Alle soorten › Insecteneters › Mollen en desmans › Balkanmol
Balkanmol | Talpa stankovici
Balkan Mole | Topo Balcánico
De Balkanmol is een mol van de zuidelijke Balkan; zijn areaal loopt van de bergen rond het Ohrid- en Prespameer tot de kust van Albanië, West-Griekenland en Korfoe. Hij werd in 1931 beschreven als ondersoort van de Romeinse mol, maar staat daar genetisch niet dicht bij; hij is een eigen, oude Balkansoort waarvan de plaats in de stamboom van de mollen nog niet vastligt. Binnen zijn areaal is hij de grotere molsoort; de Europese mol komt er slechts zelden voor.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De Balkanmol graaft zoals de andere mollen en werpt molshopen op; die zijn niet van die van andere mollen te onderscheiden. In het hooggebergte graaft hij door de wortelmatten van borstelgras en bosbes, zodat hopen daar ook in schrale, begroeide bergweiden verschijnen. Andere sporen zijn voor deze soort niet beschreven. Binnen het areaal is de molshoop in de praktijk het enige spoor: een verse lijn molshopen op een bergweide in het Pelistergebergte of in een akker op Korfoe hoort binnen het bekende areaal bij deze soort of bij de blinde mol, en welke van de twee het is, is aan de hoop niet te zien.
Herkenning
Een middelgrote tot grote mol met de bekende bouw: cilindrisch lijf, graafschoppen, fluwelige vacht. De vacht is zwartachtig, de voeten zijn grijsachtig, en de ogen zijn door huid bedekt, zonder open oogspleet. Mannetjes meten 12,3 tot 14,3 cm kop-romp en wegen 61 tot 96 gram, vrouwtjes 12,1 tot 12,9 cm en 48 tot 69 gram; mannetjes zijn gemiddeld 20 procent zwaarder. De dieren van de kustvlakte van Zuid-Montenegro zijn duidelijk kleiner en wegen 35 tot 51 gram. De schedel heeft een brede snuitpartij en grote kiezen. Er worden twee ondersoorten onderscheiden: de nominaatvorm in de bergen van West-Noord-Macedonië en het aangrenzende Noordwest-Griekenland, en montenegrina in de kustlanden verder naar het westen en zuiden.
Gelijkende soorten
In het veld zijn de mollen van de Balkan aan hun uiterlijk nauwelijks te scheiden, en de vindplaats is het eerste criterium. De blinde mol (Talpa caeca) deelt een deel van het areaal en heeft eveneens bedekte ogen, maar is kleiner en lichter, met een smallere snuit; waar beide soorten in dezelfde streek voorkomen, leven ze zelden op precies dezelfde plek. De Europese mol (Talpa europaea) heeft een kleine open oogspleet; binnen het areaal van de Balkanmol komt de Europese mol slechts zelden voor. De Romeinse mol (Talpa romana), waarvan hij vroeger een ondersoort heette, komt alleen in Italië voor en is hier niet van toepassing. Ook de blindmuizen (Nannospalax) van de Balkan werpen grond op; het zijn knaagdieren zonder graafschoppen, met bredere, lagere hopen van grove kluiten. Een zekere determinatie van een dood dier berust op schedel en gebit of op DNA.
Leefgebied
Akkerland, weiden, alpiene graslanden, wegbermen, zandige duinen en bos, van vrijwel zeeniveau tot ongeveer 2300 m. Het gebied bestrijkt dus zowel de kustvlakten van Montenegro en Albanië als de hoge bergweiden van Noord-Macedonië en Noordwest-Griekenland, waar de dieren in de wortelzone van borstelgras en bosbes graven. Nodig is, zoals bij alle mollen, een bodem die diep genoeg is om te graven en rijk genoeg aan regenwormen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een endemische soort van de zuidelijke Balkan. De nominaatvorm leeft in West-Noord-Macedonië en de aangrenzende bergen van Noordwest-Griekenland; de typelocatie ligt op ongeveer 1000 m in het Pelistergebergte bij Bitola. De ondersoort montenegrina bewoont de kustvlakten van Zuid-Montenegro en het aangrenzende Albanië, en verder Midden- en Zuid-Albanië, West-Griekenland tot in de noordelijke Peloponnesos en het eiland Korfoe. Uit Kosovo is de soort mogelijk bekend. Binnen dit gebied overlapt het areaal met dat van de blinde mol.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Over de levenswijze is weinig bekend; wat er is, sluit aan bij die van de andere mollen. In maaginhouden zijn vooral regenwormen gevonden. De jongen worden vermoedelijk in februari en begin maart geboren; per worp zijn er 2 tot 4 embryo's geteld, en jongen van 30 gram bewegen zich al zelfstandig door het gangenstelsel. Over dagritme, woongebied en sociale organisatie zijn geen gegevens gepubliceerd. De soort houdt, zoals alle mollen, geen winterslaap.
Waar en wanneer kijken
Zie je in de bergen rond het Ohrid- en Prespameer, in de kustvlakte van Albanië of op Korfoe molshopen, dan kijk je waarschijnlijk naar het werk van de Balkanmol of van de blinde mol. Een dood dier is de beste kans op een determinatie. Weeg het en meet de kop-romplengte: een dier zwaarder dan 70 gram past niet bij de blinde mol. Controleer met een loep het oog; een open oogspleet wijst op de Europese mol en is binnen het areaal van deze soort een uitzondering. Noteer de precieze vindplaats; bij deze groep is dat het belangrijkste determinatiegegeven.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). Het areaal is betrekkelijk klein, maar omvat akkerland, weiden en berggebied waarin de soort op veel plekken voorkomt. Specifieke bedreigingen zijn niet beschreven. Over de omvang en de ontwikkeling van de bevolkingen zijn weinig gegevens beschikbaar.
Wetenschappelijke naam
Talpa stankovici | V. E. Martino & E. V. Martino, 1931
V. E. Martino & E. V. Martino beschreef de soort in 1931 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Talpa is het Latijnse woord voor 'mol'. stankovici eert de Servische bioloog Siniša Stanković (1892–1974), de onderzoeker van het Ohridmeer en een pionier van het natuurbehoud in Joegoslavië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Macedonië, Magarevo.




