Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Gewone bosspitsmuis

Gewone bosspitsmuis | Sorex araneus

Common shrew | Musaraña Colicuadrada

De bosspitsmuis is een spitsmuis van enkele grammen met een hoge stofwisseling; hij moet ongeveer elke drie uur eten. De meeste dieren leven één zomer, één winter en één voortplantingsseizoen. De soort is een van de talrijkste zoogdieren van Europa. In delen van West- en Zuidwest-Europa is hij in het veld niet te onderscheiden van nauw verwante Sorex-soorten.

Gewone bosspitsmuis (Sorex araneus)
Foto: WWalas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De sporen zijn klein, maar te vinden. De keutel is 2 tot 4 mm lang en minder dan 2 mm dik, zwart tot donkergrijs, spits aan de uiteinden en hard; hij bestaat uit fijne insectenresten die onder een loep als glinsterende splinters zichtbaar zijn. Keutels liggen in gangetjes in het strooisel, op omgevallen boomstammen, onder planken of golfplaten en op vaste looproutes tussen graspollen. De looppaadjes zelf zijn het beste spoor: gangetjes van ongeveer 2 cm doorsnede door de strooisellaag en onder de zode, veel nauwer dan de 4 tot 5 cm van een woelmuis, vaak overgenomen van mollen en muizen. Het vaakst waargenomen spoor is geluid: een hoog, snel, ratelend gekrijs uit de vegetatie, meestal wanneer twee dieren elkaar tegenkomen. Dit geluid is in de zomer veel te horen langs bosranden en wordt vaak voor een vogel gehouden. De meeste gegevens komen uit braakballen van kerkuil, ransuil of torenvalk: de kaakjes met de roodbruine tandpunten zijn daarin direct herkenbaar. Dit is voor deze soortgroep de meest gebruikte methode om aanwezigheid vast te stellen, maar ook in braakballen zijn bosspitsmuis en tweekleurige bosspitsmuis niet te onderscheiden. Een ander veelvoorkomend teken zijn dode spitsmuizen op paden en gazons, vooral in juli en augustus. Katten doden ze en laten ze liggen vanwege de scherpe geur van de flankklieren. Een dood dier biedt de gelegenheid om de driekleurige vacht, de spitse snuit en de rode tandpunten van dichtbij te bekijken.

Gewone bosspitsmuis, sporenlijn in verse sneeuw, nauwelijks twee centimeter breed, met het gat waarin het dier onder de sneeuw dook (schaal in cm)
Sporenlijn in verse sneeuw, nauwelijks twee centimeter breed, met het gat waarin het dier onder de sneeuw dook (schaal in cm) · Foto: Tatiana Strus — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Gewone bosspitsmuis, sporenlijn met de gaten waarin het dier onder de sneeuw dook — spitsmuizen jagen 's winters in de holte tussen sneeuw en bodem
Sporenlijn met de gaten waarin het dier onder de sneeuw dook — spitsmuizen jagen 's winters in de holte tussen sneeuw en bodem · Foto: Tatiana Strus — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Gewone bosspitsmuis, in bosmos met een regenworm; de driekleurige vacht — donkere rug, bruine flank, grijswitte buik — en de kortbehaarde staart zijn goed te zien
In bosmos met een regenworm; de driekleurige vacht — donkere rug, bruine flank, grijswitte buik — en de kortbehaarde staart zijn goed te zien · Foto: Soricida — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Gewone bosspitsmuis, kop van dichtbij: lange beweeglijke snuit met roodbruine tandpunten, minieme oogjes en in de vacht verscholen oren
Kop van dichtbij: lange beweeglijke snuit met roodbruine tandpunten, minieme oogjes en in de vacht verscholen oren · Foto: WWalas — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een spitsmuis ter grootte van een muis, met een gedrongen lijf; de snuit loopt uit in een lange, spitse, voortdurend bewegende punt met lange snorharen, de ogen zijn klein en zwart en de oren liggen bijna geheel in de vacht. De vacht is driekleurig; ten opzichte van de meeste andere spitsmuizen is dit het bruikbaarste veldkenmerk, maar van de tweekleurige bosspitsmuis scheidt het de soort niet betrouwbaar (zie Gelijkende soorten): een donkerbruine tot bijna zwarte rug, een duidelijk lichtere, roodbruine flankband en een grijswitte buik, met vage maar zichtbare overgangen. De staart is korter dan kop en romp, dik aan de basis en bij jonge dieren dicht behaard met een pluimpje aan het eind; bij oude dieren is hij kaal gesleten, wat in de hand een globale indicatie van de leeftijd geeft. In de hand zijn ook de roodbruine tandpunten te zien, gekleurd door ijzer in het glazuur; dit kenmerk scheidt alle Sorex-soorten van de witgetande spitsmuizen. Winterdieren zijn duidelijk kleiner dan dezelfde dieren in de voorafgaande zomer.

