Alle soorten › Knaagdieren › Stekelvarkens › Gewoon stekelvarken
Gewoon stekelvarken | Hystrix cristata
Crested Porcupine | Puercoespín
Het gewone stekelvarken is met 13 tot 27 kg na de bever het grootste knaagdier van Europa. In Europa komt het alleen in Italië voor, waar het 's nachts foerageert in macchia, bosranden en cultuurland. Bij verstoring ratelt het met de holle pennen aan het eind van de staart; het dier wordt daardoor vaak eerder gehoord dan gezien. Of de soort in Italië inheems is of door mensen is ingevoerd, is na ongeveer tweehonderd jaar discussie niet beslist.
Sporen
De soort wordt meestal aan de sporen vastgesteld. Het duidelijkst zijn de afgeworpen pennen: elke pen zit los in de huid en laat bij aanraking, bij het schudden en bij gevechten los, zodat er langs de wissels en vooral voor de holingang tientallen liggen. Ze zijn zwart-wit gebandeerd, spits, tien tot vijftig centimeter lang en verbleken in het veld binnen enkele maanden tot vuilwit. De burcht is een gegraven gangenstelsel of een uitgebreide rotsspleet met een ingang van 25 tot 40 cm doorsnede, veel breder dan hoog, met een grote waaier uitgegraven grond ervoor en een brede, gladgesleten wissel die er in een rechte lijn vandaan loopt; een burcht wordt generaties lang gebruikt. De keutel is een klomp van drie tot zeven aan elkaar vastzittende, cilindrische keutels van 2 tot 4 cm lang, sterk vezelig, donkerbruin tot zwart, met zichtbare plantenvezels en stro; hij ligt vaak bij de holingang of in een latrine langs de wissel. De prent is breed, met vijf tenen, zware klauwafdrukken aan de achtervoet en een brede, niervormige zoolafdruk; hij verschilt van alle andere Europese prenten. Verder graafsporen, trechtervormige kuilen van tien tot twintig centimeter waar knollen en bollen zijn uitgegraven, en schilschade aan stammen van olijven, kurkeiken en fruitbomen, waar de bast in brede banen tot op het hout is weggeknaagd. Op een vaste plek in of bij het hol liggen soms afgeknaagde botten, die het dier verzamelt en beknaagt voor mineralen.

Herkenning
Een zwaar, laag, gedrongen dier met een stompe kop, kleine ogen, korte poten en een vacht van pennen; in Europa is het met geen andere soort te verwarren. Over kop, nek en rug loopt een kam van lange, buigzame witte borstels tot 35 cm, die bij opwinding wordt opgezet. Op rug en flanken staan de eigenlijke stekels: stijve pennen met een scherpe punt en afwisselend zwarte en witte banden, tot een halve meter lang. De rest van het lichaam is bedekt met donkere, borstelige haren. Aan het uiteinde van de korte staart zitten de ratelpennen: korte, holle, dunwandige pennen met een verbreed uiteinde, die tegen elkaar trillen en een sissend geratel maken. De poten hebben stevige graafnagels. Het dier loopt sloffend, met gebogen rug en de kop laag.
Gelijkende soorten
In Europa geen verwarringssoorten. In de Levant en Transkaukasië, waar de arealen van beide soorten elkaar bijna raken, leeft het witstaartstekelvarken (Hystrix indica); dat heeft een veel kortere kam of vrijwel geen, een langere staart met een witte punt, en pennen die zwarter zijn met scherper begrensde witte banden. In Noord-Afrika komen de twee soorten niet samen voor. Verwarring met een egel is alleen in het donker mogelijk en wordt door de grootte beslist: een egel weegt ongeveer 1 kg, een stekelvarken 13 tot 27 kg. Losse pennen op een pad zijn van een stekelvarken; egelstekels zijn kort, glad, ongebandeerd en hooguit drie centimeter lang.
