Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Woestijnslaapmuis
Woestijnslaapmuis | Eliomys melanurus
Asian garden dormouse | Eliomys melanurus
De woestijnslaapmuis is de woestijnrandverwant van de eikelmuis: zij heeft dezelfde bouw, hetzelfde masker en dezelfde donkere staartkwast, maar is zandkleurig en heeft nog grotere oren. De soort bereikt Europa niet; haar verspreidingsgebied eindigt bij de Levantijnse kust en de rand van de Sinaï, in het zuidoosten van het Middellandse Zeegebied.
Sporen
Van de acht slaapmuissoorten van Europa en omgeving is over de sporen van deze soort het minst bekend. Wel staat vast dat zij een dier van holten in steen is: nesten van gras, wortelvezels en veren in rotsspleten, onder overhangende kalkstenen, in stapelmuren, in oude gebouwen en in de holle ruimtes van ruïnes, en op dezelfde plekken liggen zijn keutels — 8 tot 12 mm, donker, gedraaid en spits, in kleine hoopjes op een vaste plek. Omdat hij voor het grootste deel van dieren leeft, is de inhoud van die keutels kenmerkend: glanzende dekschilden van kevers, poten van duizendpoten, en op eetplekken onder een overhang liggen opengeknaagde slakkenhuizen, soms bij tientallen bij elkaar. Waar hij bij huizen komt, zijn de sporen die van elk knaagdier in een schuur: aangevreten fruit, gemorst zaad, keutels op een balk. Een pootafdruk is in het droge stof of het losse duinzand van zijn gebied vrijwel niet te lezen, en er is voor deze soort geen bruikbaar prentenmateriaal.
Herkenning
De woestijnslaapmuis is even groot als de eikelmuis: kop-romp 11 tot 14,5 cm, staart 10 tot 13,5 cm, gewicht 38 tot 63 gram. De bovenzijde is bleek zandgrijs tot lichtbruin, veel lichter en doffer dan bij de eikelmuis, de onderzijde en de wangen zijn wit. Het masker loopt van de snuit door het oog en eindigt in een zwarte vlek onder en vlak achter het oog; het trekt niet als bij de eikelmuis in een lange punt de hals in. De oren zijn opvallend groot, dun, roze en vrijwel onbehaard — bij de dieren die in de meest dorre streken leven de grootste van de familie. De staart is lang, aan de basis kort behaard en eindigt in een donkere, bijna zwarte pluim; daaraan dankt hij zijn wetenschappelijke naam melanurus, zwartstaart. De ogen zijn groot en zwart, de snorharen lang en bleek, de poten roze. Het dier is in alle opzichten lichter van kleur dan de eikelmuis, en dat is in het veld het eerste kenmerk.
Gelijkende soorten
Binnen zijn gebied is er nauwelijks iets om hem mee te verwarren, want hij is de enige slaapmuis van de Levant en de Egyptische woestijnrand. Verwarring ontstaat vooral in de literatuur: de eikelmuis lijkt sterk op deze soort, en de twee zijn tot in de jaren tachtig als één soort behandeld. Het onderscheid is de kleur — de eikelmuis is warmbruin tot grijsbruin, deze bleek zandkleurig — de oorgrootte, en het masker, dat bij de eikelmuis achter het oor doorloopt en bij deze soort daar ophoudt. Ze raken elkaar in het veld niet: de eikelmuis komt niet zuidelijker dan Zuid-Europa. In dezelfde rotsen leven verder renmuizen en gerbils, maar die hebben een naakte, dun behaarde staart met hooguit een klein eindpluimpje, geen masker en veel kleinere oren, en ze springen op lange achterpoten in plaats van te klimmen. De huisspitsmuis is veel kleiner en heeft een spitse, bewegelijke snuit.
