Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Relmuis
Relmuis | Glis glis
Edible dormouse | Lirón gris
De relmuis is de grootste slaapmuis van Europa. Hij houdt ongeveer zeven maanden per jaar winterslaap, van eind oktober tot half mei, en in een jaar zonder beukennoten of eikels kan dat oplopen tot elf maanden. De Romeinen mestten hem in aardewerken potten en aten hem als lekkernij; daarop verwijst de wetenschappelijke naam Glis. In Slovenië wordt hij nog steeds in de herfst gevangen, wanneer hij het zwaarst is.
Sporen
Twee sporen wijzen op de soort. Het eerste is kenmerkend voor de hele familie: de aangevreten hazelnoot. Alle slaapmuizen openen die op dezelfde manier: een rond gat met een gladde, scherpe binnenrand zonder dwarse tandgroeven, met daaromheen op de buitenkant van de schaal een krans van fijne schuin op het gat staande tandkrasjes. De slaapmuis zet de ondersnijtanden in de rand en slijpt het gat rond, in plaats van er van buitenaf doorheen te bijten. Een bosmuis laat op de binnenrand duidelijke evenwijdige tandgroeven achter en ruwe krassen op het oppervlak; een rosse woelmuis laat evenwijdige groeven op de binnenrand maar geen krassen daarbuiten; een eekhoorn splijt de noot in tweeën. Het tweede spoor is schilschade: kort voor en kort na de winterslaap knaagt hij bast van gewone esdoorn, beuk, zilverspar, lariks en soms fijnspar weg, in plekken van een vinger tot een hand breed, soms rondom de hele stam. De tandgroeven zijn 2 tot 2,5 mm breed — die van een eekhoorn 2,5 tot 3 mm — en anders dan de eekhoorn schilt hij niet in een spiraal. Verder zijn er keutels van 8 tot 12 mm, cilindrisch met stompe uiteinden, donker en glanzend, die op zolders en in nestkasten in hoopjes liggen; een nest van bladeren, mos en bast in een boomholte, spechtengat of nestkast; en 's nachts, van juli tot september, luide geluiden — gekrijs, gepiep en een ritmisch tsjek-tsjek-tsjek — uit het kroondak of van een zolder.
In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Het dier lijkt op het eerste gezicht op een kleine eekhoorn: grijs tot grijsbruin van boven, zuiver wit van onder, met een scherpe scheiding, grote zwarte ogen, kleine ronde oren en een pluimvormige staart die over de hele lengte dicht en gelijkmatig behaard is en ongeveer driekwart van de kop-romplengte meet. Anders dan de andere Europese slaapmuizen heeft hij geen zwart masker: hooguit een vage donkere ring rond het oog. Over de flanken lopen vaak enkele onduidelijke donkere lengtestrepen. De poten zijn kort, de tenen roze en breed, met kussentjes waarmee hij ondersteboven langs een tak kan lopen. Wordt hij bij de staart gegrepen, dan kan de staarthuid loslaten.
Gelijkende soorten
De eikelmuis (Eliomys quercinus) is even groot maar heeft een opvallend zwart masker dat van de snuit langs het oog tot achter en onder het oor loopt, is bruin met een witte onderzijde, en heeft een staart die eindigt in een platte, zwart-witte kwast; die kwast is doorslaggevend. De bosslaapmuis (Dryomys nitedula) is duidelijk kleiner en heeft ook een zwarte oogstreep, maar die eindigt bij het oor. De hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is klein, oranjegeel en heeft geen masker. Een eekhoorn is drie keer zo zwaar, roodbruin of zwart, met oorpluimen en een veel langere staart, en is overdag actief. In een schuur of op zolder is verwarring met een bruine rat het meest waarschijnlijk: die heeft een kale, geschubde staart en een spitse snuit, de relmuis een dicht behaarde staart en een stompe kop.
