Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Bosslaapmuis
Bosslaapmuis | Dryomys nitedula
Forest Dormouse | Muscardino Balcánico
De bosslaapmuis is een slaapmuis van Midden- en Oost-Europa en Zuidwest- en Centraal-Azië. Hij is kleiner dan de relmuis en de eikelmuis, heeft een zwart masker door het oog en een grijze, gelijkmatig behaarde staart. Hij houdt van oktober tot april een winterslaap en wordt zelden gezien. Op foto's wordt hij vaak verward met de eikelmuis en de hazelmuis.
Sporen
Sporen zijn schaars en komen overeen met die van andere slaapmuizen. Het bekendste spoor is de aangevreten hazelnoot: een rond gat met een gladde binnenrand zonder dwarse tandgroeven, met op de schaal eromheen een krans van fijne schuin op het gat staande tandkrasjes; deze ontstaan doordat het gat met de ondersnijtanden rond wordt geslepen in plaats van van buitenaf doorgebeten. De bosslaapmuis maakt een kleiner gat dan de relmuis, omdat zijn snijtanden smaller zijn. Zo zijn bosmuis (evenwijdige groeven op de binnenrand plus ruwe krassen op het oppervlak), rosse woelmuis (regelmatige groeven op de binnenrand, geen krassen daarbuiten) en eekhoorn (noot in tweeën gespleten) te onderscheiden; de drie slaapmuissoorten zijn aan de noot niet van elkaar te onderscheiden. Verder bouwt de soort een zomernest: een bal van bladeren, gras en bast van ongeveer tien tot vijftien centimeter, in dicht struikgewas, in een boomholte, in een oud vogelnest of in een nestkast, van binnen bekleed met fijn geplozen materiaal. Keutels van 3 tot 5 mm, cilindrisch en donker, liggen in nestkasten en op nestplaatsen. Prenten worden vrijwel nooit gevonden, omdat de soort zelden op de grond komt.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een kleine, gedrongen slaapmuis met grote zwarte ogen en grote, ronde, dunne oren. De rug is okerbruin tot geelbruin, soms grijzig, de onderzijde roomwit tot bleekgeel, met een tamelijk scherpe scheiding langs de flank. Het belangrijkste kenmerk zit op de kop: een zwarte streep die bij de neus begint, door het oog loopt en bij de oorbasis ophoudt, met wit erboven en eronder; het masker is smal en kort, geen doorlopende band. De staart is grijs, dicht en over de hele lengte gelijkmatig behaard, van boven en van onder ongeveer even donker, zonder witte punt of platte kwast. De poten zijn kort, de tenen roze. Hij klimt goed en kan met de kop omlaag langs een stam afdalen.
Gelijkende soorten
In de bossen van Zuidoost-Europa leven drie slaapmuizen naast elkaar, en in fotocollecties worden ze vaak verward. De eikelmuis (Eliomys quercinus) is groter en sterker gekleurd, kaneelbruin met wit, en heeft twee kenmerken die de bosslaapmuis mist: het zwarte masker loopt door tot achter en onder het oor, over de wang tot in de nek, en de staart eindigt in een platte, tweekleurige kwast met een witte punt. De staartpunt en de lengte van het masker naar achteren zijn de twee beslissende kenmerken. De hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is nog kleiner, over de hele bovenzijde warm oranjegeel, zonder masker, met een behaarde maar duidelijk dunnere staart. De relmuis is twee tot drie keer zo zwaar, grijs, met een pluimstaart en zonder masker. Een bosmuis heeft grote oren, maar geen oogstreep en een lange, dun behaarde staart die bijna kaal lijkt.
