Alle soorten › Knaagdieren › Stekelratten en beverratten › Beverrat

Beverrat | Myocastor coypus

Coypu | Myocastor coypus

De beverrat is een Zuid-Amerikaans knaagdier dat via de bontfokkerij in Europa terechtkwam en na het instorten van de bontmarkt in het wild bleef. Hij is ongeveer zo groot als een kleine hond en is waar hij niet wordt bejaagd ook overdag zichtbaar, bijvoorbeeld langs stadsgrachten. Van de Europese knaagdieren richt hij de meeste schade aan oevers en dijken aan. Het beste veldkenmerk zijn de witte snorharen.

Beverrat (Myocastor coypus)
Foto: Basile Morin — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het duidelijkste teken is het hol in de oever en de gevolgen daarvan. De beverrat graaft gangen van 20 tot 25 cm doorsnede die net boven of onder de waterlijn beginnen en meters ver het talud in lopen, vaak met meerdere ingangen en zijgangen. Boven zo'n gangenstelsel zakt de zode in, kalft het talud af en ontstaat een overhangende rand die uiteindelijk in het water schuift. Aan kaden, sloten en dijktaluds is dat de schade waarop waterbeheerders letten. Verder zijn er vraatplekken: kaalgevreten riet- en lisdoddevegetaties waarvan alleen afgeknaagde stoppels overblijven, en in de winter afgeschilde wortelstokken op de oever; in aangrenzende akkers eet hij suikerbiet, maïs en graan. Hij maakt uitgesleten paadjes en glijbanen van het water de oever op, breder en modderiger dan die van een muskusrat, en gebruikt vaste, half beschutte eetplaatsen met afgebeten stengels, schillen en keutels. De keutel is een goed kenmerk: een donkere, bijna zwarte cilinder van vier tot zeven centimeter lang en ongeveer een centimeter dik, met stompe uiteinden en van dichtbij fijne groeven in de lengterichting, die bij geen ander Europees zoogdier voorkomen; keutels liggen in groepjes op de oever of drijven in het water. De prent is groot: de achtervoet is 12 tot 15 cm lang, met vijf lange tenen waarvan er vier door zwemvlies verbonden zijn, zodat het vlies in nat slik een vlakke afdruk tussen de tenen geeft; de voorvoet is veel kleiner en handvormig, met vijf vrije tenen. Vaak loopt er een sleepspoor van de staart doorheen.

Beverrat, het schadebeeld waaraan waterbeheerders hem herkennen: een uitgegraven oever waarvan de zode boven de gang is ingezakt, zodat een overhangende rand met blootliggende wortels boven het water blijft staan
Het schadebeeld waaraan waterbeheerders hem herkennen: een uitgegraven oever waarvan de zode boven de gang is ingezakt, zodat een overhangende rand met blootliggende wortels boven het water blijft staan · Foto: Born1945 — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons
Beverrat, prent in de modder aan de tarn, frankrijk, met een boekje als maat: de lange, ver uiteenstaande tenen met zware nagelpunten geven de grootte weer die geen ander knaagdier van de oever haalt
Prent in de modder aan de Tarn, Frankrijk, met een boekje als maat: de lange, ver uiteenstaande tenen met zware nagelpunten geven de grootte weer die geen ander knaagdier van de oever haalt · Foto: Burzawa clément PIM'S — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Beverrat, in de rietkraag van een ondiepe plas in de camargue: dichte oevervegetatie om van te eten en in weg te kruipen is zijn optimum in europa
In de rietkraag van een ondiepe plas in de Camargue: dichte oevervegetatie om van te eten en in weg te kruipen is zijn optimum in Europa · Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Beverrat, jong dier dat het water uit komt, nederrijn, duitsland: de jongen worden behaard en met open ogen geboren en zwemmen binnen een dag; de witte snorharen zijn er al
Jong dier dat het water uit komt, Nederrijn, Duitsland: de jongen worden behaard en met open ogen geboren en zwemmen binnen een dag; de witte snorharen zijn er al · Foto: Ralf Hüsges — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een zwaar gebouwde waterbewoner met een gebogen rug, 47 tot 58 cm kop-romp en vijf tot tien kilo, twee keer zo lang als een muskusrat en half zo lang als een bever. De vacht is ruig en geelbruin tot donkerbruin, met een dichte grijze ondervacht; droog lijken kop en rug vaak grijzig door de lange, grove dekharen. Het gezicht is beslissend: een grote, stompe, bijna driehoekige kop met een witte vlek rond neus en bovenlip en lange, witte snorharen, kleine ronde oren en kleine, hoog geplaatste ogen. De snijtanden zijn fel oranje tot roodoranje en bij een etend dier op afstand te zien. De staart is 34 tot 40 cm lang, rond in doorsnede, dun behaard en geschubd; deze ronde staart is het snelste onderscheid met bever en muskusrat. De achtervoeten zijn groot en hebben zwemvliezen tussen vier van de vijf tenen; de buitenste teen is vrij. De tepels van het vrouwtje zitten hoog op de flank, zodat de jongen kunnen drinken terwijl zij zwemt.