Leefgebied
Oud loofbos met een gesloten kroondak en veel holtes: in de eerste plaats beukenbos, verder eiken-haagbeukenbos, kastanjebos, gemengd bos met gewone esdoorn, en in het zuiden ook eiken- en beukenbos in de bergen. Hij leeft uitgesproken in bomen en steekt open terrein zo min mogelijk over; een doorlopend kroondak is voor hem belangrijker dan de oppervlakte van het bos. Daarnaast komt hij voor in oude boomgaarden, parken met oude bomen, en — het hele jaar of alleen in de winter — schuren, zolders, vakantiehuizen en spouwmuren van huizen aan de bosrand.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Noord-Spanje en Frankrijk oostwaarts door Midden-, Zuid- en Oost-Europa tot de Wolga en de Kaukasus, met inbegrip van Italië, de Balkan en de meeste eilanden in de Middellandse Zee; in het noorden reikt hij tot Zuid-Polen, Litouwen en Letland. In Spanje bewoont hij een afgebakende strook in het Cantabrisch Gebergte en de Pyreneeën: van Baskenland en Navarra langs de noordkust tot Asturië, León en het noorden van Palencia en Burgos, en langs de Pyreneeën tot Catalonië, in vochtig beuken- en eikenbos en vrijwel nooit onder 500 meter; in Midden- en Zuid-Spanje en in Portugal ontbreekt hij. Aan de noordwestrand van het areaal komt hij in Nederland alleen voor in het uiterste zuiden van Limburg, in het Vijlenerbos en omgeving, en in België in de Voerstreek en op enkele plaatsen in Wallonië. In Groot-Brittannië is hij ingevoerd: in 1902 ontsnapten dieren uit de collectie van Lionel Walter Rothschild in Tring (Hertfordshire), en daaruit is de populatie in de Chilterns ontstaan, die op ongeveer tienduizend dieren wordt geschat en beperkt is tot een driehoek van ongeveer 200 vierkante mijl tussen Aylesbury, Beaconsfield en Luton. In Ierland ontbreekt hij.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief en vrijwel geheel in de bomen. Hij eet plantaardig voedsel: beukennootjes, eikels, hazelnoten, tamme kastanjes, knoppen, bast en zacht fruit, met in het voorjaar enkele insecten en af en toe een ei of jonge vogel. De winterslaap bepaalt de jaarcyclus. In september en oktober verdubbelt hij bijna zijn gewicht, graaft zich dan in de bodem in — onder een boomwortel, in een holte of een oude muizengang, meestal 10 tot 60 cm diep — en rolt zich op met de staart over de kop. Lichaamstemperatuur en hartslag dalen tot vlak boven de omgevingstemperatuur, en de ademhaling kan een uur lang stilstaan. Hij komt pas in mei of juni weer boven. In een jaar zonder mast slaat hij de voortplanting over en blijft hij soms tot elf maanden onder de grond; dat hangt samen met zijn hoge levensduur van tot twaalf jaar in het wild. De paring valt in juni en juli; na dertig dagen worden vier tot elf naakte, blinde jongen geboren in een nest hoog in een holte; de ogen gaan na drie weken open en na een maand tot zes weken zijn de jongen zelfstandig. Boommarter, bosuil en kat zijn de belangrijkste predatoren.
Waar en wanneer kijken
Ga op een warme avond in augustus stil onder het kroondak van een oud beukenbos staan en luister; het krijsende geluid boven je is meestal van relmuizen, en met een zaklamp op het geluid gericht is de zilvergrijze staart tussen de takken te zien. Nestkasten geven de meeste kans: relmuizen gebruiken graag vogelkasten, en in Zuid-Limburg, de Voerstreek, het Cantabrisch Gebergte en de Pyreneeën wordt de soort vooral zo gevonden; in de Chilterns controleren vergunninghouders de kasten in juni en september. In oude schuren in Zuid-Europa en Noord-Spanje is het rennen over de zolderbalken tussen middernacht en drie uur 's nachts vaak van de relmuis.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021) en in het grootste deel van het areaal algemeen. Aan de noordwestrand — Nederland, België, Noord-Duitsland — is hij zeldzaam en kwetsbaar; daar is het beheer van oud loofbos met voldoende holtes bepalend, omdat de soort bomen nodig heeft die oud genoeg zijn om holtes te vormen. In Nederland is hij wettelijk beschermd en geldt hij als ernstig bedreigd. In Spanje is hij beschermd en worden de populaties in het Cantabrisch Gebergte en de Pyreneeën als stabiel maar sterk versnipperd beschouwd. Door zijn afhankelijkheid van mast is hij gevoelig voor jaren zonder beukennoten en op termijn voor veranderingen in het mastritme van het bos. In Slovenië en Kroatië is de traditionele herfstvangst van relmuizen nog toegestaan en gereguleerd. In Groot-Brittannië geldt hij als uitheemse soort die niet mag worden losgelaten, en is schade aan zolders, isolatie en bekabeling een terugkerende klacht.
Wetenschappelijke naam
Glis glis | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Sciurus Glis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Glis is het Latijnse woord voor 'relmuis'; de Romeinen mestten het dier in potten voor de tafel. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Slovenië, Carniola.






