Alle soorten › Knaagdieren › Kamvingers › Noord-Afrikaanse goendi
Noord-Afrikaanse goendi | Ctenodactylus gundi
Common gundi | Ctenodactylus gundi
De goendi is een knaagdier van kale rotsen aan de rand van de Sahara, ongeveer zo groot als een cavia en zonder zichtbare staart. De dieren liggen 's ochtends in de zon op stenen en drinken niet. De soort behoort tot de kamvingers (Ctenodactylidae), een familie die alleen in Afrika voorkomt, van de Maghreb en de Sahara tot de Sahel en de Hoorn van Afrika, en in het gidsgebied alleen door deze soort vertegenwoordigd is; de naam verwijst naar de kammetjes van stijve borstels tussen de klauwen van de achtervoeten.
Sporen
De goendi laat weinig sporen na, en die bevinden zich op de rots. Hij graaft geen holen, maar gebruikt natuurlijke spleten, holten onder overhangende blokken en openingen in stapelmuren. Bij de ingangen ontstaan gladgesleten, glanzende plekken op de steen door langdurig gebruik. Op zonplekken en bij spleetingangen liggen keutels van 3 tot 5 mm, rond tot kort ovaal, hard, droog en donkerbruin, die zich in de loop van jaren tot een dunne laag ophopen; op beschutte plaatsen droogt de urine in tot een harde, glanzend bruine korst op de rots, zoals bij de klipdas. Verder zijn er vraatsporen op de weinige planten in de omgeving: acaciablad en bladrozetten van vetplanten die tot op de nerf zijn afgeknaagd, en losse afgebeten stengels op de rots. Prenten zijn zeldzaam, omdat de dieren zandgrond zoveel mogelijk vermijden.
In zijn leefgebied

Herkenning
Compact en gedrongen, met een korte hals, een brede, stompe kop en een staart van hooguit twee centimeter, die op afstand niet zichtbaar is. De vacht is dicht, zacht en zandkleurig, van grijsbeige tot warm okerbruin, overeenkomend met de kleur van het gesteente; de onderzijde is bleker. De oren zijn kort en liggen plat tegen de kop, zonder uitstekende oorrand. De ogen zijn groot en donker, de snorharen lang en stijf. Aan de twee binnenste tenen van elke achtervoet zit een kammetje van stijve witte borstels waarmee zand uit de vacht wordt verwijderd; dat is het familiekenmerk en het is op korte afstand met een verrekijker te zien. De goendi kan de ribben plat drukken en zich zo in een spleet dringen die smaller is dan het lichaam.
Gelijkende soorten
Binnen het areaal zijn er weinig verwarringsmogelijkheden. De zuidelijke goendi (Ctenodactylus vali) leeft in Zuidoost-Marokko, West-Algerije en Libië en is nauwelijks te onderscheiden: bleker en met een iets langere staart, maar in het veld beslist vrijwel altijd de vindplaats. De klipdas (Procavia capensis), die in rotsgebieden van de Levant en Noordoost-Afrika voorkomt, is twee tot drie keer zo groot en veel donkerder. Rotsmuizen en woestijngerbils zijn veel kleiner en hebben altijd een lange staart. Een rond, staartloos, zandkleurig dier dat op een steenveld in de Maghreb in de zon ligt, is een goendi.
Leefgebied
Uitsluitend rotsachtig terrein in droge gebieden: kale kalksteen- en zandsteenkoppen, kloofwanden, steile puinhellingen en oude stenen muurtjes, vooral op de zuidhellingen van het Atlasgebergte en in de halfwoestijn en steppe daarachter, tot 2900 meter hoogte. Vereist zijn spleten die diep genoeg zijn om de middaghitte door te brengen, en binnen enkele honderden meters enige plantengroei, zoals een acacia, een pol steppegras of vetplanten tussen de stenen. Open water is niet nodig.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Noordoost-Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en Noordwest-Libië; binnen dat gebied vooral op de zuidhellingen van het Atlasgebergte. In het gidsgebied is de soort beperkt tot de Maghreb; in Europa komt zij niet voor en heeft zij nooit voorgekomen. Het areaal ligt enkele honderden kilometers ten zuiden van Andalusië, maar de Straat van Gibraltar is niet overgestoken. Bekende en goed bereikbare vindplaatsen liggen in Tunesië (Bouhedma, Chambi, de kloven bij Tamerza en Midès) en in het Marokkaanse voorland van de Atlas.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitgesproken dagactief. De dieren komen vroeg naar buiten en liggen plat op een warme steen tot de temperatuur boven de twintig graden komt, foerageren dan een à twee uur, en trekken zich terug in de schaduw van de spleten zodra het warmer wordt dan dertig graden; in de late middag komen ze opnieuw naar buiten. Het voedsel bestaat uit bladeren, stengels, bloemen en zaden van vrijwel alle planten in de omgeving; daarvoor leggen de dieren tot een kilometer per ochtend af. De goendi drinkt niet: al het vocht komt uit groen voedsel, en de nieren houden zoveel water vast dat de urine tot een korst indroogt. De soort leeft in losse kolonies en waarschuwt met een scherpe, vogelachtige roep en snelle stampbewegingen met de achtervoeten, waarna alle dieren tegelijk onder de stenen verdwijnen. Na een draagtijd van ongeveer veertig dagen worden één tot drie jongen geboren die behaard zijn, open ogen hebben en vrijwel direct zelfstandig zijn; dat is voor een knaagdier uitzonderlijk en wordt in verband gebracht met het leven in spleten, waar een nest met naakte jongen niet veilig is. De jongen zijn na vier weken gespeend.
Waar en wanneer kijken
De beste tijd zijn de eerste twee uur na zonsopgang, op een naar het oosten gerichte rotshelling, bij voorkeur in maart of april wanneer er nog groen staat. Zoek een rotsblok met een gladgesleten spleetingang en keutels ervoor, ga op ongeveer twintig meter afstand zitten en wacht: bij het eerste licht komen de dieren een voor een naar buiten en blijven ze stil liggen. Ze zijn niet schuw maar wel waakzaam; bij te dichte nadering volgt de alarmroep en verdwijnen alle dieren. In Tunesië zijn de kloven van Tamerza en Midès en het Nationaal Park Bouhedma de bekendste plaatsen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2008) en op de meeste plaatsen algemeen. Het leefgebied, kale rots zonder landbouwwaarde, wordt nauwelijks in gebruik genomen, wat de soort in hoge mate beschermt. Plaatselijk wordt de goendi bejaagd voor consumptie en gevangen voor de dierenhandel, en overbegrazing door geiten verwijdert de kruiden waarvan hij leeft; geen van beide bedreigt de soort als geheel. Omdat de kolonies op geïsoleerde rotskoppen in de steppe leven, is de soort wel kwetsbaar voor langdurige verdroging van de Maghreb; verdwenen kolonies worden niet vanzelf opnieuw bezet.
Wetenschappelijke naam
Ctenodactylus gundi | (Rothman, 1777)
Rothman beschreef de soort in 1777 als Mus Gundi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Ctenodactylus is Grieks, van kteis, genitief ktenos, 'kam', en daktylos 'vinger, teen', naar de kam van stijve borstels op de achtertenen. gundi is de Arabische naam van het dier in Noord-Afrika, die Rothman als soortnaam overnam; het staat als zelfstandig naamwoord onverbogen naast de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Libië.




