Alle soorten › Roofdieren › Marterachtigen › Bunzing
Bunzing | Mustela putorius
European polecat | Turón
De bunzing is een middelgrote marterachtige van waterrijk, halfopen landschap in het grootste deel van Europa ten westen van de Oeral en in Marokko. In grote delen van zijn areaal eet hij vooral kikkers en padden. Hij geldt als de wilde voorouder van de fret, en kruisingen met verwilderde fretten komen voor.
Sporen
De prent is 25 tot 35 mm breed en 25 tot 32 mm lang; de voorvoet is iets kleiner dan de achtervoet. De prenten liggen in groepjes van twee, drie of vier, het patroon van de springende gang van marterachtigen. De nagels van de voorvoet zijn ongeveer twee keer zo lang als die van een nerts; dat kenmerk, samen met de vorm van het zoolkussen, scheidt de prent van die van de nertsen. De keutel is 5 tot 10 cm lang en 5 tot 9 mm dik, cilindrisch en gedraaid, vers zwart of donkerbruin en later doffer. Keutels liggen langs bospaden, bij holen en op latrines. In de sneeuw zijn sporen te volgen: in natte bossen bleef de bunzing dicht bij waterlopen op zoek naar kikkers, in drogere bossen groef hij naar knaagdieren. Rustplaatsen liggen in takkenhopen, schuren en stallen, tuinschuurtjes en rattenholen, en in holen van andere dieren.
Herkenning
Een slanke, laaggebouwde marterachtige met korte poten en een middellange staart. De bovenvacht is donkerbruin tot zwart, met een gele tot lichtbruine ondervacht die er op de flanken doorheen schemert. De kop draagt een masker: het gebied tussen oog en oor en rond de mond is zilverwit, en de oren hebben een witte rand. Mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes en kunnen twee keer zo zwaar zijn: in Nederland wegen mannetjes 500 tot 1800 g en vrouwtjes 300 tot 900 g.
Gelijkende soorten
De Amerikaanse nerts en de Europese nerts zijn egaler van kleur en missen de doorschijnende lichte ondervacht en het masker; jonge bunzingen zijn het lastigst. De fret, de gedomesticeerde vorm, en kruisingen tussen fret en bunzing zijn in het veld niet altijd van een bunzing te scheiden. De steppebunzing in Midden- en Oost-Europa is lichter, geelbruin tot grijs op de rug met donkere poten en borst. Steenmarter en boommarter hebben een lange, ruige staart en een lichte keelvlek.
Leefgebied
Waterrijk, halfopen landschap met voldoende dekking: houtwallen, bosranden, sloten met overhangende begroeiing en struweel. De soort komt minder voor in gesloten bos en leeft ook in dorpen en buitenwijken, maar mijdt dichte stedelijke bebouwing. Gebouwen zijn vooral bij streng winterweer belangrijk als rustplaats.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het grootste deel van Europa ten westen van de Oeral, en Marokko. De soort ontbreekt in het grootste deel van Noorwegen en Zweden, in het noorden van Finland, in Griekenland en op de eilanden van de Middellandse Zee. Zij komt voor in Groot-Brittannië. In Nederland is zij over het hele land verspreid, behalve op de Waddeneilanden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral 's nachts actief; in Luxemburg waren gezenderde bunzingen voor 62% van de nacht actief. Mannetjes zijn actiever dan vrouwtjes. In Midden-Italië waren mannetjes regelmatig 's nachts actief, vooral tussen 20.00 en 06.00 uur, en vrouwtjes vaker overdag en in de schemering. In Nederland wordt de bunzing overdag vooral van juni tot september gezien, wanneer vrouwtjes jongen hebben. Het voedsel bestaat uit amfibieën, kleine zoogdieren, vogels, vis, eieren en aas. In Zwitserland waren kikkers en padden (vooral bruine kikker en gewone pad) het hoofdvoedsel; in Polen maakten ze 70 tot 98% van de biomassa in 222 keutels uit; in Denemarken zaten bij 87% van 47 onderzochte magen amfibieën. Leefgebieden meten in Luxemburg 42 tot 428 ha, gemiddeld 246 ha bij mannetjes en 84 ha bij vrouwtjes. De paartijd valt van maart tot mei; na ongeveer zes weken worden meestal 3 tot 7, soms tot 12 jongen geboren, die na een maand worden gespeend en na drie maanden zelfstandig zijn.
Waar en wanneer kijken
De bunzing wordt het vaakst gezien als verkeersslachtoffer of 's nachts in de koplampen op een landweg. Tussen juni en september is de kans op een waarneming overdag het grootst. Zoek in natte weiden en langs sloten, waar de soort op kikkers en padden jaagt. Een cameraval bij een takkenhoop of een schuur geeft goede kansen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). In West-Europa is de bunzing lang bejaagd om zijn pels en als schadedier vervolgd; die druk is afgenomen, en in een aantal landen is hij beschermd. In Rusland en Marokko wordt hij nog algemeen bejaagd. Belangrijke doodsoorzaken en bedreigingen zijn het verkeer, doorvergiftiging met rattengif, verdrinking in muskusrattenvallen, verlies van leefgebied en illegale vervolging. Kruising met de fret geldt in Groot-Brittannië als mogelijke bedreiging, en concurrentie met de Amerikaanse nerts mogelijk ook.
Wetenschappelijke naam
Mustela putorius | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Mustela is het Latijnse woord voor 'wezel'. De verdere herkomst is onzeker: meestal wordt het gelezen als een verkleinvorm bij mus 'muis', naar het formaat van het dier of naar zijn jacht op muizen. putorius is middeleeuws Latijn voor 'stinkend', bij putor 'stank' en putere 'stinken', naar de scherpe afscheiding van de anaalklieren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.






