Alle soorten › Knaagdieren › Cavia's en mara's › Mara
Mara | Dolichotis patagonum
Patagonian mara | Mara O Liebre Patagónica
De mara (Dolichotis patagonum) is een knaagdier van zeven tot negen kilo met lange poten en lange oren, inheems op de Argentijnse steppe. In Europa komt de soort alleen voor als losse dieren die uit dierentuinen, hertenkampen of particuliere collecties zijn ontsnapt en in het buitengebied worden waargenomen. Een gevestigde populatie bestaat in Europa niet.
Sporen
Over sporen van vrij rondlopende mara's in Europa is vrijwel niets gepubliceerd. In het oorspronkelijke areaal zijn de gemeenschappelijke holen het bekendste spoor: één brede ingang in zachte, open grond, met een zandwaaier ervoor en een platgelopen plek eromheen, gegraven door de vrouwtjes en soms door tientallen paren gebruikt om er hun jongen onder te brengen. Rond zo'n hol liggen de keutels in grote hopen: donkere, langwerpige, vezelige keutels die op die van een haas lijken maar groter zijn. De prent van de achtervoet toont drie brede, stompe, hoefachtige tenen en lijkt meer op die van een klein hoefdier dan op die van een knaagdier; de voorvoet laat vier smallere tenen met scherpe klauwen zien. Verder zijn er begraasde graspollen en, waar dieren langer verblijven, uitgesleten wissels. In Europa zijn de vaakst gemelde aanwijzingen verkeersslachtoffers en dieren die wekenlang op dezelfde plek worden gezien.
In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Een groot, hoogpotig knaagdier met een kop-romplengte van zestig tot tachtig centimeter en een gewicht van zeven tot negen kilo, met lange, rechtopstaande oren van bijna tien centimeter, grote donkere ogen en lange, dunne poten. De rug is grijs gespikkeld (agouti); flanken, wangen, kin en borst zijn oranjebruin, de buik is wit. Op het achterwerk staat een scherp begrensde witte vlek met daarboven een donkere band; daaraan is het dier van achteren en op afstand te herkennen. De staart is een kaal, afgeplat stompje van hooguit vier centimeter en is in het veld niet te zien. De achtervoeten hebben drie tenen met hoefachtige, samengedrukte nagels, de voorvoeten vier tenen met scherpe klauwen. Het dier zit vaak op de hielen met gestrekte voorpoten, en beweegt zich voort in stap, draf, galop en in sprongen waarbij alle vier de poten tegelijk van de grond komen.
Gelijkende soorten
In Europa lijkt geen inheemse soort op de mara, maar de meeste meldingen komen van waarnemers die een grijs, hazenachtig dier door een weiland zien lopen en aan een haas denken. De haas is iets korter (kop-romp 55 tot 75 cm), weegt drie tot vijf kilo, heeft een korte zwart-witte staart die bij het vluchten wordt opgeheven en veel kortere poten. Ontsnapte wallaby's, die in Engeland en soms op het vasteland vrij rondlopen, hebben een zware, lange staart en springen alleen op de achterpoten. Van een reekalf verschilt de mara door de oren, de witte stuitvlek en het ontbreken van hoeven. De kleinere Chaco-mara (Dolichotis salinicola) wordt in Europa vrijwel niet gehouden. Een dier ter grootte van een reekalf zonder zichtbare staart is een mara.
