Alle soorten › Roofdieren › Beren › Bruine beer

Bruine beer | Ursus arctos

Brown Bear | Oso Pardo

De bruine beer is het grootste landzoogdier van Europa. De meeste bezoekers van berengebieden zien alleen zijn sporen: opengebroken mierenhopen, omgekeerde stenen, keutels vol bosbessen en boomstammen met haren in de hars. De bruine beer houdt geen echte winterslaap, maar een winterrust.

Bruine beer (Ursus arctos)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Alle prenten tonen vijf tenen, wat ze onderscheidt van die van andere grote Europese zoogdieren. De voorvoet geeft een brede, korte prent van ongeveer 12 tot 17 cm breed en 15 tot 20 cm lang, met de vijf tenen in een vlakke boog boven een breed dwars zoolkussen en de nagelindrukken 3 tot 6 cm vóór de tenen. De achtervoet is 20 tot 30 cm lang en laat de hele langgerekte zool zien; de prent heeft de vorm van een brede, platte menselijke voetafdruk, maar de kleinste teen staat aan de buitenkant, omgekeerd ten opzichte van een menselijke voet. De grootste teen is de buitenste. Het loopspoor is breed en licht naar binnen gedraaid. De keutel is een vormeloze hoop van 5 tot 7 cm dik, met een inhoud die per seizoen verschilt: in het voorjaar groen en vezelig van gras en kruiden, in de zomer zwart en kruimelig met resten van mieren en kevers, en in de nazomer en herfst grote paarszwarte hopen die vrijwel geheel uit bosbessen, lijsterbes of beukennootjes bestaan, vaak met hele bessen. Verder zijn er merkbomen: langs vaste routes en bij naaldbomen aan de bosrand staan stammen die door schuren met de rug glad en glimmend zijn, met grove bruine haren in de hars op 60 tot 120 cm hoogte, en daarboven bijtsporen en verticale nagelgroeven tot twee meter hoogte; de hoogte van de merktekens geeft een indicatie van de grootte van de beer. Verder graafsporen: opengebroken mierenhopen en uit elkaar getrokken rotte stobben, omgekeerde stenen, kuilen waar wortels en bollen zijn uitgegraven, en op bergweiden hele stroken omgewoelde zode. Kadavers waarvan een beer heeft gegeten, zijn vaak met takken en aarde afgedekt, met wissels ernaartoe. Het winterhol ligt onder een wortelkluit, in een uitgegraven holte in een steile helling of in een rotsspleet, met een nauwe ingang en een leger van mos, gras en sparrentakken.

Bruine beer, prent van de achtervoet in de modder, met een schoen ernaast: een brede, mensachtige zool met de vijf tenen op een rij erboven (kõrvemaa, estland)
Prent van de achtervoet in de modder, met een schoen ernaast: een brede, mensachtige zool met de vijf tenen op een rij erboven (Kõrvemaa, Estland) · Foto: Sillerkiil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Bruine beer, grote donkere drol op een bosweg in de karpaten (penteleu- en vranceagebergte, roemenië), grof en vol plantenresten
Grote donkere drol op een bosweg in de Karpaten (Penteleu- en Vranceagebergte, Roemenië), grof en vol plantenresten · Foto: ŠJů — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Bruine beer, berin met jong op een bosweg door het estse naaldbos, in het vroege voorjaar
Berin met jong op een bosweg door het Estse naaldbos, in het vroege voorjaar · Foto: Sillerkiil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Bruine beer, kop van dichtbij: het holle voorhoofdsprofiel en de korte, ronde oren van de europese bruine beer
Kop van dichtbij: het holle voorhoofdsprofiel en de korte, ronde oren van de Europese bruine beer · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Bruine beer, zeug met een jong van veertien maanden op de kalksteenblokken bij stari kot, slovenië
Zeug met een jong van veertien maanden op de kalksteenblokken bij Stari Kot, Slovenië · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Massief en zwaar, met een duidelijke spierbult boven de schouders die bij het lopen op en neer beweegt, een brede kop met een licht hol voorhoofdsprofiel, kleine ronde oren en een korte staart van 6,5 tot 21 cm die in de vacht verdwijnt. Hij is zoolganger: de hele voetzool raakt de grond. Voor de soort als geheel is de kop-romplengte 100 tot 280 cm en de schouderhoogte 90 tot 150 cm; op de achterpoten, een houding die hij aanneemt om te ruiken en te kijken en niet om te dreigen, is hij ruim hoger dan een mens. De vacht varieert van roomblond via kaneelrood en okerbruin tot bijna zwart, vaak met lichtere schouders en een donkerdere rug en poten; jongen hebben vaak een lichte halskraag die na een of twee jaar verdwijnt. De nagels van de voorpoot zijn 5 tot 10 cm lang, licht gebogen en niet intrekbaar, en drukken bij het lopen in de grond. Europese beren liggen aan de onderkant van dat bereik. In Zuid-Europa weegt een volwassen dier soms niet meer dan zeventig kilo; in Noord- en Midden-Europa liggen de gemiddelden van mannetjes tussen 150 en 250 kg, in de Karpaten en Scandinavië hoger, en Cantabrische mannetjes wegen gemiddeld ongeveer 115 kg. Wijfjes wegen ongeveer de helft van de mannetjes. In het najaar is een dier tot een derde zwaarder dan in het voorjaar.

