Alle soorten › Buideldieren met twee snijtanden › Kangoeroes en wallaby's › Bennettwallaby
Bennettwallaby | Notamacropus rufogriseus
Red-necked Wallaby | Ualabí de cuello rojo
De Bennettwallaby is een buideldier uit Tasmanië en Zuidoost-Australië en het enige buideldier dat in Europa vrij leeft. De Europese populaties stammen af van dieren die uit dierentuinen, wildparken en privécollecties zijn ontsnapt. De grootste vrij levende populatie in Europa leeft op het eiland Man, in een laagveenmoeras.
Sporen
De sporen zijn in Europa met die van geen andere soort te verwarren. De prent van de achtervoet is lang en smal, tien tot vijftien centimeter, met een grote, krachtige vierde teen die het grootste deel van de afdruk vormt en een kleinere vijfde teen ernaast; de twee kleine middelste tenen zijn vergroeid en drukken zelden af. De voorvoeten drukken alleen af bij langzaam grazen, wanneer het dier zich op vier poten en de staart voortbeweegt; dan is naast de voorvoetprenten een sleepspoor van de staart tussen de prenten te zien. Dit sleepspoor is het meest kenmerkende teken. Bij het springen komen alleen de twee achtervoeten naast elkaar neer, met tussenafstanden van ongeveer een meter bij een rustig dier en enkele meters bij een vluchtend dier. De keutels zijn afgeplatte, min of meer ronde tot licht hoekige propjes van ongeveer anderhalf tot twee centimeter, grofvezelig en grasrijk, en liggen in kleine groepjes op de graasplekken; ze lijken op reeënkeutels, maar zijn onregelmatiger en breder. Verder zijn er de graasplekken: kort afgegraasde plekken in het ruige gras van het moeras, verbonden door duidelijke, laag uitgesleten wissels door wilgenstruweel en riet, smaller en lager dan een reeënwissel, en langs de randen vaak met afgeknaagde wilgentakken.
In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Een middelgrote kangoeroe: kop-romp 93 tot 105 cm, staart 70 tot 75 cm, veertien tot negentien kilo, met mannetjes duidelijk zwaarder dan vrouwtjes. In rust zit hij rechtop op de achterpoten met de dikke staart als derde steunpunt en de korte voorpoten voor de borst; hij verplaatst zich springend, met de staart horizontaal naar achteren. De vacht is grijsbruin met een roodbruine tot roestkleurige nek en schouder, waaraan de Engelse naam is ontleend, met een witte streep op de bovenlip, een lichte buik en een zwarte neuspunt, zwarte oorranden en zwarte handen en voeten, kenmerken van de Tasmaanse vorm die in Europa voorkomt. De oren zijn lang en beweeglijk, de ogen groot en donker. Een vrouwtje met een groot jong heeft een zichtbaar uitgezakte buidel. Het silhouet is in Europa met geen andere soort te verwarren: geen ander Europees zoogdier zit rechtop met de staart als steun.
Gelijkende soorten
In Europa lijkt geen enkele soort op de Bennettwallaby. Op afstand en bij slecht licht wordt hij wel aangezien voor een ree (hoger op de poten, en een ree springt niet vanuit zithouding weg), een haas (veel kleiner, met een horizontale rug), een grote vos of een hond. Waarnemingen van onbekende dieren op heide zijn vaak op deze soort terug te voeren. De lichaamshouding is beslissend: een dier dat rechtop zit met een zware staart op de grond en zich met een reeks lange sprongen op twee poten verwijdert, is in Europa altijd een wallaby. Andere uitgezette buideldieren komen in Europa niet voor.