Leefgebied
In Argentinië open, droog land: struiksteppe van de Monte, grasvlakten, zandige en stenige vlakten met verspreide struiken en overgangen naar open bos. De soort heeft vrij zicht nodig, omdat ze bij gevaar vlucht in plaats van dekking te zoeken, en voor de voortplanting open, zandige grond waarin de holen stabiel blijven; waar vee de vegetatie kort houdt, neemt het voortplantingssucces af. Ontsnapte dieren in Europa houden zich op in weilanden, akkerranden, dijken, parkgazons en op erven, meestal dicht bij de plek van ontsnapping. Ze kunnen daar enige tijd overleven, maar natte winters, honden en verkeer beperken de overleving.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Alleen Argentinië, van ongeveer 28° tot 50° zuiderbreedte, met een noordwestelijke ondersoort in Catamarca, La Rioja, Santiago del Estero en Córdoba en de nominaatvorm van Buenos Aires tot Santa Cruz; mogelijk komt de soort net in Chili voor. In Europa is ze nergens gevestigd. GBIF bevat ruim honderd Europese waarnemingen; op twee Duitse na komen ze alle uit België, uit de bestanden waarin Vlaanderen en Wallonië uitheemse soorten registreren. Ze zijn wijd verspreid en betreffen vrijwel steeds één dier, hooguit twee of drie; op enkele plaatsen, bij Antwerpen en rond Veurne en Aalter, zijn meerdere jaren achtereen waarnemingen gedaan, wat op een klein groepje wijst dat enige tijd aanwezig bleef. Aanwijzingen voor voortplanting in het wild ontbreken. Enkele meldingen betreffen verkeersslachtoffers of dood gevonden dieren.
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief, met pieken in de vroege ochtend en de late namiddag; geen winterrust. Planteneter met een voorkeur voor grassen, ook waar andere planten talrijker zijn, aangevuld met kruiden en struikblad. De soort is monogaam: een paar blijft levenslang bijeen en wisselt alleen van partner na de dood van een van beide. Het mannetje volgt het vrouwtje voortdurend en verdedigt het vrouwtje in plaats van een plaats, zodat het territorium met het paar meebeweegt. Het leefgebied is gemiddeld ongeveer honderd hectare, met waarden van dertig tot tweehonderd. Voor de jongen komt een paar met andere paren samen bij een gemeenschappelijk hol; in Argentinië brengen tot negenentwintig paren hun jongen in hetzelfde hol onder. Elke moeder zoogt alleen haar eigen jongen en roept ze daarvoor naar buiten. Na een draagtijd van ongeveer honderd dagen worden meestal twee jongen geboren, behaard, met open ogen en binnen een dag lopend. Vrouwtjes zijn na ongeveer acht maanden volwassen.
Waar en wanneer kijken
In Europa gaat het bij een mara om het nagaan van een melding. De Vlaamse en Waalse waarnemingsbestanden tonen waar recent een dier is gezien; een ontsnapte mara blijft vaak wekenlang binnen enkele honderden meters, graast overdag in open terrein en is op afstand goed te zien. De vroege ochtend en het laatste licht zijn de beste momenten. Leg de waarneming vast met een foto en geef haar door; omdat er geen populatie is, wordt elk dier afzonderlijk gevolgd om na te gaan of het bij losse dieren blijft. In het oorspronkelijke areaal is de soort te zien op het schiereiland Valdés en in de reservaten van Río Negro en Chubut, waar de dieren overdag in open terrein vanaf de weg zichtbaar zijn.
Staat van instandhouding
Wereldwijd gevoelig (NT, 2016), met een geschatte afname van ongeveer dertig procent in tien jaar. De oorzaken liggen in Argentinië: omzetting van struiksteppe in veeweide, waardoor de open, zandige grond voor de gemeenschappelijke holen verdwijnt, versnippering van het leefgebied en jacht. In Europa is de mara een exoot zonder gevestigde populatie: de soort staat niet op de Unielijst van Verordening 1143/2014, er is geen beheer op gericht en er zijn geen aanwijzingen voor voortplanting. Alle Europese dieren zijn afkomstig uit dierentuinen, hertenkampen of particuliere collecties.
Wetenschappelijke naam
Dolichotis patagonum | (E. A. W. von Zimmermann, 1780)
E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 als Cavia patagonum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dolichotis is Grieks, van dolichos 'lang' en ous, genitief ōtos, 'oor': de langoor. patagonum is de genitief meervoud van Patagones en betekent 'van de Patagoniërs', naar Patagonië in het zuiden van Argentinië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Argentinië, Patagonië.





