Alle soorten › Evenhoevigen › Hertachtigen › Eland

Eland | Alces alces

Elk | Alce

De eland (Alces alces) is het grootste hert ter wereld en leeft in de boreale en gematigde bossen van Noord- en Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika, waar hij moose heet. In Europa komt hij voor in Scandinavië, Finland, de Baltische staten, Polen, Wit-Rusland en Rusland. Vanuit Polen vestigt de soort zich opnieuw in Oost-Duitsland en Tsjechië, waar ze eeuwenlang ontbrak.

Eland (Alces alces)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het slot is het grootste van alle Europese hertachtigen. De hoefhelften spreiden onder het gewicht, en in zachte grond en sneeuw drukken de bijklauwen af; dat vergroot het draagvlak en beperkt het wegzakken. De keutels zijn in de winter grote, ovale, vezelige keutels van houtig voedsel, in de zomer zachter en soms samengeklonterd. Andere sporen zijn afgebroken en afgebeten toppen en twijgen van jonge dennen, wilgen, berken en espen, en van stammen geschilde bast.

Herkenning

Een zeer groot, hooggebeend hert van 240 tot 310 cm kop-romplengte en 170 tot 210 cm schouderhoogte; stieren wegen ongeveer 320 tot 475 kg, koeien 275 tot 375 kg. De staart is met 5 tot 12 cm kort. De vacht is donkerbruin tot zwartachtig, de lange poten zijn lichter grijs. De schoft is hoger dan het kruis. De kop is lang, met een brede, overhangende bovenlip, en beide seksen hebben onder de keel een huidlap, de bel. Alleen de stier draagt een gewei: in Noord-Europa meestal schopvormig, met een brede schoep met enden aan de rand; in het zuiden van het areaal komen vaker stangen zonder schoep voor, met alleen enden. Kalveren zijn roodbruin en ongevlekt.

Gelijkende soorten

Het edelhert is kleiner, roodbruin tot grijsbruin, met een lichte spiegel, een kortere kop zonder overhangende lip en een rond, vertakt gewei. De wisent in Polen en Wit-Rusland is een rund met hoorns, een zware kop die laag wordt gedragen, een hoge bult boven de schouders en korte poten. In de schemering en op afstand kan een eland voor een paard of een rund worden aangezien; de hoge schoft, de lange poten en de lange kop beslissen.

Leefgebied

Boreaal en gemengd bos met moerassen, veenmoerassen, meren en rivierdalen met wilgenstruweel, en kapvlakten met jonge opslag. In de zomer foerageert de eland ook in ondiep water. In Polen leeft een grote populatie in de moerassen van het Biebrza-dal.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In Europa: Noorwegen (rond 2009 ongeveer 120.000 dieren), Zweden (300.000 tot 400.000), Finland (rond 2009 ongeveer 115.000), Letland, Estland, Litouwen, Wit-Rusland, Polen (ongeveer 28.000, onder meer in het Biebrza-dal, Kampinos en het Woud van Białowieża) en het Europese deel van Rusland, met een Russische stand van ongeveer 600.000 in 2007. Vanuit Polen trekken elanden naar Oost-Duitsland en Tsjechië, waar zich opnieuw populaties vestigen. In West-Europa ontbreekt de soort; zwervende jonge dieren duiken soms ver buiten het areaal op.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De eland is overdag en in de schemering actief en leeft buiten de bronst meestal alleen of als koe met kalf. Hij is een knabbelaar: in de zomer kruiden, bladeren en scheuten van wilg en berk en waterplanten zoals waterlelies en fonteinkruid, die natrium leveren; in de winter twijgen, bast en naalden, vooral van den. Hooi kan hij niet verteren. De bronst valt in september en oktober. Na een dracht van ongeveer acht maanden worden in mei of juni één of twee kalveren geboren; bij goede voedselomstandigheden is 30 tot 40 procent van de worpen een tweeling.

Waar en wanneer kijken

Elanden zijn het best te zien in Zweden, Finland en Noorwegen in de vroege ochtend en de avond, aan de rand van kapvlakten, veenmoerassen en meren, vaak ook langs wegen. In Polen is het nationaal park Biebrza in het voorjaar geschikt, wanneer de moerassen onder water staan en de dieren op de hogere delen staan. Rijd in elandgebied langzaam in de schemering en houd afstand van koeien met kalveren en van stieren in de bronst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De eland is in Scandinavië en Finland talrijk en wordt daar intensief bejaagd: in Zweden worden jaarlijks 100.000 tot 150.000 dieren geschoten. Aanrijdingen met auto's en treinen zijn een belangrijke doodsoorzaak; in Noorwegen doodden treinen sinds 2000 ongeveer 13.000 elanden, en in Zweden worden wegen afgerasterd waar aanrijdingen vaak voorkomen. In Midden-Europa is de soort na eeuwen afwezigheid bezig terug te keren, en de wolf is er opnieuw een natuurlijke vijand.

Wetenschappelijke naam

Alces alces | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cervus Alces; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Alces is het Latijnse woord voor 'eland'; Caesar en Plinius namen het over uit een Germaanse taal. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.