Gelijkende soorten

De bever is bijna twee keer zo lang en veel zwaarder, en heeft een brede, horizontaal afgeplatte, kale staart die geen ander Europees zoogdier heeft; hij velt bomen, de beverrat niet. De muskusrat is minder dan half zo lang, donkerder, zonder witte snuit, en heeft een zijdelings afgeplatte staart. Als het dier wegzwemt en alleen de kop zichtbaar is, zijn de grootte van de kop en, als de staart boven water komt, de vorm daarvan bepalend: rond is beverrat, zijdelings plat is muskusrat, breed en plat is bever. Op het land is determinatie eenvoudig: de beverrat loopt met een sterk gebogen rug en lage kop, en zit vaak lang etend op de oever, wat de bever zelden doet. Verwarring met de otter ontstaat alleen op afstand; die is slank, duikt met een rollende beweging en zit niet in het gras.

Leefgebied

Rustige zoete en licht brakke wateren met een begroeide, zachte oever waarin gegraven kan worden: rivieren en oude rivierarmen, kanalen, sloten, vijvers, stadsgrachten, viskweekvijvers, rietmoerassen, moerassige uiterwaarden en natte graslanden. De soort heeft een voorkeur voor dichte oevervegetatie van riet, lisdodde en biezen en voor oevers met voldoende hoogteverschil voor een hol. Aangrenzend akkerland dient als voedselbron. De grens van het Europese areaal wordt niet door voedsel bepaald maar door de winter: bij langdurige vorst bevriezen staart en poten en sterven hele populaties, zodat een reeks zachte winters tot uitbreiding naar het noorden en oosten leidt en een strenge winter tot terugval.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Oorspronkelijk het zuiden van Zuid-Amerika: Chili, Argentinië, Uruguay, Paraguay, Bolivia en Zuid-Brazilië. In Europa is de soort afkomstig uit de bontfokkerij, die vanaf de jaren twintig en dertig in vrijwel elk Europees land fokbedrijven had; toen de bontmarkt instortte, werden dieren losgelaten of ontsnapten ze, en waar de winters het toelieten, bleven ze. Het zwaartepunt ligt in Frankrijk en Italië, waar tienduizenden dieren leven in de Povlakte, de Camargue en de westelijke rivierdalen, met daaromheen Duitsland, Nederland, België, Tsjechië, Zwitserland, Oostenrijk en de Balkan. In de Lage Landen komt de soort vooral binnen vanuit Duitsland en Wallonië en wordt zij door waterschappen weggevangen. In Spanje vestigde de soort zich vanuit Frankrijk, met kernen in Navarra, Gipuzkoa, Aragón en de Ebrovallei en verspreide waarnemingen in Catalonië en langs de Cantabrische kust; zij staat op de Spaanse lijst van invasieve uitheemse soorten en wordt bestreden. In Groot-Brittannië komt de soort niet meer voor: de populatie in East Anglia, ontstaan uit ontsnapte dieren van fokbedrijven in de jaren twintig, werd tussen 1981 en 1989 uitgeroeid; dit geldt als standaardvoorbeeld van een geslaagde uitroeiing van een gevestigd zoogdier.

