Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Romeinse mol
Romeinse mol | Talpa romana
Roman Mole | Topo Romano
De Romeinse mol is een grote mol, zo zwaar als een forse Europese mol, en een van de Zuid-Europese mollen waarvan woongebied, dagritme en ruimtegebruik in het veld en in gevangenschap zijn gemeten. Hij is endemisch in Midden- en Zuid-Italië. Lang gold hij als ondersoort van de Europese mol, maar zijn naaste verwant is de veel kleinere blinde mol.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De Romeinse mol graaft gangen en werpt de aarde op als molshopen, die niet van die van andere mollen te onderscheiden zijn. Omdat elk dier een eigen, afgebakend woongebied heeft, verschijnen de hopen in afzonderlijke groepen die elk bij één mol horen. In de zomerdroogte daalt de activiteit, en er komen dan minder verse hopen bij. Andere sporen zijn niet beschreven.
Herkenning
Een grote, zware mol, iets groter dan de Europese mol, met een kop-romplengte tot 16 cm en een gewicht van 61 tot 134 gram; mannetjes zijn gemiddeld 18 procent zwaarder dan vrouwtjes. Uiterlijk lijkt hij op de Europese mol, maar de oogleden zijn dichtgegroeid zodat het oog onder de huid ligt, en de staart is cilindrischer, minder kegelvormig. De vacht is zwart. Vrouwtjes hebben vier paar tepels. De schedel is groot en massief, met een zware snuitpartij en zware bovenkiezen; vaak ontbreken tanden — ruim een derde van de dieren mist één tot vier bovenpremolaren. Het bekken is van het caecoïde type.
Gelijkende soorten
In Italië leven drie mollen, en de vindplaats en het formaat zijn de eerste aanknopingspunten. De Europese mol (Talpa europaea) vervangt de Romeinse mol ten noorden van Umbrië; hij heeft een kleine open oogspleet, een meer kegelvormige staart en een lichtere schedel. De blinde mol (Talpa caeca), de naaste verwant, leeft in de Apennijnen en heeft eveneens bedekte ogen, maar is veel kleiner en lichter — tot ongeveer 65 gram tegen tot 134 gram — en zit vooral in hogere berggebieden. Een verschil in het gebit, het tweetoppige mesostyl van de eerste bovenkies, is alleen op de schedel te zien. Op het schiereiland zelf is een grote mol met bedekte ogen ten zuiden van Umbrië in de regel deze soort.
Leefgebied
Een breed scala: zandige duinen, akkerland, olijfgaarden, hooi- en weilanden, loofbos en bergweiden, van zeeniveau tot 1500 m, uitzonderlijk 2000 m. Hoger in de Apennijnen wordt hij door de blinde mol vervangen. Onderzoek naar de geschiktheid van het leefgebied liet zien dat de soort maar een beperkt deel bezet van het gebied dat ze in principe zou kunnen bewonen. De dichtheden in Midden-Italië liggen rond 2 tot 2,3 dieren per hectare, in weiland en in olijfgaarden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Endemisch in Midden- en Zuid-Italië, noordwaarts tot in Umbrië, en zuidwaarts tot in Calabrië. Ten noorden van Umbrië neemt de Europese mol het over. De typelocatie is Ostia bij Rome. Op Sicilië is de soort vermoedelijk verdwenen: het laatste bewijs dateert van 1885.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De Romeinse mol leeft strikt onder de grond en is solitair en territoriaal. De woongebieden zijn scherp begrensd; die van vrouwtjes onderling en van mannetjes en vrouwtjes kunnen elkaar overlappen, maar twee mollen gebruiken nooit tegelijk hetzelfde stuk, en de kern van elk woongebied is exclusief. Mannetjes hebben grotere woongebieden (gemiddeld rond 3100 tot 4300 m²) dan vrouwtjes (rond 1700 tot 2800 m²); de grootte en ligging verschuiven met het seizoen, en de overlap is groter waar meer voedsel is. Het dagritme bestaat uit een regelmatige afwisseling van rust en activiteit van elk drie tot vier uur: vrouwtjes zijn vooral actief van 6 tot 12 en van 15 tot 21 uur en rusten voor zonsopkomst en rond het middaguur; in de voortplantingstijd stemmen vrouwtjes hun rustperioden op elkaar af, terwijl het ritme van de mannetjes onregelmatiger wordt. Anders dan bij de Europese mol trekken de mannetjes niet ver op zoek naar vrouwtjes. In april zijn drachtige vrouwtjes met 2 tot 3 embryo's gevangen. Het voedsel is opportunistisch: vooral regenwormen, insectenlarven en weekdieren, met in de droge maanden, wanneer regenwormen schaars worden, meer insectenlarven.
Waar en wanneer kijken
In Midden- en Zuid-Italië is elke molshoop in het laagland en in het heuvelland in de regel het werk van deze soort. Kijk in weiden, olijfgaarden en duingebieden langs de Tyrreense kust in het najaar, de winter en het voorjaar, wanneer de bodem vochtig is en de hopen vers zijn. Omdat de dieren overdag actief zijn, is een beweging van de aarde op een verse hoop in de ochtend of de late middag het moment om geduldig te wachten. Een dood dier met dichtgegroeide oogleden en een gewicht boven de 70 gram is binnen Italië een Romeinse mol.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). De soort is in Midden- en Zuid-Italië wijdverbreid en komt in verschillende beschermde gebieden voor. De mol wordt in de landbouw als plaag beschouwd en bestreden, en in gebieden met intensieve akkerbouw kunnen de aantallen plaatselijk teruglopen. Op Sicilië is de soort sinds de negentiende eeuw niet meer aangetroffen.
Wetenschappelijke naam
Talpa romana | O. Thomas, 1902
O. Thomas beschreef de soort in 1902 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Talpa is het Latijnse woord voor 'mol'. romana is Latijn voor 'Romeins'; Thomas beschreef het dier uit de omgeving van Rome. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Rome.





