Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Euraziatische rode eekhoorn

Euraziatische rode eekhoorn | Sciurus vulgaris

Eurasian Red Squirrel | Ardilla Roja

De eekhoorn (Sciurus vulgaris) is een dagactief boomknaagdier van bossen, parken en tuinen met grote bomen, verspreid van Ierland en het Iberisch Schiereiland tot Kamtsjatka. De soort is weinig schuw en wordt meestal opgemerkt door beweging langs stammen en door de kroon, zelden door geluid. Waar het dier zelf niet wordt gezien, zijn de eetsporen bruikbaar: aangevreten kegels en geopende noten zijn te onderscheiden van die van muizen en spechten.

Euraziatische rode eekhoorn (Sciurus vulgaris)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Aan de eetsporen is de soort te herkennen zonder dat het dier zelf wordt gezien; de aangevreten dennen- of sparrenkegel is het duidelijkste voorbeeld. De eekhoorn houdt de kegel in de voorpoten, draait hem rond en bijt de schubben van de voet naar de top af tot op de spil. Er blijft een kale, wat ruwe spil over met korte, afgebeten schubvoeten en bijna altijd drie tot vijf onaangetaste schubben aan de top. De afgeknaagde schubben liggen eromheen, gespleten en met rafelige randen. Liggen zulke kegels bij tientallen bij elkaar op een boomstronk, een dikke zijtak, een omgevallen stam of een steen, dan gaat het om een eettafel, die jarenlang wordt gebruikt. Bij een muizenkegel, van bosmuis of rosse woelmuis, zijn de schubben netter afgeknaagd: de spil is glad en dun, zonder schubvoeten en zonder toefje aan de top, en de kegel ligt op de grond onder dekking in plaats van op een verhoging. Bij een spechtensmidse klemt de grote bonte specht de kegel in een spleet in de bast en hakt hem van boven open; de schubben zijn opengewrikt en uitgerafeld maar niet afgeknaagd, en de kegel houdt zijn vorm. Onder zo'n smidse liggen na een winter honderden kegels aan de voet van dezelfde boom. Ook noten worden verschillend geopend: de eekhoorn splijt een hazelnoot in twee helften of bijt er een groot, rafelig gat in, de bosmuis knaagt een rond gat met een gladde rand en duidelijke tandgroeven dwars over die rand, en een specht hakt een onregelmatig gat in een vastgeklemde noot. Het nest (de nestbol) is een bolvormig bouwsel van 25 tot 30 cm doorsnede van takjes met blad, gevoerd met mos en gerafelde bast, tegen de stam of in een vork op ten minste zes meter hoogte, en aan de onderkant gesloten; een eksternest is losser, groter en heeft een dak van doornige takken. Verder: geschilde bast van jonge sparren en dennen in de kroon, waar het dier het sap eet, en in de sneeuw het sprongspoor van vier prenten in een groepje, met de vijftenige achtervoeten naast elkaar vóór de kleinere viertenige voorvoeten.

Euraziatische rode eekhoorn, vraatplaats op een zwerfkei: een hoop afgeknaagde kegelschubben met een paar kaalgeknaagde spillen ertussen, kõrvemaa (estland)
Vraatplaats op een zwerfkei: een hoop afgeknaagde kegelschubben met een paar kaalgeknaagde spillen ertussen, Kõrvemaa (Estland) · Foto: Sillerkiil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Euraziatische rode eekhoorn, kegels van de eekhoorn: de schubben zijn tot op de spil afgebeten en aan de top staat het kwastje schubben nog overeind
Kegels van de eekhoorn: de schubben zijn tot op de spil afgebeten en aan de top staat het kwastje schubben nog overeind · Foto: Natalka Ukraine — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Euraziatische rode eekhoorn, in het caledonische grovedennenbos van abernethy, schotland — het bolwerk van de soort in groot-brittannië
In het Caledonische grovedennenbos van Abernethy, Schotland — het bolwerk van de soort in Groot-Brittannië · Foto: Peter Trimming — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Euraziatische rode eekhoorn, kop van dichtbij in november: de lange oorpluimen van de wintervacht, de lichte wangen en de lange snorharen
Kop van dichtbij in november: de lange oorpluimen van de wintervacht, de lichte wangen en de lange snorharen · Foto: Jakub Hałun — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

