Alle soorten › Evenhoevigen › Bruinvissen › Bruinvis

Bruinvis | Phocoena phocoena

Harbour porpoise | Marsopa común

De bruinvis is de kleinste walvisachtige van de Europese zeeën en de enige die in de zuidelijke Noordzee en de Oostzee geregeld voorkomt. Hij leeft boven het continentaal plat, meestal in water van minder dan tweehonderd meter diep, van de Barentszzee en IJsland tot de Golf van Biskaje, met aparte populaties in de Oostzee, de Zwarte Zee en langs de kust van Iberië en Noordwest-Afrika. In de zuidelijke Noordzee was de soort in de jaren zeventig en tachtig nagenoeg verdwenen; sinds het begin van deze eeuw is ze er weer algemeen.

Bruinvis (Phocoena phocoena)
Foto: Kees Torn — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De bruinvis laat op het land geen sporen na; wat de waarnemer heeft is het beeld aan het oppervlak. De adem is vrijwel nooit zichtbaar. Bij kalm weer en dichtbij hoor je hem soms: een korte, scherpe puf, vergelijkbaar met een nies. Het dier komt boven in een soepele, voorover rollende beweging: eerst de kruin, dan de rug met de vin, dan zakt het lichaam weg zonder dat de staart boven komt. Meestal volgen twee tot vier van zulke ademhalingen kort op elkaar, waarna het dier voor een of meer minuten onder water blijft. Springen doet de soort zelden, en een bruinvis zwemt vrijwel nooit mee op de boeggolf van een schip. Groepen zijn klein, meestal een tot drie dieren, bij voedselconcentraties soms tientallen. Het zicht hangt sterk af van de zee: bij windkracht drie of meer, met schuimkoppen, is een bruinvis nauwelijks te ontdekken. Wat verder op het strand gevonden wordt zijn aangespoelde dieren; die gaan in Nederland en België naar de strandingsnetwerken voor onderzoek.

Herkenning

Klein en gedrongen, zonder snavel en zonder voorhoofd: de kop is rond en stomp en de bek loopt schuin omhoog naar het oog. De rug is donker bruingrijs tot zwartbruin, de flanken lichter grijs, de buik wit; tussen mondhoek en borstvin loopt een grijze streep. De rugvin is klein, laag en driehoekig, met een brede basis en een rechte of licht bolle achterrand, en staat midden op de rug. Volwassen dieren zijn 1,35 tot 1,90 m lang; vrouwtjes zijn iets groter dan mannetjes. Aan het oppervlak zie je meestal alleen een donkere rug met het driehoekje erop, die in een korte, rollende beweging boven komt en weer wegzakt.

Gelijkende soorten

In de Noordzee en de Oostzee is de bruinvis de enige kleine walvisachtige die je regelmatig vanaf de kust ziet, en daar is verwarring zeldzaam. Verder naar het westen en noorden kan hij worden verward met dolfijnen. De tuimelaar is twee keer zo lang, heeft een korte, duidelijke snavel en een hoge, sikkelvormige rugvin, en springt geregeld. De witsnuitdolfijn en de gewone dolfijn zijn groter, hebben een snavel en een hogere, gebogen vin, en bewegen snel en onrustig met veel spatwater; bruinvissen doen dat zelden. Een bruinvis die ver weg even bovenkomt kan lijken op een gewone zeehond die zijn kop opsteekt; de vin beslist, want een zeehond heeft er geen. Bij twijfel helpt het ritme: een bruinvis komt enkele keren kort achter elkaar boven en is dan een of meer minuten weg, een zeehond blijft met de kop boven water liggen.

