Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Kaapse haas

Kaapse haas | Lepus capensis

Cape Hare | Liebre Del Cabo

De Kaapse haas is een haas van woestijnranden en droge, open gebieden. De naam verwijst naar Kaap de Goede Hoop, waar het exemplaar vandaan kwam dat Linnaeus in 1758 beschreef. Het areaal loopt van Zuid-Afrika via Oost-Afrika en Arabië tot in de Levant. In de Negev, de Arava en de Judese Woestijn is het de algemene haas: bleek, met zeer lange oren, en 's nachts met een lamp op de open vlakten te vinden.

Kaapse haas (Lepus capensis)
Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

In de woestijn blijven sporen goed bewaard, omdat alleen de wind ze uitwist. Het leger is een ondiepe kuil onder een zoutstruik, een acacia of een overhangende steen, altijd in de schaduw en met de opening uit de wind; in de hete maanden wordt het dieper uitgegraven, waardoor de bodemtemperatuur enkele graden lager is. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van 15 tot 20 mm, hard, bleek geelbruin en grofvezelig, los verspreid over de vlakte en langs wadibodems, niet op hoopjes. De prent is die van een haas: lang, smal, vier tenen, met een vage rand door de behaarde zool. In fijn woestijnzand is het groepje prenten van een sprong scherp afgetekend: de twee lange achtervoeten voorop, de kleine voorvoeten erachter en meestal achter elkaar op één lijn, met sprongen van een meter of meer. Zoek vroeg in de ochtend op gladde zandvlakten en langs de randen van de hamada, voordat de wind opsteekt; dan liggen de sporen van de hele nacht er nog. Verder de vraat: gladde, schuine sneden aan scheuten van zoutstruik en acacia, en in landbouwgebieden afgebeten luzerne en jong graan.

In zijn leefgebied

Kaapse haas, wegrennend over steenwoestijn bij ezuz in de negev; van achteren zie je het zwart van de staart en de okerkleurige achtervoeten
Wegrennend over steenwoestijn bij Ezuz in de Negev; van achteren zie je het zwart van de staart en de okerkleurige achtervoeten · Foto: מינוזיג - MinoZig — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote, bleke haas van 50 tot 55 cm kop-romp en 1,5 tot 2,5 kg, duidelijk lichter dan de haas (3 tot 5 kg). De vacht is zandkleurig tot lichtgrijsbruin, fijn zwart gespikkeld, met een witte buik en een roomwitte tot okerkleurige nek; dieren uit de echte woestijn zijn het bleekst, die uit de kuststrook en het noorden donkerder en roder. De oren zijn zeer lang, langer dan de kop, met aan de achterzijde een smalle zwarte punt; ze zijn dun en doorschijnend en dienen naast het horen ook voor warmteafgifte. De ogen zijn groot en staan hoog en ver opzij. De staart is zwart van boven en wit van onder en wordt bij het vluchten omlaag gedragen. De poten zijn lang en okerkleurig; het dier is slanker en langer gebouwd dan de haas.

Gelijkende soorten

In het grootste deel van het areaal in de Levant zijn er weinig verwarringsmogelijkheden; de vraag is vooral waar het areaal van de Kaapse haas ophoudt en dat van de haas begint. In het noorden van de Levant, in Syrië en Zuid-Turkije, komt de haas (Lepus europaeus) voor, en waar de grens tussen beide soorten ligt, is niet vastgesteld: de Mammal Diversity Database vermeldt Syrië bij beide soorten, terwijl de Israëlische literatuur alle hazen van het land tot de Kaapse haas rekent, met een reeks ondersoorten die verloopt van een bleke woestijnvorm in het zuiden naar een grotere, donkerder vorm in het noorden. In de praktijk: hoe zuidelijker en droger, hoe zekerder de Kaapse haas; bij een haas op de Golan of in Noord-Syrië is de soort niet zeker. De MDD vermeldt ook Cyprus bij deze soort, maar GBIF bevat geen waarnemingen van Cyprus, en de Cypriotische haas wordt gewoonlijk tot de haas gerekend; dit is een onopgelost punt. In Noord-Afrika worden de hazen van de Maghreb in de MDD als Lepus mediterraneus beschouwd. In het woestijngedeelte van het areaal ontbreekt het konijn, zodat de verwarring die in Europa het meest voorkomt hier niet speelt.