Gelijkende soorten

In Europa is de soort bij goed zicht niet te verwarren; vergissingen ontstaan op afstand en bij slecht licht. Een wild zwijn is donker en zwaar maar veel lager, met een rechte rug, een spitse kop en geen schouderbult, en beweegt met korte, snelle passen. Een grote hond op een bergweide is in Zuid-Europa de meest voorkomende verwarring, omdat kuddebeschermingshonden daar groot en licht van kleur zijn. Een wisent is zwaarder, heeft hoorns en een andere kopvorm. Op afstand, in de Karpaten of Cantabrië, worden rotsen of boomstronken op open hellingen het vaakst voor een beer aangezien; beweging en de schouderbult zijn dan beslissend. Sporen zijn eenduidig: een grote hond laat vier tenen met nagels zien, een beer vijf tenen in een vlakke boog boven een brede zoolafdruk.

Leefgebied

Uitgestrekt, rustig bos met voedsel dat per seizoen wisselt: loof-, naald- en gemengd bos, en vooral de randen, kapvlakten en open plekken waar kruiden, bosbes en framboos groeien. Daarboven subalpien struweel en alpiene graslanden, waar hij in het voorjaar graast en in de zomer naar mieren zoekt, en puinhellingen en rotspartijen die dekking en holplaatsen bieden. Belangrijker dan het bostype zijn omvang en rust: een dal met een weg om de tien kilometer en aaneengesloten bos daartussen is geschikt, een versnipperd landschap niet.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Spanje tot Kamtsjatka en van Alaska tot de Himalaya; in Europa verdeeld over tien gescheiden populaties. De grote populaties leven in de Karpaten (Roemenië heeft verreweg de meeste beren van de Europese Unie), in de Dinarisch-Pindische keten van Slovenië tot Griekenland, en in Scandinavië en Finland; klein en kwetsbaar zijn de populaties in de Alpen, de Apennijnen, de Pyreneeën en het Cantabrisch Gebergte. De Cantabrische populatie was begin jaren negentig gedaald tot ongeveer zeventig dieren, verdeeld over twee gescheiden kernen aan weerszijden van de Huerna-corridor, in Asturië, León, Cantabrië en Galicië. Sindsdien is ze gegroeid tot naar schatting ongeveer 370 beren; in de westelijke kern worden jaarlijks wijfjes met jongen vastgesteld, sinds kort ook in de oostelijke, en mannetjes trekken tussen beide kernen. In de Pyreneeën was de oorspronkelijke populatie vrijwel uitgestorven; vanaf 1996 is ze aangevuld met beren uit Slovenië (Ziva, Melba, Pyros en latere uitzettingen in 2006 en 2018), en nu leven er ongeveer tachtig tot negentig dieren in Spanje, Frankrijk en Andorra, met een aanhoudend conflict met de extensieve schapenhouderij. Vanuit Trentino en Slovenië bereiken zwervende jonge mannetjes Beieren, Oostenrijk en Zwitserland. In de rest van West-Europa is de soort verdwenen: in de Lage Landen kwam hij in de prehistorie voor en was hij in de Romeinse tijd al zeldzaam; op de Britse Eilanden was hij na de laatste ijstijd wijdverbreid, overleefde hij tot in de Romeinse tijd (Britse beren werden naar de arena's geëxporteerd) en verdween hij door jacht en ontbossing rond de tiende eeuw, in Ierland nog eerder.