Leefgebied
De woestijnslaapmuis leeft in de droge delen van het Middellandse Zeegebied en aan de rand van de woestijn, altijd op steenachtig terrein: rotswanden en kalkstenen kliffen, wadi's met struikbegroeiing, puinhellingen, steppe met alsem en doornstruiken, garrigue en verspreide maquis, rotsige kustduinen, en bij mensen: stapelmuren, boomgaarden, tuinen en oude gebouwen. De soort komt voor van zeeniveau tot ongeveer 2850 m in de bergen van het Arabisch Schiereiland. Zij heeft geen dichte begroeiing nodig maar spleten en holten: een blokkenveld met wat kruiden ertussen is geschikt, een egale zandvlakte niet.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De woestijnslaapmuis komt voor van het oosten van Libië door Egypte en de Sinaï naar het noorden tot in Syrië en Irak, en naar het zuiden tot in het zuidwesten van Saoedi-Arabië. De soort bereikt Europa niet: haar gebied eindigt bij de Levantijnse kuststrook — Israël, de Palestijnse gebieden, Libanon, west-Syrië, Jordanië — en bij de Egyptische en Cyrenaïcaanse Middellandse Zeekust. Uit Zuid-Turkije bestaat een oude vermelding, maar recent materiaal ontbreekt, en het is de vraag of die populatie nog bestaat. Op het Europese vasteland komt hij niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De woestijnslaapmuis is strikt nachtactief, met het zwaartepunt van de activiteit ongeveer twee uur na het invallen van de duisternis. Hij klimt goed en beweegt zich behendig door rotsspleten en over muren, maar zoekt zijn voedsel grotendeels op de grond. Het menu is voor een slaapmuis ongewoon vleesetend: insecten, sprinkhanen, kevers, duizendpoten, slakken, kleine knaagdieren en zelfs gekko's, aangevuld met vruchten, zaden en noten. In tegenstelling tot de hazelmuis en de eikelmuis houdt hij geen echte, lange winterslaap: in de koudste maanden wordt hij duidelijk minder actief en zakt hij bij koude weg in torpor, maar in zachte winters is hij het hele jaar actief. Over de voortplanting is minder bekend dan bij de Europese soorten; er worden een tot twee worpen per jaar gemeld, met vier tot zes jongen.
Waar en wanneer kijken
De soort is te vinden waar rotsen zijn, en alleen 's nachts actief. In Israël, Jordanië en de Sinaï is een wadi met kalkstenen wanden in het eerste uur of twee na zonsondergang, met een zwakke lamp, de meest geschikte plek: de weerkaatsing van twee grote ogen op een richel en geritsel in de spleten verraden het dier. Overdag zijn de eetplekken onder overhangende stenen met opengeknaagde slakkenhuizen te vinden; die bevestigen dat de soort aanwezig is. Rond veldstations, kloosters en oude gebouwen aan de woestijnrand is zij soms bij lamplicht op een muur te zien. De meeste waarnemingen van deze soort zijn toevalstreffers.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021). Hij heeft een groot areaal, is niet kieskeurig in zijn voedsel en profiteert plaatselijk van tuinen, boomgaarden en gebouwen, en er is geen aanwijzing dat hij in de kern van zijn gebied achteruitgaat. Wel is hij overal schaars en plaatselijk, en de kennis over de soort is gering: van geen enkele populatie is een reeks tellingen bekend, en de meeste vondsten komen uit braakballen van uilen en uit toevallige vangsten. Waar hij lokaal onder druk staat is dat vooral door het verdwijnen van oude stapelmuren en het omzetten van steppe in geïrrigeerde landbouw.
Wetenschappelijke naam
Eliomys melanurus | (J. A. Wagner, 1839)
J. A. Wagner beschreef de soort in 1839 als Myoxus melanurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Eliomys is Grieks, van eleios, bij Aristoteles de naam van de relmuis, en mys 'muis'. melanurus is Grieks voor 'zwartstaart', van melas 'zwart' en oura 'staart', naar de zwarte staartkwast. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Sinaï.






