Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Sciurus meridionalis

Sciurus meridionalis | Sciurus meridionalis

Calabrian Black Squirrel | Sciurus meridionalis

Sciurus meridionalis is een eekhoorn van de bergbossen van Calabrië en Basilicata; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Tot 2017 gold de zwarte eekhoorn van Calabrië als een zuidelijke vorm van de gewone eekhoorn; sindsdien wordt hij als aparte soort behandeld. Het areaal omvat drie bergmassieven. De soort is groter en zwaarder dan de gewone eekhoorn en heeft een zwarte bovenzijde en een witte buik.

Sciurus meridionalis (Sciurus meridionalis)
Foto: Gianluca Congi — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen zijn die van andere eekhoorns en zijn in de bossen van de Sila goed te vinden. Het duidelijkste spoor is de aangevreten kegel van de Calabrische den: het dier houdt de kegel in de voorpoten, draait hem rond en bijt de schubben van onder naar boven af tot op de spil. Er blijft een kale spil over met korte afgebeten schubvoeten en meestal een pluk onaangeroerde schubben aan de top. Tientallen van zulke spillen op een stronk, een rotsblok of een dikke zijtak markeren een vaste eetplaats die jarenlang wordt gebruikt. Bij een spechtensmidse is het beeld anders: de grote bonte specht klemt de kegel in een bastspleet en hakt hem van boven open, zodat de schubben opengewrikt maar niet afgeknaagd zijn en de kegel zijn vorm houdt. In beuken- en kastanjebos liggen in tweeën gebroken beukennoten en kastanjes, en er zijn ondiepe voorraadkuiltjes in de strooisellaag. Het bolnest is een bal van takken, bast en mos ter grootte van een voetbal, hoog in een dennenkroon tegen de stam, met een zijingang; in oude bossen wordt ook in boomholten genesteld. De prent in modder of sneeuw toont vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet, met bij het springen de achtervoet vóór de voorvoet. Geen van deze sporen onderscheidt de soort van de gewone eekhoorn; alleen het areaal doet dat.

In zijn leefgebied

Sciurus meridionalis, in de kroon van een loofboom in het nationaal park pollino, basilicata, in de herfst
In de kroon van een loofboom in het Nationaal Park Pollino, Basilicata, in de herfst · Foto: Jan Vršovský — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote eekhoorn, in maten vergelijkbaar met de gewone eekhoorn maar gemiddeld ongeveer een derde zwaarder: levend gevangen gewone eekhoorns in Noord-Italië wegen gemiddeld rond 320 gram, deze soort gemiddeld meer dan 430 gram, met individuen tot 530 gram. Ook de achtervoet is langer. Het kenmerk is de vacht: zeer donkerbruin tot zwart op rug, kop, hals, flanken, poten en staart, in de wintervacht met een diepzwarte glans over de hele bovenzijde, en een scherp afgegrensde, zuiver witte buik. Voetzolen, zoolkussens en klauwen zijn eveneens zwart. De gewone eekhoorn varieert van rood tot zwart en komt binnen één bos in veel tinten voor; deze soort is eenvormig gekleurd. In de winter draagt ze oorpluimen, in de zomer niet.

Gelijkende soorten

Van de gewone eekhoorn is de soort in het veld niet met zekerheid te onderscheiden. De scheiding berust op genetica en areaal, niet op een uitwendig kenmerk. Zwarte eekhoorns met een witte buik komen ook bij de gewone eekhoorn voor, in de Alpen, de noordelijke Apennijnen en delen van Midden-Europa, en een afzonderlijk dier is op een foto niet van deze soort te onderscheiden. De vindplaats is bepalend: binnen Calabrië en Basilicata is elke eekhoorn Sciurus meridionalis, en ten noorden van de meer dan honderd kilometer brede zone zonder eekhoorns die beide arealen scheidt, is elke eekhoorn Sciurus vulgaris. Een zwakke aanwijzing is de eenvormigheid: een groep dieren die allemaal even zwart zijn met dezelfde witte buik wijst op deze soort, terwijl een populatie gewone eekhoorns vrijwel altijd gemengd gekleurd is. Formaat en gewicht wijzen in dezelfde richting, maar overlappen te sterk om een afzonderlijk dier te determineren.