Leefgebied
Warme, droge, gevarieerde landschappen met een graafbare bodem: macchia en garrigue, kurkeiken- en steeneikenbos met open plekken, oude terrasmuren, boomgaarden, olijfgaarden, wijngaarden en akkerranden. Drie elementen zijn nodig: een plek voor een burcht (een helling, een rotsspleet, een oude muur), dekking en knollen. De soort komt in de Apennijnen voor tot ongeveer 1500 meter, en is de laatste decennia ook op zwaardere en nattere gronden aangetroffen dan eerder.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
In Europa alleen in Italië, op het hele schiereiland van Ligurië en Toscane tot Calabrië en op Sicilië. In de laatste dertig jaar heeft de soort zich snel naar het noorden uitgebreid: sinds de jaren negentig in de Po-vlakte en inmiddels tot in Piëmont, Lombardije en de voet van de Alpen. Op Sardinië is ze pas recent verschenen. Buiten Europa in heel Noord-Afrika, van Marokko tot Egypte, en zuidwaarts door de Sahel tot Tanzania. Op de Balkan is de soort in de negentiende eeuw uitgestorven. Ten noorden van de Alpen en op het Iberisch Schiereiland ontbreekt ze; de populatie die het dichtst bij Iberië ligt, leeft in Marokko, aan de overkant van de Straat van Gibraltar.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief; overdag in de burcht. Planteneter met een voorkeur voor ondergrondse plantendelen: knollen, bollen, wortelstokken en wortels, die met de voorpoten worden uitgegraven, aangevuld met bast, gevallen fruit, granen en groenten van akkers. Botten worden beknaagd voor kalk. Een paar leeft in een vaste paarband met de jongen van het jaar, soms tot zes dieren in één burcht. Bij een aanval vlucht het dier niet maar loopt het achteruit op de aanvaller in, met opgezette pennen en ratelende staart; losse pennen blijven in de aanvaller steken. In Afrika zijn vossen, honden en luipaarden aan zulke verwondingen gestorven. Na een draagtijd van ongeveer 110 dagen volgt één worp per jaar van één tot twee jongen, die geboren worden met open ogen, tanden en zachte, buigzame stekels die binnen een week hard worden. Er is geen winterslaap, maar bij vorst en sneeuw blijft het dier dagenlang in het hol. In het wild kan het vijftien jaar oud worden.
Waar en wanneer kijken
Rijd in Toscane, Umbrië of de Maremma na zonsondergang langzaam over een onverharde weg door de macchia en kijk in de bermen; na vos en wild zwijn is het stekelvarken daar het zoogdier dat het vaakst in de koplampen wordt gezien. Zoek overdag naar de burcht: een brede ingang in een talud met een waaier van grond en pennen ervoor. Een cameraval bij de ingang levert vrijwel altijd opnamen op. Langs de wissels liggen vrijwel altijd pennen, maar laat ze liggen: in Italië is de soort volledig beschermd en is ook het verzamelen van pennen aan regels gebonden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). In Italië neemt de soort toe: sinds de volledige bescherming in 1974 is de populatie gegroeid en het areaal naar het noorden uitgebreid. Er wordt op gestroopt voor het vlees en in moestuinen en meloenvelden wordt het dier als schadedier gedood; verkeer is de belangrijkste doodsoorzaak. Of de soort in Italië inheems is, is omstreden. De opvatting dat de Romeinen haar uit Noord-Afrika meebrachten, berust op één passage bij Plinius, die schrijft dat het stekelvarken in India en Afrika voorkomt; in Pompeï is geen bot of afbeelding gevonden. De oudste zekere resten uit Italië komen uit de Crypta Balbi in Rome en uit San Giovanni di Ruoti in Basilicata en dateren uit de zesde tot achtste eeuw, de late oudheid of de vroege middeleeuwen; op één ervan staan snijsporen. Tussen het uitsterven van de stekelvarkens uit de ijstijd en die vondsten ligt een periode van tienduizenden jaren zonder resten. De meeste onderzoekers gaan daarom uit van invoer door mensen, maar na de Romeinse tijd, waarschijnlijk meer dan eens en uit verschillende delen van Noord-Afrika; een minderheid houdt het op een natuurlijk overgebleven restpopulatie. De Mammal Diversity Database rekent Italië tot het natuurlijke areaal; de soort is hier daarom als inheems opgenomen, met deze kanttekening.
Wetenschappelijke naam
Hystrix cristata | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Hystrix is het Griekse woord voor 'stekelvarken', van hys 'zwijn' en thrix 'haar': het dier met varkensborstels. cristata is Latijn voor 'gekuifd', bij crista 'kam, kuif', naar de manen van lange, buigzame stekels op nek en schouders. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Rome.