Leefgebied

Droge, open en overwegend boomloze grond: woestijn en halfwoestijn, steenwoestijn (hamada) en zandvlakte, wadibodems met acacia en zoutstruik, zoutsteppe rond de Dode Zee, droge graslanden en phrygana in het bergland, en akkers, luzernevelden en kibboetsranden waar irrigatie het hele jaar groen voedsel oplevert. In Israël liggen in die landbouwgebieden de hoogste hazendichtheden; anders dan in West-Europa heeft de landbouw hier tot meer hazen geleid. Bos en dicht struweel worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Zuid-Afrika door de Sahel en Oost-Afrika naar Arabië, Iran en Pakistan. In de Levant en Noordoost-Afrika omvat het areaal Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Syrië en Egypte met de Sinaï. Uit Israël komen veruit de meeste waarnemingen: GBIF bevat er ruim achttienduizend, tegenover enkele tientallen of honderden uit de omringende landen, wat vooral het verschil in aantal waarnemers weerspiegelt. Op het Europese vasteland komt de soort niet voor.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, in de hete maanden vrijwel uitsluitend: overdag ligt het dier plat in het leger in de schaduw, met de oren langs de rug, en het komt pas naar buiten als de grond is afgekoeld. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, zoutstruik en acaciascheuten, en in cultuurland uit luzerne, jong graan en groenten. De soort drinkt weinig of niet en haalt vocht uit het voedsel; zoals alle hazen eet ze de zachte blindedarmkeutels opnieuw op. Solitair, met paarvorming in de bronsttijd. In het warme deel van het areaal is er vrijwel het hele jaar voortplanting, met pieken na regen: twee tot vier worpen per jaar van één tot zes jongen, na een draagtijd van ongeveer 42 dagen. De jongen wegen bij de geboorte ongeveer honderd gram, zijn behaard en hebben open ogen; ze liggen afzonderlijk in het open veld en worden één keer per etmaal, kort na zonsondergang, enkele minuten gezoogd. Er is geen winterrust.

Waar en wanneer kijken

Rijd na het donker langzaam over een woestijnweg of landbouwpad in de Negev of de Arava en zoek naar oogreflecties in de bermen; rond Sde Boker, Ezuz en Nitzana en langs de landbouwvelden van de Arava is de soort op een gunstige nacht algemeen. In de Judese Woestijn en bij de Dode Zee is ze ook in de laatste minuten voor zonsopgang nog op de vlakte te zien. Zoek overdag naar sporen in plaats van naar het dier: op een gladde zandvlakte na een windstille nacht zijn de sprongsporen van een haas goed te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2019). De Kaapse haas is een van de wijdst verspreide haasachtigen: het areaal loopt van de Kaap tot Pakistan, en de soort komt voor in woestijn, steppe en cultuurland. In Israël en de Jordaanvallei profiteert ze van geïrrigeerde landbouw, die voedsel levert waar de woestijn dat niet doet; ze wordt daar plaatselijk als schadelijk voor de landbouw beschouwd. Er wordt op gejaagd en gestroopt en er vallen verkeersslachtoffers, maar geen van beide bedreigt de aantallen. Er is wel taxonomische onzekerheid: Lepus capensis in ruime zin is een soortencomplex, en met elke moleculaire studie wordt een deel van het areaal aan een andere soort toegewezen, zoals in 2019 de hazen van de Maghreb en Sardinië. Welke populaties in de Levant onder deze naam vallen, kan de komende jaren nog veranderen.

Wetenschappelijke naam

Lepus capensis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. capensis betekent 'van de Kaap', naar de typelocatie aan Kaap de Goede Hoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika, Kaap de Goede Hoop.