In wintervacht

Euraziatische rode eekhoorn, wintervacht bij alverstone, isle of wight: bij de britse ondersoort (s. v. leucourus) verbleekt de staart vaak tot wit
Wintervacht bij Alverstone, Isle of Wight: bij de Britse ondersoort (S. v. leucourus) verbleekt de staart vaak tot wit · Foto: Peter Trimming — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slank boomknaagdier, kop-romp 19 tot 23 cm, met een pluimstaart van 15 tot 20 cm, bijna zo lang als het lichaam, en 250 tot 340 gram zwaar. De kleur varieert sterk: roodbruin in West-Europa, grijsbruin, donkerbruin tot vrijwel zwart in de bergen en in het noorden; de staart kan bij hetzelfde dier veel bleker zijn dan de rug en verbleekt in de zomer vaak tot roomwit. De buik is altijd wit en scherp begrensd. In de winter heeft de eekhoorn lange oorpluimen, die bij de zomerrui verdwijnen, en dichtere, grijzere flanken; de rui vindt tweemaal per jaar plaats, maar staart en oorpluimen worden alleen in de nazomer vernieuwd. Hij zit rechtop met de staart over de rug gebogen en houdt het voedsel in de voorpoten. De voorpoot heeft vier lange vingers en een stompe duimknobbel, de achtervoet vijf tenen; de achtervoeten kunnen ver naar achteren worden gedraaid, waardoor het dier met de kop omlaag een stam kan afdalen.

Gelijkende soorten

Op het Europese vasteland is er in het bos geen soort waarmee de eekhoorn te verwarren is: een roodbruin dier met een pluimstaart dat overdag door de boomkronen beweegt, is een eekhoorn. In Groot-Brittannië, Ierland en Noord-Italië komt daarnaast de ingevoerde grijze eekhoorn voor: die is groter en zwaarder, grijs met een roestbruine waas op flank en kop, heeft een grijze staart met een witte zoom en heeft nooit oorpluimen. Dat laatste is in de winter het snelste kenmerk; in de zomer zijn formaat en staartkleur beslissend. Veel eekhoorns zijn zelf grijsbruin, zodat kleur alleen geen uitsluitsel geeft. De Siberische grondeekhoorn, verwilderd in enkele bossen in België, Nederland en Frankrijk, is veel kleiner, heeft vijf donkere lengtestrepen over de rug en leeft vooral op de grond. De slaapmuizen eikelmuis en relmuis klimmen ook, maar zijn nachtactief, veel kleiner en hebben een zwart masker of een gladde grijze staart.

Leefgebied

Bos van allerlei typen, mits met kroonsluiting en zaaddragende bomen: bij voorkeur oud naaldbos van fijnspar en grove den, waar de kegels het hele jaar voedsel leveren, verder gemengd bos, beukenbos en eikenbos, en in Zuid-Europa ook bossen van zwarte den en andere pijnbomen, aanplant van dennen en steeneikenbos. Ook kleine bosjes, lanen, begraafplaatsen, parken en tuinen met grote bomen, tot in stadscentra. De soort is afhankelijk van samenhangend bos: open terrein wordt weinig overgestoken, en een bos dat door een weg of kaalslag is doorsneden, herbergt minder eekhoorns dan op grond van de oppervlakte te verwachten is.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Aaneengesloten van Ierland en het Iberisch Schiereiland tot Kamtsjatka en van Lapland tot Zuid-Italië; de eekhoorn is een van de weinige Europese zoogdieren met een vrijwel onafgebroken verspreiding over het hele continent. Hij komt voor van zeeniveau tot de boomgrens, onder meer in de Pyreneeën en de Sierra Nevada. Op het Iberisch Schiereiland heeft de soort zich in de twintigste eeuw uitgebreid met de grootschalige aanplant van dennen en ontbreekt ze alleen in de boomloze delen van het Ebrodal en het droge zuidoosten; de zuidelijke populaties zijn opvallend donker, en genetisch onderzoek onderzoekt of de vorm van het zuidoosten een eigen taxonomische status verdient. Op de Balearen en de Canarische Eilanden ontbreekt de eekhoorn; op Fuerteventura leeft de Barbarijse grondeekhoorn, een Afrikaanse soort die in 1965 is ingevoerd en zich invasief heeft uitgebreid. In Groot-Brittannië is de soort sterk teruggedrongen tot naar schatting 160.000 dieren, waarvan ongeveer 120.000 in Schotland; de overige populaties liggen in Northumberland en Cumbria, op Anglesey, bij Formby, op Brownsea Island en het Isle of Wight, en in een aantal beheerde reservaten. In Ierland is de verspreiding ruimer en neemt de soort in de laatste twee decennia weer toe in de Midlands. In Nederland is de eekhoorn vooral een soort van de zandgronden (Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Drenthe, Twente, Noord-Brabant, Limburg) en in toenemende mate van stadsparken, begraafplaatsen en oudere woonwijken in het westen; na een sterke afname in de negentiende eeuw door houtkap en vervolging herstelde hij met de herbebossing van de twintigste eeuw. In België is hij algemeen in de Kempen, de bosgordels rond Brussel en Antwerpen en de Ardennen. Verder is de soort algemeen in Duitsland, de Alpen en Scandinavië. Op het vasteland komt geen grijze eekhoorn voor, behalve in Noord-Italië.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dagactief, met een piek kort na zonsopgang en een tweede in de late namiddag; in de winter gaan die over in één activiteitsperiode rond het middaguur. De soort houdt geen winterslaap maar winterrust: bij storm, regen of strenge vorst blijft het dier dagenlang opgerold in de nestbol, en tussendoor komt het naar buiten om te eten. De wintervoorraad ligt verspreid: honderden noten en zaden worden elk afzonderlijk enkele centimeters diep in de bodem of in een schorsspleet verstopt en op geur en plaatsgeheugen teruggevonden. Wat niet wordt teruggevonden kan kiemen; zo draagt de eekhoorn bij aan de verspreiding van bomen. Het voedsel bestaat uit zaden van naaldbomen, hazelnoten, eikels, beukennootjes, schimmels, knoppen, bast en af en toe een ei of een nestjong. Er zijn twee worpen per jaar, in februari-maart en mei-juni, na een draagtijd van 38 tot 39 dagen; drie tot vijf jongen worden naakt en blind geboren, openen na ongeveer vier weken de ogen en zijn na acht tot tien weken zelfstandig. Elk dier gebruikt meerdere nestbollen en verhuist bij verstoring of een hoge vlooienlast. De eekhoorn is niet territoriaal; zijn leefgebied overlapt met dat van andere dieren. De alarmroep is een schor, ratelend tsjuk-tsjuk-tsjuk, begeleid door schokkende staartbewegingen.