  • Ingeburgerd
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vooral nacht- en schemeractief, maar waar de soort niet wordt bejaagd, zoals in stadsparken, langs grachten en in drukbezochte natuurgebieden, ook overdag zichtbaar. Het voedsel is vrijwel geheel plantaardig: wortelstokken, stengels en bladeren van riet, lisdodde, biezen en waterplanten, aangevuld met gras, landbouwgewassen en soms zoetwatermossels. De soort leeft in familiegroepen van zes tot twaalf dieren die een gangenstelsel delen, en zwemt met de rug half boven water. De voortplanting is niet aan een seizoen gebonden: het hele jaar door worden na een draagtijd van ruim vier maanden, lang voor een knaagdier, vier tot zes volledig behaarde jongen met open ogen geboren, die binnen een dag zwemmen en direct met de moeder het water in gaan. Vrouwtjes zijn na zes maanden volwassen en hebben twee tot drie worpen per jaar. In het wild wordt een dier zelden ouder dan drie jaar; de winter is de belangrijkste doodsoorzaak.

Waar en wanneer kijken

De beverrat is in grote delen van Europa gemakkelijk te zien: langs een stadsgracht, parkvijver of rivierarm in Frankrijk, Noord-Italië of Duitsland is de soort meestal snel te vinden. In de Lage Landen is zij schaarser, omdat de aanwezigheid daar het gevolg is van instroom en de dieren worden weggevangen; grensrivieren en uiterwaarden bieden daar de beste kans. In Spanje zijn de oeverbossen langs de Ebro en de rivieren van Navarra en Gipuzkoa in de schemering de beste plekken. Let bij elk waterknaagdier eerst op de snorharen: witte snorharen wijzen op een beverrat. Meld een waarneming in Nederland of Vlaanderen bij het waterschap of via de nationale waarnemingsdatabank, en in Spanje bij de overheid; elke waarneming is van belang voor de bestrijding en monitoring.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). Deze beoordeling betreft Zuid-Amerika, waar de soort door jacht en drooglegging van moerassen plaatselijk is afgenomen, en zegt niets over Europa. In Europa staat de beverrat sinds 3 augustus 2016 op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten die zorgwekkend zijn voor de Unie (Verordening 1143/2014): houden, kweken, vervoeren, verhandelen en loslaten zijn verboden, en lidstaten moeten nieuwe vestigingen uitroeien en gevestigde populaties beheersen; in Spanje staat de soort daarnaast op de nationale lijst van invasieve uitheemse soorten. De schade is drieledig. Ten eerste oevers en waterkeringen: de gangenstelsels ondermijnen dijken, kaden, sluizen en spoortaluds; in Italië, Frankrijk en de Lage Landen is dat de belangrijkste kostenpost en de voornaamste reden voor bestrijding. Ten tweede moerasvegetatie: bij hoge dichtheden verdwijnen riet- en lisdoddevegetaties, en daarmee het broedgebied van moerasvogels als roerdomp, woudaap en grote karekiet; ook zoetwatermossels gaan achteruit. Ten derde landbouw, vooral suikerbiet en maïs. Daarnaast speelt volksgezondheid een rol: de soort is een geschikte gastheer voor Leptospira, de verwekker van de ziekte van Weil, en voor de grote leverbot. In Italië en Frankrijk begon in de jaren negentig grootschalige vangst zonder dat de aantallen sterk afnamen; in Nederland is het doel, terugdringen tot de landsgrens, voor de beverrat bereikt, en richt de aandacht zich nu op de aanhoudende instroom uit Duitsland. Een belangrijke factor bij het beheer is het draagvlak: een dier dat in een stadspark uit de hand eet, wordt door het publiek moeilijk als probleemsoort gezien.

Wetenschappelijke naam

Myocastor coypus | (G. I. Molina, 1782)

G. I. Molina beschreef de soort in 1782 als Mus Coypus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myocastor is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en kastōr 'bever': de muizenbever. coypus is de Chileense naam van het dier, het Mapudungun coypu, die Molina onverbogen als soortnaam overnam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Chili, Santiago.