Alle soorten › Knaagdieren › Stekelvarkens › Witstaartstekelvarken
Witstaartstekelvarken | Hystrix indica
Indian crested porcupine | Hystrix indica
Het witstaartstekelvarken is de oostelijke verwant van het gewone stekelvarken: een eveneens fors, nachtactief en gravend knaagdier, maar van de droge heuvels van Turkije, de Levant en Transkaukasië tot in India. Het westelijke deel van zijn verspreidingsgebied omvat Anatolië, Syrië, Libanon, Israël, Jordanië, Armenië, Azerbeidzjan en Georgië, en daar is het het grootste knaagdier.
Sporen
Net als bij het gewone stekelvarken zijn de sporen gemakkelijker te vinden dan het dier. De burcht is het duidelijkste spoor: een gegraven pijp of een uitgewerkte spleet in een kalksteenwand of een wadi-oever, met een ingang van 25 tot 40 cm, breder dan hoog, een grote zandwaaier ervoor en meestal enkele afgeworpen pennen op de drempel; ze worden generaties lang bewoond en zijn in de Negev en de Judeawoestijn een vast element van het landschap. Van daaruit lopen brede, gladgesleten wissels die vaak dwars door doornstruweel snijden. De keutel is groot en kenmerkend: cilindrisch, 2 tot 4 cm lang, zwart tot donkerbruin, met grove plantenvezels erin, en meestal in klompjes van enkele keutels aan elkaar geplakt, gedeponeerd bij het hol of in latrines langs de wissel. Verder graafkuiltjes van tien tot twintig centimeter waar bollen en knollen zijn uitgegraven — in Israël is dit dier de belangrijkste graver van de woestijnrand en zijn kuiltjes vangen zaad en water, waardoor er hele plantengemeenschappen in ontstaan — en schilschade aan amandel, olijf en granaatappel. De prent heeft vijf tenen met zware klauwen en een brede zool.


De kop van dichtbij

Herkenning
Het witstaartstekelvarken is groot, zwaar en laag, met een stompe kop en korte poten met graafnagels. De rug en flanken dragen lange, stijve pennen met scherpe punt, zwart met scherp afgetekende witte banden en witte punten, die bij opwinding waaiervormig worden opgezet. Anders dan bij het gewone stekelvarken is de kam op kop en nek kort of vrijwel afwezig: de kop is daardoor gladder en de bovenzijde zwarter. De staart is langer en eindigt in een bos overwegend witte pennen, waaronder de holle, aan het eind verbrede ratelpennen; die witte staartpluim is bij nacht in een koplamp of op een cameraval het snelst zichtbare kenmerk en heeft de soort haar Nederlandse naam gegeven. Op keel en borst loopt een witte band. De zuidelijke vorm in India is roodbruin getint, de dieren van het Nabije Oosten zijn zwart en wit.
Gelijkende soorten
Alleen het gewone stekelvarken (Hystrix cristata) komt in aanmerking, en de arealen raken elkaar in Noordoost-Afrika maar niet in Azië; in Europa en het Nabije Oosten overlappen ze niet. Voor het onderscheid geldt: het gewone stekelvarken heeft een lange, opzetbare kam van witte borstels over kop en nek en een korte staart zonder witte pluim, en is bruiner en ruiger behaard; het witstaartstekelvarken is korter van kam, zwarter en heeft de witte staart. De egel is de enige andere stekeldrager in het gebied en verschilt twintigvoudig in gewicht. Een losse pen van tien tot dertig centimeter met scherpe zwart-witte banden is altijd van een stekelvarken.
Leefgebied
Het witstaartstekelvarken leeft in droge, warme, rotsige heuvellandschappen: doornstruweel en garrigue, halfwoestijn en steppe, kalksteenkloven, wadi-wanden, terrasmuurtjes, en bovendien akkerland, boomgaarden en de randen van dorpen, waar hij het gemakkelijkste voedsel vindt. Hij mijdt de echte zandwoestijn en het gesloten bos. In Turkije en de Kaukasus komt hij tot ongeveer 2400 meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het witstaartstekelvarken komt voor van Zuidoost-Turkije door de Levant — Syrië, Libanon, Israël, Palestina, Jordanië — en door Transkaukasië (Armenië, Azerbeidzjan, Zuid-Georgië) oostwaarts door Irak, Iran en Centraal-Azië tot India, Nepal en Sri Lanka. Het westelijke deel van dit gebied omvat Anatolië ten zuiden en oosten van het Taurusgebergte, de kustlanden van de oostelijke Middellandse Zee, en de zuidelijke Kaukasus. Hij is in Israël en Turkije de laatste decennia in aantal toegenomen en trekt daar de dorpen en de tuinbouwgebieden binnen. Ten westen van de Bosporus komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het witstaartstekelvarken is strikt nachtactief; het verlaat de burcht ruim na zonsondergang en is ongeveer zeven uur per nacht op de been, waarbij hij kilometers aflegt. In de winter vermijdt hij heldere maannachten, wat als bescherming tegen roofdieren wordt uitgelegd. Het is een planteneter: knollen, bollen, wortels, bast, vruchten en granen, aangevuld met insecten en af en toe een klein gewerveld dier, en hij knaagt botten voor het kalk dat zijn pennen kosten. Het leeft in een paar met de jongen in een gemeenschappelijke burcht. De paartijd valt in februari en maart; na een dracht die tot ruim tweehonderd dagen kan duren wordt één worp per jaar geboren van twee tot vier jongen, met open ogen en zachte pennen die snel verharden. Ze worden pas rond hun tweede jaar geslachtsrijp. Hij houdt geen winterslaap. De verdediging is dezelfde als bij het gewone stekelvarken: stampen, ratelen met de staartpennen, en achteruit inlopen.
Waar en wanneer kijken
De burcht is het beste aanknopingspunt. In wadi's in Israël, Jordanië of Zuidoost-Turkije liggen de brede ingangen onderaan de kalksteenwanden, met de zandwaaier en de pennen ervoor; een cameraval bij zo'n ingang registreert het dier meestal binnen enkele nachten. Het dier zelf is het gemakkelijkst te zien in de eerste uren na donker langs landweggetjes bij dorpen en boomgaarden, waar het vaste routes volgt. In Jeruzalem en Haifa komen stekelvarkens de buitenwijken in, en daar is een rustige straat met tuinen na middernacht een geschikte plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2008), en over het hele areaal algemeen; in delen van Israël, Turkije en Iran neemt hij toe doordat zijn belangrijkste roofvijanden — luipaard, gestreepte hyena en wolf — er zijn verdwenen of zeldzaam geworden. Daar staat tegenover dat hij als schadedier geldt in meloen-, maïs- en groenteteelt en in jonge boomgaarden, en dat hij daarom lokaal intensief wordt vervolgd met vallen en gif; verder eisen het verkeer en de jacht op vlees hun deel. In Israël is hij wettelijk beschermd en is het aantal gestegen. Zijn graafwerk is voor de woestijnrand van belang: de kuiltjes waarin hij naar bollen zoekt vangen zaad, water en organisch materiaal, en zijn daarmee de kiemplekken waar de vegetatie van de halfwoestijn zich vernieuwt.
Wetenschappelijke naam
Hystrix indica | Kerr, 1792
Kerr beschreef de soort in 1792 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Hystrix is het Griekse woord voor 'stekelvarken', van hys 'zwijn' en thrix 'haar': het dier met varkensborstels. indica is Latijn voor 'Indisch'; Kerr onderscheidde het dier als de Indische vorm van het stekelvarken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit India.