Waar en wanneer kijken

Sta de eerste twee uur na zonsopgang stil in een oud naaldbos en luister: het geluid van vallende kegelschubben in de strooisellaag wijst vaak eerder op een etende eekhoorn in de kroon dan het dier zelf zichtbaar is. Eettafels en kegelhopen geven daarna aan waar het dier 's ochtends eet. Februari en maart zijn de beste maanden: de bomen zijn kaal, in de paartijd jagen de dieren elkaar spiraalsgewijs de stammen op, en de oorpluimen zijn op hun langst. In de winter zijn de vorken van oude bomen de plek om naar nesten te zoeken: een bol van takjes met blad, aan de onderkant gesloten, is van een eekhoorn. In stadsparken laten eekhoorns mensen dicht naderen. In Groot-Brittannië bieden reservaten met voederplaatsen (Formby, Brownsea, Kielder, Anglesey) een grote kans op een waarneming; elders levert geduld bij een bekende nestbol hetzelfde op. Brood en pinda's maken eekhoorns ziek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016); over Eurazië als geheel is de soort niet in gevaar. In Groot-Brittannië en Ierland is de eekhoorn sinds de invoer van de Noord-Amerikaanse grijze eekhoorn rond 1876 grotendeels verdrongen. De grijze eekhoorn is een sterkere voedselconcurrent, onder meer doordat hij onrijpe eikels kan verteren en de eekhoorn niet, en draagt het eekhoornpokkenvirus, waar hij zelf niet ziek van wordt maar waaraan de eekhoorn sterft; bij Formby stierf bij één uitbraak tachtig procent van de dieren. Bescherming berust op bestrijding van de grijze eekhoorn, op reservaten van naaldbos waar de grijze eekhoorn minder goed gedijt, en op projecten op landschapsschaal in de Scottish Borders en Northumberland. In Ierland neemt de grijze eekhoorn af waar de boommarter terugkeert, en neemt de eekhoorn toe; de grijze eekhoorn is zwaarder, trager en meer op de grond actief en wordt daardoor vaker gevangen. In Noord-Italië, waar de grijze eekhoorn in 1948 in Piëmont werd uitgezet, breidt hij zich verder uit; er wordt rekening gehouden met uitbreiding via de Povlakte naar de Alpen en het overige vasteland. Het Europese invoerverbod voor invasieve soorten houdt de grijze eekhoorn buiten de overige landen; het buiten houden van deze soort is de belangrijkste beschermingsmaatregel voor de eekhoorn op het vasteland. Verder zijn de bedreigingen op het vasteland verkeer, het verdwijnen van oude zaaddragende bomen en versnippering van bos.

Wetenschappelijke naam

Sciurus vulgaris | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sciurus is het Latijnse woord voor 'eekhoorn', uit het Griekse skiouros, van skia 'schaduw' en oura 'staart': het dier dat zich met zijn staart beschaduwt. vulgaris is Latijn voor 'gewoon, algemeen'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.