Alle soorten › Vleermuizen › Grafvleermuizen › Kaalbuikgrafvleermuis

Kaalbuikgrafvleermuis | Taphozous nudiventris

Naked-rumped tomb bat | Taphozous nudiventris

De kaalbuikgrafvleermuis is een grote insectenetende vleermuis uit de familie van de schedestaartvleermuizen (Emballonuridae), met een areaal van West-Afrika tot Myanmar. De soort is beschreven uit Gizeh in Egypte. In het gidsgebied is zij bekend uit het Nijldal in Noord-Egypte, uit de Jordaanvallei en de omgeving van de Dode Zee, en sinds een akoestische waarneming in 2021 uit het zuiden van Tunesië. Onderrug en onderbuik zijn onbehaard, waaraan de soort haar naam dankt.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De verblijven liggen in rotsspleten, grotten, graven, tempels, schuren, huizen, boomholten en tunnels; in het Nijldal zijn oude bouwwerken en graven bekende vindplaatsen. Grafvleermuizen hangen niet vrij aan het plafond maar zitten tegen een verticale wand, de buik naar de wand, en kunnen zich zijwaarts in een spleet terugtrekken. Onder zo'n plek ligt mest, grover dan die van kleinere vleermuizen, met resten van kevers, sprinkhanen, krekels en kakkerlakken. De meeste verblijfplaatsen herbergen enkele dieren; kolonies van honderden, in Pakistan tot 2000 dieren, zijn gemeld. Op de batdetector klinkt de soort als lange, gelijkmatige tonen rond 23 kHz.

Herkenning

Een grote vleermuis met een platte kop, een lange, kegelvormige, stomp eindigende snuit en grote ogen. De oren zijn driehoekig, staan uit elkaar en wijzen naar achteren; de binnenrand draagt papillen en de buitenrand loopt door tot bijna bij de mondhoek. De tragus is bijlvormig. De rugvacht is grijsbruin, donkerbruin of sepia, de buik lichter; de onderrug en de onderbuik zijn kaal. Mannetjes hebben een klierzak op de keel en een borstklier; beide geslachten hebben een huidzak bij de pols tussen onderarm en middenhand. Zoals bij alle schedestaartvleermuizen doorboort de staart de staartvlieghuid en ligt het laatste deel vrij op de bovenzijde. De vleugels zijn lang en smal. Kop-romplengte 83 tot 105 mm, staart 22 tot 46 mm, oor 20 tot 23 mm, onderarm 70 tot 80 mm, gewicht 30 tot 35 gram; in de herfst ligt er vet onder de kale huid van de onderrug. De echolocatie bestaat uit lange, vrijwel constante frequentiesignalen met meerdere harmonischen; in Tunesië lag de frequentie met de meeste energie rond 23 kHz, in de tweede harmonische, vergelijkbaar met opnamen uit Jordanië en het Nabije Oosten.

Gelijkende soorten

In het gidsgebied is de Europese bulvleermuis (Tadarida teniotis) de soort van vergelijkbare grootte en met vergelijkbaar laag frequente signalen (rond 12 kHz). Die heeft een behaarde onderrug, grote, naar voren gerichte oren die boven de snuit bijna samenkomen, een geplooide bovenlip en een staart die ver voorbij de achterrand van de staartvlieghuid uitsteekt. De klapneusvleermuizen (Rhinopoma) zijn kleiner en hebben een lange, dunne, grotendeels vrije staart en een kleine neusplooi. De nijlroezet (Rousettus aegyptiacus) is groter, heeft een hondachtige kop met grote ogen, eenvoudige oren zonder tragus en nagenoeg geen staart. Ten zuiden van het gidsgebied komt in Egypte Taphozous perforatus voor; die is kleiner en heeft een behaarde onderrug.

Leefgebied

Droge en halfdroge gebieden, tropisch bos en vochtig altijdgroen bos, overal waar open terrein om te jagen samengaat met verblijfplaatsen in rotsen of onder de grond. In Afrika leeft de soort in de Soedanese en Sahelsavanne, waar inselbergs en rotsspleten verblijven bieden. Zij houdt zich vaak op bij grote wateren zoals rivieren en meren. In het gidsgebied gaat het om het Nijldal met zijn landbouwgebied en bebouwing, en om de Jordaanvallei en de oevers van de Dode Zee.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Mauritanië, Senegal en Guinee-Bissau door de Sahel en Oost-Afrika tot Tanzania, en via Egypte, het Arabisch Schiereiland, het Nabije Oosten, Turkije, Irak en Iran naar Afghanistan, Pakistan, India, Nepal, Bangladesh en het noordwesten van Myanmar. Er worden vijf ondersoorten onderscheiden; de nominaatvorm leeft in Afrika en de Levant, T. n. magnus in Turkije, Irak en Bahrein. Binnen het gidsgebied liggen de waarnemingen in het Nijldal in Noord-Egypte, in Israël, de Palestijnse gebieden en Jordanië langs de Jordaanvallei, en in het zuiden van Tunesië, waar de soort in 2021 in het natuurreservaat Oued Dkouk akoestisch werd vastgesteld; dat was de eerste vermelding voor het land.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; de dieren worden ongeveer een half uur voor zonsondergang actief en vliegen ruim na zonsondergang uit. Zij jagen hoog en snel in open lucht op grote vliegende insecten: kevers, krekels, sprinkhanen, kakkerlakken, nachtvlinders en gevleugelde termieten. Een deel van de populaties trekt of houdt winterslaap in de koele tijd van het jaar. Aan het einde van de regentijd, wanneer het insectenaanbod het grootst is, leggen de dieren vet aan onder de kale huid van de onderrug, dat als reserve voor de droge winter dient. De soort is monoëstrisch en krijgt één jong per jaar; bij populaties met winterslaap wordt het sperma volgens enkele bronnen tot het voorjaar bewaard, waarna de bevruchting volgt. De soort deelt verblijfplaatsen met andere vleermuissoorten.

Waar en wanneer kijken

In het Nijldal en de Jordaanvallei is de soort het best bij het uitvliegen aan een bekende verblijfplaats in een oud gebouw of een rotswand waar te nemen. Op een batdetector valt zij op door de lage frequentie rond 23 kHz; de Europese bulvleermuis roept nog lager, rond 12 kHz, en is voor veel mensen met het blote oor hoorbaar. Een grafvleermuis die tegen een muur of in een spleet zit, is aan de kale onderrug en de lange, puntige snuit te herkennen, maar zulke verblijfplaatsen worden niet verstoord.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2017), op grond van het grote areaal, een verondersteld stabiele populatie en tolerantie voor veranderd landgebruik. De aantallen verschillen per regio: in delen van het areaal is de soort algemeen, in het westen schaars. Kolonies in Afrika en het Middellandse Zeegebied zijn meestal klein; in Zuid-Azië is de soort algemeen, maar daar is de laatste jaren een afname vastgesteld. In landen die partij zijn bij het EUROBATS-verdrag valt de soort onder die bescherming; in een groot deel van het areaal bestaan buiten beschermde gebieden geen specifieke maatregelen. Het effect van bestrijdingsmiddelen op de soort is niet onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Taphozous nudiventris | Cretzschmar, 1830

Cretzschmar beschreef de soort in 1830 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Taphozous is Grieks, van taphos 'graf' en zōos 'levend': de grafbewoner, naar de dieren die Geoffroy in de Egyptische grafkamers aantrof. nudiventris is Latijn voor 'kaalbuikig', van nudus 'naakt' en venter, genitief ventris, 'buik': de onderzijde is bij deze vleermuis onbehaard. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Giza.