringt deze soort het verst door in het Noorse berggebied. In Midden- en West-Europa, inclusief de Lage Landen, de Britse Eilanden en het Iberisch Schiereiland, komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Polyfasisch en overwegend nachtactief, maar in de zomer, wanneer het in Lapland niet volledig donker wordt, vooral in de schemering. De soort is grotendeels planteneter: groene plantendelen vormen meestal meer dan de helft van het voedsel, in de zomer kruiden en grassen, in de winter bladeren van wintergroene dwergstruiken en korstmossen, aangevuld met bessen, zaden en paddenstoelen. De paring is promiscue: één worp kan door meer dan één mannetje verwekt zijn. Het voortplantingsseizoen duurt vijfeneenhalve maand, van maart of april tot oktober of november, met twee tot vier worpen per seizoen; de draagtijd is achttien tot twintig dagen en een worp telt één tot dertien jongen. Woongebieden meten vierhonderd tot dertienhonderd vierkante meter bij mannetjes en tweehonderd tot zeshonderd bij vrouwtjes; vrouwtjes blijven op hun geboorteplek en verspreiding gebeurt door mannetjes. Er is geen winterrust; de soort brengt de winter onder de sneeuw door. In toendra en berkenbos schommelen de aantallen in een cyclus van drie tot vijf jaar, met uitbraken waarin het bos kaalgevreten kan worden.
Waar en wanneer kijken
De beste plek is de berkengordel net boven de naaldbosgrens in Noord-Zweden, Fins Lapland of Noorwegen, en daarbinnen een helling met blokken en dwergberk. Ga in de vroege ochtend of in de lichte nacht van juni bij een steenveld zitten en wacht: dit is een van de weinige noordelijke woelmuizen die regelmatig boven de grond te zien zijn, en de grote oren en de grijze vacht met rode rugstreep zijn met een verrekijker goed te zien. Ga bij voorkeur in een piekjaar; ter plaatse is meestal bekend wanneer dat is. In zulke jaren zijn de dieren talrijk en zijn ook sperweruilen, ruigpootuilen en hermelijnen aanwezig. Geringde bast op sneeuwhoogte aan jonge berken in juni wijst op vraat in de voorgaande winter.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), met een areaal van dertien miljoen vierkante kilometer en in vrijwel het hele areaal algemeen. In Fennoscandinavië is wel een verandering vastgesteld: de drie- tot vierjarige cyclus van de noordelijke knaagdieren is sinds de jaren tachtig op veel plaatsen afgevlakt, en uitbraken waarbij het berkenbos werd kaalgevreten zijn zeldzamer geworden. De vermoedelijke oorzaak zijn zachtere, wisselvalliger winters: waar de sneeuw dun blijft of tussentijds dooit en weer bevriest, verdwijnt de ruimte tussen sneeuw en bodem waarin deze dieren overwinteren. Ook sneeuwuil, sperweruil, hermelijn en poolvos zijn van deze cyclus afhankelijk; waar de pieken uitblijven, nemen ook zij af.
Wetenschappelijke naam
Craseomys rufocanus | (Sundevall, 1847) (GBIF: Myodes rufocanus)
Sundevall beschreef de soort in 1847 als Hypudaeus rufocanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Craseomys is Grieks: het tweede deel is mys 'muis', het eerste wordt gelezen als krasis, genitief kraseōs, 'menging'; Miller licht de naam niet toe. rufocanus is Latijn voor 'roodgrijs', van rufus 'roodbruin' en canus 'grijs', naar de roodbruine rug tegen de grijze flanken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Lapland.