Leefgebied
In Europa vooral laagveenmoeras: op het eiland Man leeft de populatie in de Ballaugh Curragh, een moeras met wilgenstruweel, berkenbroek, zegge- en rietvegetatie en ruig grasland, omgeven door weiland, akkers en naaldbosaanplant waarin de dieren zich 's nachts verspreiden. Elders in Europa leeft de soort op heide en in oud bos, zoals de heide van het Peak District en de gemengde bossen van Rambouillet. De soort heeft dekking nodig om de dag door te brengen en kort gras in de buurt om 's nachts te grazen, en winters zonder langdurige sneeuwbedekking; in strenge, sneeuwrijke winters nemen de aantallen sterk af.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van nature Tasmanië en de kuststreken van Oost- en Zuidoost-Australië. De Europese dieren stammen af van ontsnapte dierentuindieren, vrijwel alle van de Tasmaanse vorm. De grootste populatie leeft op het eiland Man: dieren die in de jaren zestig uit het Curraghs Wildlife Park ontsnapten, hebben de Ballaugh Curragh bezet, en een telling met een warmtebeeldcamera vanaf een drone kwam in 2023 uit op ongeveer 568 dieren op vierhonderd hectare, een dichtheid van ongeveer 140 per vierkante kilometer. Verder komt de soort voor in Engeland in het Peak District, waar sinds 1940 een kolonie leefde bij de Roaches en Lud's Church in Staffordshire, en op de heide van Ashdown Forest in Sussex; in Schotland op het eiland Inchconnachan in Loch Lomond, sinds ongeveer 1975; in Ierland op Lambay Island voor de kust bij Dublin, waar dertig tot vijftig dieren leven die afkomstig zijn uit de Dublin Zoo; in Frankrijk in het bos van Rambouillet ten zuidwesten van Parijs, waar sinds de jaren zeventig honderd tot honderdvijftig dieren leven na een ontsnapping uit een dierenpark bij Émancé; en in Duitsland een kleine populatie bij Burg Stargard in Mecklenburg. In de Lage Landen en in Spanje is de soort niet gevestigd; waarnemingen in de Lage Landen betreffen losse ontsnapte dieren.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Schemer- en nachtactief: overdag ligt het dier in dekking, in wilgenstruweel of aan de bosrand, en in de laatste uren voor het donker komt het naar buiten om te grazen; op rustige plekken en bij koud weer ook overdag. Het voedsel bestaat uit gras en kruiden, in de winter ook uit bast, twijgen en wilgenscheuten. De soort is grotendeels solitair, maar op goede graasplekken vormen zich losse groepjes zonder vaste band. De voortplanting verloopt zoals bij andere kangoeroes en draagt bij aan het succes van de soort: na een draagtijd van ongeveer dertig dagen wordt één jong geboren, ongeveer zo groot als een boon, blind, kaal en met alleen de voorpoten ontwikkeld; het kruipt zelfstandig naar de buidel en blijft daar ongeveer negen maanden. Daarna verlaat het de buidel, maar het zoogt door tot een leeftijd van twaalf tot zeventien maanden. Op het Australische vasteland is er het hele jaar voortplanting; in Tasmanië, en daarmee ook bij de Europese dieren, vallen de geboorten vooral in februari tot april. Er is geen winterrust en de soort is ook in sneeuw actief; in het wild wordt een dier ongeveer negen jaar oud.
Waar en wanneer kijken
De beste tijd is het laatste uur daglicht, aan de rand van het moeras. Op het eiland Man is de Ballaugh Curragh de beste plek: parkeer bij het Curraghs Wildlife Park of bij het natuurreservaat Close Sartfield en loop de paden af tegen zonsondergang, wanneer de dieren uit het wilgenstruweel naar het open grasland komen; in de schemering is het rechtop zittende silhouet goed herkenbaar. In Frankrijk werkt dezelfde methode langs open plekken en brandgangen in het bos van Rambouillet. Zoek overdag naar wissels en graasplekken, en vooral naar het staartsleepspoor in modder of zand, dat verder bij geen enkele Europese soort voorkomt. De dieren zijn schuw en vluchten vroeg; met een verrekijker op afstand zijn ze beter te bekijken dan door te naderen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Deze beoordeling betreft Australië, waar de soort algemeen is en plaatselijk wordt bejaagd. In Europa is zij een uitheemse soort, en daar gaat de discussie over de vraag of de populaties mogen blijven. Op het eiland Man is de populatie zo gegroeid dat schade aan gewassen, aan het moerasreservaat en aan de vegetatie van het Ramsargebied wordt besproken; ook afschot wordt overwogen, hoewel de soort er populair is. Op Inchconnachan in Loch Lomond is afschot voorgesteld om bodembroedende vogels en het bos te ontlasten. In Engeland is de kolonie in het Peak District, ooit enkele tientallen dieren, na een reeks strenge winters vanaf de jaren negentig vrijwel of geheel verdwenen; recente meldingen betreffen waarschijnlijk losse ontsnapte dieren. De Europese populaties blijven bestaan zolang de winters mild zijn en de leefgebieden onverstoord blijven; na strenge winters nemen ze sterk af.
Wetenschappelijke naam
Notamacropus rufogriseus | (A. G. Desmarest, 1817)
A. G. Desmarest beschreef de soort in 1817 als Kangurus rufogriseus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Notamacropus verbindt het Latijnse nota 'streep, merkteken' met Macropus, naar de lichte wangstreep van deze wallabies. rufogriseus betekent 'roodgrijs', van het Latijnse rufus 'roodbruin' en het middeleeuws-Latijnse griseus 'grijs', naar de rode nek en schouders in de grijze vacht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Australië, Tasmanië.