Gelijkende soorten

De tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus) is in het veld niet van de bosspitsmuis te onderscheiden. De namen suggereren dat het verschil tussen twee en drie kleuren beslissend is, maar beide soorten overlappen in vachtkleur, kop-romplengte, staartlengte en gewicht zo sterk dat een individueel dier niet op naam te brengen is; alleen chromosomenonderzoek of genetisch onderzoek geeft uitsluitsel. Op het Iberisch Schiereiland komt daar de Iberische bosspitsmuis (Sorex granarius) bij, die evenmin op uiterlijk te onderscheiden is; een roodgetande spitsmuis uit Noord-Spanje is daar alleen op basis van de vindplaats te benoemen. Wat overblijft zijn vindplaats en formaat, en die moeten worden genoteerd: 'bosspitsmuis' binnen het gebied waar alleen araneus bekend is, en anders 'bosspitsmuis onbepaald'. De dwergspitsmuis (Sorex minutus) is wel te onderscheiden: veel kleiner, met een kortere snuit, een naar verhouding lange en dikke staart van minstens twee derde van de kop-romplengte en een vacht met minder contrast. De huisspitsmuis (Crocidura russula) is grijsbruin, scherp tweekleurig in plaats van driekleurig, heeft grotere, uitstekende oren, witte tanden en lange losse haren op de staart. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is groter, van boven leizwart en van onderen wit, met een kiel van stijve haren onder de staart. Een bosmuis of woelmuis heeft een stompe snuit, grote ogen en duidelijke oren.

Leefgebied

Overal waar de bodem vochtig is en de strooisellaag of vegetatie dicht genoeg is om dekking te bieden: loofbos en gemengd bos, bosranden, ruigten, houtwallen, dijkbermen, verruigd grasland, riet- en zeggenmoeras, jonge aanplant, spoortaluds en verwaarloosde delen van tuinen en parken. De soort mijdt kale akkers, kort gemaaid gras en droge stuifzanden. In de bergen komt hij voor tot boven de boomgrens zolang er dekking is. De dichtheid hangt vooral af van een dikke, vochtige laag dood plantaardig materiaal met ongewervelden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noord-Spanje en de Alpen tot ver in Siberië, en in het noorden tot aan de Noordkaap; een van de meest wijdverbreide zoogdieren van Europa. De soort is algemeen in Frankrijk, de Lage Landen, Duitsland, Polen en Scandinavië, en in Groot-Brittannië op het vasteland en op veel eilanden. Ze ontbreekt in Ierland, op het eiland Man en op de meeste Schotse buitenilanden, en ook in Portugal. In Spanje komt hij alleen voor in de oostelijke (Catalaanse) Pyreneeën, zuidwaarts tot de Montseny; in het Cantabrisch Gebergte en het Centraal Gebergte ontbreekt hij, en zijn roodgetande spitsmuizen van dit type tweekleurige of Iberische bosspitsmuizen. Vanaf Noord-Frankrijk, België en Zuid-Nederland (Zuid-Limburg en delen van het zuidwesten) zuidwaarts komt ook de tweekleurige bosspitsmuis voor; in dat overlapgebied wordt een dier zonder nader onderzoek genoteerd als 'bosspitsmuis onbepaald'.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Actief in korte cycli van ongeveer twee tot drie uur, dag en nacht, met een lichte voorkeur voor de nacht; een spitsmuis die vier uur niet eet, sterft. Het voedsel bestaat uit regenwormen, keverlarven, pissebedden, duizendpoten, spinnen, kleine slakken en insectenlarven, dagelijks samen ongeveer het eigen lichaamsgewicht. De soort houdt geen winterslaap. In de herfst krimpt het dier, inclusief ruggengraat, organen en hersenpan, en in het voorjaar groeit het weer; deze besparing op de stofwisseling komt bij vrijwel geen ander zoogdier voor. De levensduur is zelden langer dan achttien maanden: geboren in de zomer, overwinterend als klein en niet geslachtsrijp dier, volwassen in het voorjaar, en stervend in de tweede zomer. Van april tot september volgen twee tot vier worpen van vijf tot zeven jongen, na een draagtijd van ongeveer drie weken, in een nest van gras onder een boomstronk of plank. Buiten de paartijd is de bosspitsmuis strikt solitair en verdedigt hij een territorium tegen soortgenoten.

Waar en wanneer kijken

De soort is eerder te horen dan te zien. Loop in juni en juli langs een verruigde bosrand of een dijkberm en let op het hoge, ratelende gekrijs vlak bij de grond; dat is bijna altijd een confrontatie tussen twee bosspitsmuizen. Leg golfplaten of vlakke planken in ruigte en dicht gras, laat ze een maand liggen en til ze voorzichtig op: onder zo'n plaat komen de gangetjes samen en liggen keutels. De betrouwbaarste methode blijft het onderzoek van braakballen: verzamel in de winter braakballen onder een roestplaats van uilen, week ze en zoek de kaakjes met de rode tandpunten. In de nazomer worden dode spitsmuizen op paden gevonden; dat biedt de beste gelegenheid om een exemplaar van dichtbij te bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016) en in het hele areaal talrijk; in goede jaren leven er tientallen dieren per hectare vochtige ruigte. De soort heeft geen specifieke bescherming nodig, maar is gevoelig voor beheer: klepelen, jaarlijks volledig maaien, het opruimen van dood hout en ontwatering verwijderen de strooisellaag en de ruige randen, en daarmee dekking en voedsel. Dat heeft bij spitsmuizen sneller effect dan bij grotere zoogdieren, omdat een spitsmuis geen dag zonder voedsel kan. Huiskatten doden veel spitsmuizen, maar die sterfte lijkt de aantallen niet te bepalen. De grootste onzekerheid betreft de kennis: omdat Sorex araneus, Sorex coronatus en Sorex granarius in het veld niet te onderscheiden zijn, berusten de verspreidingskaarten in het overlapgebied op vangsten en laboratoriumonderzoek en niet op waarnemingen.

Wetenschappelijke naam

Sorex araneus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. araneus is Latijn voor 'spin'. Waarom Linnaeus die naam koos is niet zeker; vermoedelijk sluit hij aan bij de oude naam mus araneus voor de spitsmuis, waarvan men de beet net zo giftig achtte als die van een spin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Uppsala.