Leefgebied

Ondiep water boven het continentaal plat, meestal minder dan tweehonderd meter diep, met een voorkeur voor gebieden met sterke stroming, zandbanken en fronten waar vis samenkomt. De soort komt dicht onder de kust en in zeegaten, havens en getijdengeulen; in Nederland ook in de Oosterschelde en de Westerschelde. Ze foerageert voor een groot deel bij de bodem, op vis zoals haring, sprot, zandspiering, kabeljauw, wijting en grondels, aangevuld met inktvis en kreeftachtigen. De meeste duiken duren ongeveer een minuut; de diepste gemeten duiken gaan tot ruim tweehonderd meter.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het hele noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan boven het continentaal plat, van de Barentszzee en IJsland tot Frankrijk en het noorden van Spanje. Bij de telling van 2016 werden in de Europese Atlantische wateren ongeveer 467.000 bruinvissen geschat, bij die van 2022 alleen in de Noordzee ongeveer 339.000. In de Noordzee is het zwaartepunt sinds de jaren negentig naar het zuiden verschoven, naar de wateren voor Oost- en Zuidoost-Engeland en de Nederlandse en Belgische kust. Rond de Britse Eilanden liggen concentraties voor Zuidwest-Ierland, West-Wales en West- en Oost-Schotland. In de Deense wateren, het Kattegat en de Belten is de soort algemeen; in de eigenlijke Oostzee leeft een afzonderlijke populatie van naar schatting ongeveer vijfhonderd dieren. In de Zwarte Zee leeft de ondersoort P. p. relicta, die ook in het noorden van de Egeïsche Zee is gemeld. In de Middellandse Zee zelf ontbreekt de bruinvis vrijwel. Langs de Atlantische kust van Portugal en Noordwest-Spanje leeft een kleine populatie die genetisch van de noordelijke verschilt. In Nederland is de soort het hele jaar aanwezig, met de meeste waarnemingen van december tot april.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dag en nacht actief; de soort foerageert zowel overdag als 's nachts. Meestal alleen of in kleine groepjes van twee of drie, zonder vaste groepsverbanden. De paartijd valt in de zomer; na een draagtijd van ongeveer elf maanden wordt het jong geboren tussen mei en begin augustus, met een piek eind juni. Het pasgeboren jong is 70 tot 80 cm lang en weegt ongeveer vijf kilo. Het wordt tot ongeveer acht maanden gezoogd en eet na vier maanden ook vast voedsel. Vrouwtjes zijn geslachtsrijp na drie tot zes jaar en krijgen meestal om het jaar een jong. De gemiddelde levensduur is acht tot dertien jaar; een enkel dier wordt twintig of ouder. Bruinvissen worden gedood door tuimelaars, en in de zuidelijke Noordzee is vastgesteld dat ook grijze zeehonden ze aanvallen.

Waar en wanneer kijken

Kijk bij kalm weer, windkracht twee of minder, en met de zon in de rug. In Nederland zijn de zeepieren van IJmuiden, Scheveningen en Katwijk bekende plekken, en in de Oosterschelde worden ze vanaf de dijken en de Zeelandbrug gezien; de beste maanden zijn december tot april. Zoek met een verrekijker het water af op een donkere rug die kort boven komt, en blijf daarna op dezelfde plek kijken: het dier komt vaak een paar keer achter elkaar boven. Rond de Britse Eilanden zijn West-Wales, de oostkust van Schotland en de Shetlandeilanden geschikt, in Denemarken de Belten en de Kleine Belt. Vanaf een veerboot is de soort lastig te zien omdat hij voor het schip wegduikt; vanaf de kant, met geduld, gaat het beter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2020). Deelpopulaties staan er slechter voor: die van de eigenlijke Oostzee geldt als ernstig bedreigd (CR), de ondersoort van de Zwarte Zee als bedreigd (EN). In Nederland stond de soort in 1994 als ernstig bedreigd op de Rode Lijst, in 2009 als kwetsbaar, en sinds 2020 als niet bedreigd. De voornaamste bedreigingen zijn bijvangst in staande netten, onderwatergeluid van heiwerk, seismisch onderzoek en scheepvaart, waarvoor de soort door haar gehoor gevoelig is, en vervuiling met pcb's en zware metalen. De bruinvis is beschermd onder de Habitatrichtlijn en de Conventie van Bern, en valt onder het verdrag ASCOBANS voor de kleine walvisachtigen van de Oostzee, de Noordoost-Atlantische Oceaan, de Ierse Zee en de Noordzee.

Wetenschappelijke naam

Phocoena phocoena | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Delphinus Phocoena; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Phocoena is het Griekse phōkaina, de naam voor de bruinvis, afgeleid van phōkē 'zeehond'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Oostzee.