  • Inheems
  • Herintroductie
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

In Europa vooral actief in de schemering en 's nachts; dit is aangeleerd gedrag, want waar de soort niet wordt vervolgd, is ze ook overdag actief. Solitair, behalve wijfjes met jongen en tijdelijke groepen bij een rijke voedselbron. De bruine beer is een alleseter die grotendeels van plantaardig voedsel leeft, driekwart tot negen tiende van het dieet: gras en kruiden in het voorjaar, mieren en hun broed in de zomer (een beer eet tienduizenden mieren per dag), en in de nazomer en herfst bosbes, kraaiheide, lijsterbes, beukennootjes, eikels en kastanjes, in Cantabrië ook wilde kers en hazelnoot. Daarnaast aas, insectenlarven, knaagdieren en soms een hertenkalf of een schaap. De winterrust is geen echte winterslaap. Bij een echte winterslaper, zoals marmot, hamster, vleermuizen en hazelmuis, daalt de lichaamstemperatuur tot vlak boven de omgevingstemperatuur, soms tot enkele graden boven nul, en is het dier koud en stijf en pas na uren opwarmen wekbaar. Bij de beer daalt de lichaamstemperatuur slechts drie tot vijf graden, van ongeveer 37 naar ongeveer 33 graden; de hartslag daalt van veertig tot vijftig naar acht tot twintig slagen per minuut en de stofwisseling tot ongeveer een kwart, maar het dier blijft wekbaar en kan binnen een minuut het hol verlaten. Vijf tot zeven maanden lang eet, drinkt, urineert en ontlast het niet: het leeft van vetreserves, hergebruikt het ureum uit zijn eigen afvalstoffen en verliest daarbij nauwelijks spierweefsel. Doordat de lichaamstemperatuur hoog blijft, kan het wijfje tijdens de winterrust jongen werpen. De paartijd valt van mei tot juli, maar de bevruchte eicel nestelt zich pas in het najaar in, en alleen als het wijfje voldoende vet heeft opgebouwd (uitgestelde innesteling). In januari worden in het hol één tot drie jongen geboren van 300 tot 500 gram, blind en vrijwel kaal; ze drinken terwijl de moeder in winterrust is en komen in april naar buiten. Ze blijven anderhalf tot tweeënhalf jaar bij de moeder, zodat een berin slechts eens in de twee tot drie jaar werpt. Daardoor groeien berenpopulaties langzaam en herstellen ze traag.

Waar en wanneer kijken

De meeste waarnemingen worden gedaan vanuit schuilhutten. In Finland en Estland staan in de taiga hutten bij voerplaatsen, waar van juni tot augustus tijdens een korte nacht vrijwel zeker beren te zien zijn; in Slovenië (Notranjska, Kočevje) bieden hoogzitten dezelfde mogelijkheid. Voor waarnemingen te voet is Noord-Spanje het beste gebied in Europa: in Somiedo, Fuentes del Narcea, Degaña en Ibias en het Alto Sil zijn de dalen diep en de hellingen open, zodat de overkant vanaf de weg met een telescoop af te zoeken is. De beste perioden zijn april en mei, als de beren op de nog kale hellingen grazen, en september en oktober, als ze kersen en beukennootjes eten. Ga vroeg, kies een positie aan de tegenoverliggende kant van het dal en zoek de hellingen systematisch af. Veiligheid: maak in berengebied geluid op onoverzichtelijke paden, laat nooit voedsel achter en houd altijd afstand van een wijfje met jongen; dat is de enige situatie waarin een Europese bruine beer werkelijk gevaarlijk is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2017) op wereldschaal. In Europa bestaat de soort uit tien gescheiden populaties, waarvan verscheidene uit enkele tientallen dieren bestaan. De aantallen zijn in het algemeen toegenomen. Bescherming, beëindiging van de premiejacht en de ontvolking van het platteland hebben de aantallen sinds de jaren negentig doen stijgen; de Cantabrische populatie groeide in dertig jaar van ongeveer zeventig tot ongeveer 370 dieren. Bedreigingen zijn illegaal doden, vergif en strikken, aanrijdingen op weg en spoor, versnippering door wegen en skigebieden, gewenning aan afval en bijvoedering (een beer die voedsel van mensen gaat verwachten, kan een probleembeer worden) en het aanhoudende conflict met schapenhouderij en bijenhouderij. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn en geldt daar als prioritaire soort. Een belangrijk aandachtspunt in Europa is of de gescheiden populaties weer met elkaar in verbinding komen.

Wetenschappelijke naam

Ursus arctos | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Ursus is het Latijnse woord voor 'beer'. arctos is het Griekse arktos 'beer'; de naam zegt dus twee keer beer, eerst in het Latijn en dan in het Grieks. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.