Leefgebied

Bergbos van de zuidelijke Apennijnen, ruwweg tussen 700 en 1900 m. De kern is het bos van Calabrische den (Pinus nigra subsp. laricio) van de Sila en het Pollino, vaak in oude, hoge opstanden, en daarnaast beukenbos, gemengd bos van beuk en den, oude eikenbossen op de lagere hellingen en kastanjegaarden. In het Pollino en de Lucaanse Apennijnen gebruikt de soort ook loofbos met haagbeuk en esdoorn. Ze vereist oude bomen met een gesloten kronendak en een goede zaadoogst; eenvormige jonge aanplant is weinig geschikt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch in Zuid-Italië. Het areaal bestaat uit drie van oudsher gescheiden bergmassieven van Calabrië: het Pollino op de grens met Basilicata, het Silaplateau en de Aspromonte. Door herbebossing in de twintigste eeuw zijn de populaties van de Sila en het Pollino inmiddels verbonden, en het areaal breidt zich langzaam noordwaarts uit in de Lucaanse Apennijnen van Basilicata. Tussen de noordgrens en de dichtstbijzijnde gewone eekhoorns ligt een zone van meer dan honderd kilometer zonder eekhoorns. Genetisch onderzoek uit 2024 laat zien dat de soort in het Midden-Pleistoceen in Midden-Calabrië is ontstaan en zich daarna met de ijstijden herhaaldelijk heeft uitgebreid en weer is versnipperd.

Levenswijze

Dagactief, met de meeste activiteit in de vroege ochtend en de late middag en in de zomer een rustpauze tijdens de middaghitte. De soort houdt geen winterslaap maar winterrust: bij slecht weer blijft ze dagenlang in het nest en leeft ze van haar voorraden. Het voedsel bestaat vooral uit zaden van de Calabrische den, aangevuld met beukennoten, eikels, kastanjes, knoppen, jonge scheuten, paddenstoelen en soms eieren of insecten. In de herfst worden duizenden zaden verspreid in ondiepe kuiltjes begraven; niet teruggevonden zaden kiemen. De dieren leven solitair, met overlappende leefgebieden en een rangorde bij de beste voedselplekken. De voortplanting hangt af van de zaadoogst: in een goed mastjaar twee worpen, in een slecht jaar één of geen, met gemiddeld drie jongen die na ongeveer tien weken zelfstandig zijn. Vijf tot zes jaar geldt als hoge leeftijd.

Waar en wanneer kijken

De beste gebieden zijn het Nationaal Park Sila en het Nationaal Park Pollino, in de oude dennenbossen tussen 1000 en 1600 m, zoals de bossen van Fossiata, Gallopane en het Bosco Magnano. Loop in de eerste twee uur na zonsopgang over een bospad en let op beweging hoog in de kronen en op het geschraap van klauwen op bast. In oktober en november, wanneer de dieren voorraden aanleggen, zijn ze het best zichtbaar en komen ze regelmatig op de grond. Zonder waarneming van het dier zelf wijzen kegelspillen op een stronk op aanwezigheid. In dit gebied is zwart de normale kleur van de eekhoorn.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT, 2024). De status berust niet op achteruitgang maar op het kleine, tot één regio beperkte areaal. De populatie is stabiel tot licht toenemend, en de herbebossing van de twintigste eeuw heeft de soort eerder bevoordeeld dan benadeeld. De risico's zijn bosbrand en grootschalige kap in de dennenbossen, die in één zomer een deelgebied kunnen ontvolken, en uitheemse eekhoorns. De grijze eekhoorn, die de gewone eekhoorn verdringt waar hij zich vestigt, is gevestigd in Noord-Italië en sinds het begin van deze eeuw ook rond Perugia in Umbrië; die populatie ligt het dichtst bij Calabrië, en als de soort zich langs de Apennijnen zuidwaarts uitbreidt, loopt deze endemische soort gevaar. Dichterbij is Finlaysons eekhoorn (Callosciurus finlaysonii), die in de jaren tachtig bij Maratea in Basilicata is uitgezet, daar van 2013 tot 2016 is weggevangen en zich inmiddels landinwaarts in het zuiden van Campanië uitbreidt.

Wetenschappelijke naam

Sciurus meridionalis | Lucifero, 1907

Lucifero beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sciurus is het Latijnse woord voor 'eekhoorn', uit het Griekse skiouros, van skia 'schaduw' en oura 'staart': het dier dat zich met zijn staart beschaduwt. meridionalis is Latijn voor 'zuidelijk', bij meridies 'middag, zuiden'; Lucifero beschreef het dier uit Calabrië, het uiterste zuiden van Italië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Calabrië.