Leefgebied
Loof- en gemengd bos met een dichte struiklaag: eiken-haagbeukenbos, beukenbos, oeverbos met hazelaar en kornoelje, en in de bergen ook naaldbos en dwergstruweel tot boven de boomgrens; in de Kaukasus en Centraal-Azië tot 3500 meter. Waar bos ontbreekt, leeft hij in dicht struweel op rotshellingen, in boomgaarden en in verwilderde tuinen. Hij is minder strikt aan oud bos gebonden dan de relmuis en meer aan een dichte, doorlopende ondergroei waarin hij zich kan verplaatsen zonder de grond te raken.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Zwitserland en Noordoost-Italië oostwaarts door Tsjechië, Slowakije, Polen en de Baltische staten, over de hele Balkan en door Oekraïne en Rusland tot de Wolga en de Oeral, en verder door de Kaukasus, Turkije en de Levant tot Iran, Centraal-Azië en westelijk China. De hoogste dichtheden liggen in Moldavië en op de Balkan. In Duitsland is hij teruggebracht tot enkele geïsoleerde vindplaatsen. De soort ontbreekt in Frankrijk, de Lage Landen, de Britse Eilanden en op het Iberisch Schiereiland; de meest westelijke populaties liggen in Zwitserland, Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Tsjechië.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief en overwegend in bomen en struiken. De bosslaapmuis is een alleseter en verschilt daarin van verwante soorten: in het voorjaar eet hij vooral dierlijk voedsel, zoals rupsen, kevers, spinnen, slakken en ook eieren en nestjongen van vogels, en later in het jaar vruchten, noten, zaden en knoppen van ongeveer twintig boom- en struiksoorten. Hij houdt een winterslaap van ongeveer oktober tot april, opgerold in een holte in de grond, onder een boomwortel of in een rotsspleet, waarbij de lichaamstemperatuur tot ongeveer vijf graden daalt; in het uiterste zuiden van het areaal, in Israël, is er geen doorlopende winterslaap maar alleen dagelijkse torpor. De voortplanting hangt hiermee samen: in Midden- en Oost-Europa is er één worp per jaar tussen maart en augustus, in het zuiden twee. Na een draagtijd van vier weken worden vier of vijf jongen geboren, soms zeven, naakt en blind. In het wild wordt de soort drie tot vijf jaar oud. Belangrijke predatoren zijn bosuil, ransuil, boommarter en kat.
Waar en wanneer kijken
Zonder nestkasten is de soort moeilijk waar te nemen. Controle van nestkasten in juni en september in loofbossen in Slowakije, Hongarije, Roemenië of Bulgarije levert regelmatig waarnemingen op. Een alternatief is om op een warme nacht met een zaklamp de rand van dicht hazelaarstruweel af te zoeken naar de oogreflectie. Kijk bij een waarneming eerst naar het einde van de staart: zonder platte, zwart-witte kwast is het geen eikelmuis. Verwarring met de eikelmuis is de meest voorkomende determinatiefout op foto's.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) voor het hele areaal, omdat de soort in Zuidoost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië wijdverspreid en plaatselijk talrijk is. Aan de noordwestrand van het areaal is de situatie ongunstiger: in Duitsland zijn er nog enkele restpopulaties, en in Tsjechië, Polen en de Baltische staten is de soort zeldzaam en versnipperd. De oorzaken zijn dezelfde als bij andere bosbewonende slaapmuizen: het verdwijnen van de struiklaag door beheer en wildvraat, de versnippering van bossen waardoor dieren niet meer van het ene naar het andere bos kunnen klimmen, en het verwijderen van oude bomen met holtes. De soort staat op bijlage III van de Conventie van Bern. Omdat de soort moeilijk waar te nemen is, berust de kennis over aantallen vrijwel geheel op nestkastcontroles, waardoor trends slecht meetbaar zijn.
Wetenschappelijke naam
Dryomys nitedula | (Pallas, 1779)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Mus nitedula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Dryomys is Grieks, van drys 'eik, boom' en mys 'muis': de boommuis. nitedula is bij Romeinse schrijvers de naam van een klein muisachtig knaagdier, doorgaans als slaapmuis opgevat. De herkomst van het woord is onzeker; men verbindt het gewoonlijk met niteo 'glanzen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Tatarstan.






