Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Iberische blinde mol

Iberische blinde mol | Talpa occidentalis

Iberian Mole | Topo Ibérico

De Iberische blinde mol leeft in het westen en noordwesten van het Iberisch Schiereiland. Anders dan bij de Europese mol valt de voortplanting niet in het voorjaar maar in herfst en winter: in de droge zomer ligt de voortplanting stil, en de jongen worden geboren in het natte seizoen. De soort is endemisch op het Iberisch Schiereiland, zustersoort van Talpa aquitania in het noorden, en haar verspreiding volgt vooral de bodemvochtigheid.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De molshoop is het enige gangbare spoor. Gemeten zijn hopen van 8 tot bijna 25 cm doorsnede, met 2 tot 18 hopen per 20 vierkante meter; de gangen liggen 5 tot 12,5 cm diep, dus vlak onder de oppervlakte. Aan de hopen is de soort niet van Talpa aquitania te scheiden; de vindplaats beslist. Een bijzonderheid is dat de Baskische woelmuis de gangenstelsels van deze mol mee gebruikt, zodat in een en hetzelfde stelsel zowel molshopen als woelmuisgaten te vinden kunnen zijn.

Herkenning

Een kleine mol met de bekende bouw, maar kleiner dan de Europese mol, met een naar verhouding kortere snuit en bredere voorvoeten. De kop-romplengte ligt tussen 9,6 en 13 cm, de staart meet 1,9 tot 3,5 cm en het gewicht 34 tot 66 gram. De vacht is zwart; er is één dier bekend met een witte vlek op de buik. De ogen liggen onder de huid. Mannetjes zijn gemiddeld ruim 20 procent zwaarder dan vrouwtjes. De schedel is klein maar stevig, met een brede snuitpartij en krachtiger kiezen dan bij de Europese mol; het bekken is van het europaeoïde type, met een door een botbrug gesloten vierde heiligbeengat. Zoals bij de andere onderzochte Talpa-soorten hebben de vrouwtjes eierstokken met testisweefsel (ovotestes).

Gelijkende soorten

Uiterlijk is de soort nauwelijks van de andere mollen te onderscheiden; de vindplaats beslist. In het noorden van Spanje en in Frankrijk leeft Talpa aquitania, de zustersoort, die ook bedekte ogen heeft maar gemiddeld groter en zwaarder is; beide soorten grenzen aan elkaar in het noorden van het schiereiland, met T. aquitania in het oostelijke Cantabrisch Gebergte, de Pyreneeën, het Ebrobekken en Catalonië. Een verschil in de kiezen — het mesostyl van de eerste bovenkies is bij deze soort vaak tweetoppig, bij T. aquitania enkelvoudig — is alleen aan een schedel te zien. De Europese mol (Talpa europaea) komt op het schiereiland niet voor. De hopen van de Baskische woelmuis (Microtus lusitanicus) en de Provençaalse woelmuis (Microtus duodecimcostatus) zijn kleiner en gaan gepaard met open gaten; de Baskische woelmuis gebruikt bovendien gangen van de mol.

Leefgebied

Alle leefgebieden met een diepe bodem die het hele jaar vochtig blijft: hooilanden, weiden, boomgaarden en populierenaanplant, van zeeniveau tot ongeveer 2300 m. In droge laaglanden is de soort schaars en in het gebergte algemener; waar geïrrigeerd wordt, kan de dichtheid toenemen. Het aantal mollen hangt samen met het aantal regenwormen, en daarmee met een bodem die in de zomer niet uitdroogt.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Endemisch op het Iberisch Schiereiland, waar de soort in het noordwesten en westen wijdverbreid is, van Galicië tot het Centraal Systeem — de typelocatie ligt bij La Granja in de Sierra de Guadarrama — en tot in Portugal. In het grootste deel van het oosten, in de Pyreneeën en in het Ebrobekken ontbreekt hij; daar leeft in het noorden Talpa aquitania. De soort komt ook voor op Cortegada, een getijde-eiland voor de kust van Galicië. In droge streken zijn de populaties klein en versnipperd.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De voortplanting volgt het regenseizoen. Tijdens de zomerdroogte, van mei tot augustus, zijn beide geslachten seksueel inactief. Het voortplantingsseizoen begint in september tot november en loopt door tot mei: vrouwtjes zijn drachtig van oktober tot mei en zogen van november tot mei. De draagtijd is 28 dagen, met 2 tot 3 jongen per worp. Pasgeborenen zijn 3 tot 5 gram zwaar, kaal en roodachtig van huid; na 12 tot 17 dagen hebben ze een korte grijszwarte vacht, de eerste 27 dagen drinken ze alleen melk en blijven ze in het nest, en rond een maand worden ze gespeend, bij ongeveer 45 gram. Jonge dieren worden in oktober of november geslachtsrijp. Het voedsel lijkt op dat van de Europese mol: regenwormen, naaktslakken, miljoenpoten, duizendpoten, krekels, rupsen en larven van meikevers en vliegende herten. Over dagritme en ruimtegebruik zijn geen specifieke gegevens bekend; vermoedelijk lijken ze op die van de Europese mol.

Waar en wanneer kijken

Op het Iberisch Schiereiland is de vindplaats het determinatiekenmerk: molshopen in het westen en noordwesten van het schiereiland en in het Centraal Systeem horen bij deze soort; in de Pyreneeën, Catalonië, het Ebrobekken en het oostelijke Cantabrisch Gebergte bij Talpa aquitania. De beste kans op activiteit is het natte seizoen van herfst tot voorjaar, wanneer de soort zich voortplant en de hopen vers zijn; in de droge zomer is er aan de oppervlakte weinig te zien. Zoek in vochtige bergweiden, beekdalen en bevloeide weiden en boomgaarden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). De soort is in het noordwesten van het schiereiland algemeen. Kwetsbaar zijn de randpopulaties in droge streken, die gevoelig zijn voor veranderingen in het leefgebied. Plaatselijk wordt de soort als plaag in land- en tuinbouw bestreden.

Wetenschappelijke naam

Talpa occidentalis | Cabrera, 1907

Cabrera beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Talpa is het Latijnse woord voor 'mol'. occidentalis is Latijn voor 'westelijk', bij occidens 'ondergaande zon, westen'; Cabrera beschreef de westelijkste van de Europese mollen uit Spanje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje.