Alle soorten › Evenhoevigen › Potvissen › Potvis
Potvis | Physeter macrocephalus
Sperm whale | Cachalote
De potvis is een tandwalvis van de diepe oceaan, met een grote, blokvormige kop en een adem die schuin naar voren en naar links spuit. Mannetjes worden tot ruim negentien meter lang, vrouwtjes tot 12,5 meter. De soort jaagt op diepzee-inktvissen en duikt daarvoor meestal een half uur tot een uur, tot honderden meters diep. Vrouwtjes en jongen leven in warmere wateren, zoals rond de Azoren en in de Middellandse Zee; in het noorden van het gidsgebied, zoals bij Andenes in Noorwegen, komen alleen mannetjes.
Sporen
De adem is laag en bossig, anderhalf tot vijf meter hoog, en spuit schuin naar voren en naar links; bij windstil weer is dat op grote afstand te zien. Tussen twee duiken ligt het dier enkele minuten vrijwel stil aan het oppervlak ('logging'), met alleen de kop en de rug boven water, en ademt regelmatig. Voor de volgende duik kromt het de rug, zodat de bult en de knobbels achter elkaar boven komen, en licht het de brede, driehoekige staartvin hoog uit het water. Een duik duurt meestal 25 tot 50 minuten en gaat tot 400 à 600 meter diepte; duiken tot 3.200 meter en tot twee uur zijn vastgesteld. Vrouwtjes en jongen leven in familiegroepen van ongeveer tien volwassen vrouwtjes met hun jongen; volwassen mannetjes zijn in het noorden meestal alleen. Met een hydrofoon zijn de klikgeluiden te horen waarmee potvissen onder water hun prooi zoeken en contact houden; walvisboten gebruiken die om de dieren te vinden.
Herkenning
Een donkere, grijsbruine walvis met een enorme, rechthoekige kop, die van opzij als een blok eindigt en tot een derde van de lichaamslengte kan beslaan. De huid achter de kop is gerimpeld, als een gekreukt vel. Er is geen echte rugvin: op ongeveer twee derde van de rug zit een lage, dikke, afgeronde bult, gevolgd door een rij kleinere knobbels naar de staart. Het enkele spuitgat ligt links voor op de kop. De onderkaak is smal en staat onder de kop; hij draagt tanden, de bovenkaak niet. De staartvin is breed, driehoekig en diep ingesneden, met een rechte achterrand en een donkere onderkant. Mannetjes worden tot 19,2 meter lang, vrouwtjes tot 12,5 meter.
Gelijkende soorten
Aan de adem alleen is de potvis al te herkennen: schuin naar voren en naar links gericht, terwijl de adem van alle andere grote walvissen van het gidsgebied recht omhoog gaat. De bultrug licht ook de staart voor een diepe duik, maar die staart heeft een gegolfde achterrand en een witte of zwart-witte onderkant, en de bultrug heeft lange witte borstvinnen en een vin op een bult. De grote vinvissen hebben een gladde, gestroomlijnde rug met een duidelijke rugvin en tonen de staart bij het duiken zelden. Een potvis die stil aan het oppervlak ligt, kan op grote afstand op een drijvende boomstam lijken.
Leefgebied
Diep water, vooral voorbij het continentaal plat, langs de helling daarvan en boven onderzeese canyons en troggen, meestal waar de zee dieper is dan duizend meter. Het voedsel bestaat vooral uit diepzee-inktvissen van uiteenlopende soorten, aangevuld met vis. Waar een diepe canyon dicht onder de kust ligt, zoals de Bleikcanyon (Bleiksdjupet) bij Andenes of de canyons van de Golf van Biskaje, komt de soort dicht bij het land.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Wereldwijd in de diepe oceanen. In het gidsgebied vooral voorbij het continentaal plat, langs de Midden-Atlantische Rug en rond de oceanische eilanden: bij de Azoren en Madeira leven familiegroepen het hele jaar. Mannetjes trekken naar het noorden, tot voorbij Noorwegen; bij Andenes in de Vesterålen worden ze het hele jaar in de Bleikcanyon (Bleiksdjupet) gezien. Verder in de Faeröer-Shetlandgeul, de Rockalltrog en langs de rand van het plat ten westen van Ierland, en in de diepe canyons van de Golf van Biskaje. In de Middellandse Zee leeft een aparte deelpopulatie, met concentraties in de Helleense Trog voor de Griekse kust, rond de Balearen, in de Ligurische en de Tyrreense Zee en in de Straat van Gibraltar. In de ondiepe Noordzee hoort de soort niet thuis; daar komen mannetjes terecht die op weg naar of van het noorden verdwalen, en die stranden meestal tussen november en maart.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dag en nacht actief; de dieren jagen in het donker van de diepzee en rusten tussen de jachtduiken aan het oppervlak, soms verticaal hangend. Vrouwtjes blijven hun leven lang in een familiegroep en passen samen op de jongen, die bij het oppervlak blijven terwijl de moeders duiken. Jonge mannetjes verlaten de groep, vormen eerst groepjes van leeftijdsgenoten en trekken naarmate ze ouder worden steeds verder naar het noorden; volwassen mannetjes keren voor de paring terug naar de warmere wateren van de vrouwtjes. De draagtijd is veertien tot zestien maanden en een vrouwtje krijgt eens in de drie tot vijftien jaar een jong. Een pasgeboren jong is 3,5 tot 4,5 meter lang en weegt ongeveer duizend kilo.
Waar en wanneer kijken
Vanuit Andenes in de Vesterålen varen het hele jaar boten naar de Bleikcanyon, waar op korte afstand van de kust mannetjes foerageren; de meeste tochten zijn in de zomer. Op de Azoren (vooral vanuit Lajes do Pico en Ponta Delgada) en op Madeira zijn vrouwtjes met jongen te zien. In de Middellandse Zee is de kans het grootst in de Straat van Gibraltar vanuit Tarifa, in de Ligurische Zee en in de Griekse wateren van de Helleense Trog. Zoek bij kalme zee naar een lage, schuine adem en een donkere, bewegingsloze rug aan het oppervlak; een dier dat de staart licht is voor een half uur of langer verdwenen.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2019). De potvis werd eeuwenlang bejaagd om de olie en de walschot uit de kop en is sinds het moratorium op de commerciële walvisvangst van de jaren tachtig beschermd. De deelpopulatie van de Middellandse Zee staat als bedreigd (EN) op de Rode Lijst en telt naar schatting 250 tot 2.500 volwassen dieren; bedreigingen zijn daar illegale drijfnetten, aanvaringen met schepen en onderwatergeluid. In januari en februari 2016 strandden ongeveer dertig potvissen, allemaal jonge mannetjes, langs de Noordzeekust; in de magen van een deel ervan werden grote hoeveelheden zwerfafval gevonden, waaronder netresten en plastic. De soort staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder ACCOBAMS en ASCOBANS.
Wetenschappelijke naam
Physeter macrocephalus | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Physeter is het Griekse physētēr 'blaaspijp, blaasgat van een walvis', van physaō 'blazen'. macrocephalus is gelatiniseerd Grieks makrokephalos, van makros 'groot' en kephalē 'kop': grootkop.
