Alle soorten › Primaten › Apen van de Oude Wereld › Berberaap
Berberaap | Macaca sylvanus
Barbary macaque | Mona de Berbería
De berberaap is de enige apensoort die in Europa in het wild voorkomt en de enige makaak buiten Azië. Hij leeft in cederbossen en rotskloven in de Atlas; daarnaast is er een kleine, sterk door de mens beïnvloede populatie op de Rots van Gibraltar. De soort staat als bedreigd op de Rode Lijst.
Sporen
De soort laat sporen na in de bomen. In het cederbos van de Midden-Atlas zijn op stammen en dikke takken geschilde plekken bast te vinden, tot ongeveer twee meter boven de grond en soms rondom de stam, met de bast in repen weggetrokken en tandgroeven in het blootliggende hout; de apen eten in de winter het sappige cambium, en een zwaar geschilde ceder sterft af. Onder de bomen liggen uit elkaar getrokken cederkegels en aangevreten eikels, en op open plekken zijn omgekeerde stenen en uitgegraven kuiltjes te zien waar naar bollen, wortels en insecten is gezocht. Onder een slaapboom of slaaprichel hoopt de mest zich op: keutels van twee tot drie centimeter, cilindrisch en aan één kant afgeplat, in kleur en inhoud sterk wisselend met het seizoen: groen en vezelig van gras en blad in het voorjaar, korrelig met eikeldopjes en zaadhulzen in de herfst. Op rotsblokken langs vaste looproutes liggen losse keutels, achtergelaten tijdens het zonnen. Het duidelijkste teken is geluid: een troep is op honderden meters te horen aan schel alarmgeblaf, geknor en het gekrijs van ruziënde dieren, en te zien aan bewegende takken in de kronen. In de sneeuw van de Midden-Atlas laat een troep een spoor van handvormige prenten achter, met vier vingers en een duidelijk afstaande duim, dat van geen ander dier in het gebied afkomstig kan zijn.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Het jong

Herkenning
Een stevige, kort gebouwde aap met een dichte, geelbruine tot grijsbruine vacht, lichter op de buik en donkerder over de rug, en een kaal, roze tot vleeskleurig gezicht met naar voren gerichte ogen. Het opvallendste kenmerk is de staart: die is teruggebracht tot een stompje van hooguit twee centimeter en op afstand niet te zien, zodat het dier van achteren staartloos lijkt. Mannetjes zijn duidelijk groter en zwaarder dan vrouwtjes en hebben een zwaardere kop en schouderpartij; jongen hebben een donkerder gezicht en een veel wolliger vacht. In de winter, wanneer in de Midden-Atlas sneeuw ligt, is de vacht dik en pluizig en lijkt het dier forser; in de zomervacht is het veel slanker. Het loopt op vier poten met een vrijwel horizontale rug, klimt goed en brengt de nacht hoog in een boom of op een rotsrichel door.
Gelijkende soorten
In Noord-Afrika en Europa komt geen andere in het wild levende primaat voor; een aap in Marokko of Algerije is een berberaap. In Spanje, Frankrijk en Noord-Afrika worden wel regelmatig ontsnapte of illegaal gehouden apen aangetroffen: jonge berberapen uit de smokkel, maar ook andere makaken en meerkatten. Zulke dieren horen niet tot de wilde populaties; noteer bij een losse aap buiten de bekende gebieden altijd de omstandigheden. Op Gibraltar wordt de soort in het Engels traditioneel 'ape' genoemd, maar het is een makaak en geen mensaap. Andere makaken hebben een duidelijke staart; alleen deze soort is in de praktijk staartloos.
Leefgebied
Het bergbos van Noordwest-Afrika. De kern is het Atlascederbos van de Midden-Atlas tussen ongeveer 1500 en 2500 meter, met daaronder en daarnaast steeneikenbos en gemengd eiken- en zilversparbos, en in het Rifgebergte vochtige loofbossen en maquis. Daarbij horen altijd rotswanden, kloven en steenhellingen, die als toevluchtsoord en slaapplaats dienen, en open plekken en weiden om te foerageren. Op Gibraltar leeft de soort in een ander leefgebied: de macchia en rotsen van de Upper Rock, met de tuinen, muren en uitkijkpunten van de stad; dat leefgebied is door de mens gevormd.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De soort komt op drie plaatsen voor. Het grootste deel leeft in Marokko, met de Midden-Atlas als kerngebied en daarnaast het Rifgebergte en delen van de Hoge Atlas, en een kleiner deel in Algerije, vooral in de bergbossen van Kabylië en de Chiffakloof. In Tunesië is de soort uitgestorven. De derde plaats is Gibraltar, waar sinds ten minste de achttiende eeuw enkele honderden dieren op de Rots leven, in enkele troepen die door de overheid worden geteld, gemerkt en beheerd. Of deze dieren door mensen zijn ingevoerd of een restant zijn van een oude natuurlijke populatie, is niet vastgesteld; genetisch onderzoek wijst op herkomst uit Marokko en Algerije. Het is de enige vrij levende apenpopulatie van Europa. Spanje is het belangrijkste doorvoerland voor de smokkel van jonge dieren naar de rest van Europa.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief en het hele jaar actief, zonder winterslaap of winterrust; in de Midden-Atlas verblijven de troepen in januari ook in de sneeuw, en van alle makaken leeft alleen de Japanse makaak in nog strengere winters. Berberapen leven in troepen van tien tot enkele tientallen dieren met meerdere volwassen mannetjes en vrouwtjes; de vrouwtjes blijven hun leven lang in de groep waarin ze geboren zijn, de mannetjes wisselen van groep. Onder de apen is de rol van de mannetjes bij de jongen uitzonderlijk: zij dragen, verzorgen en vlooien de jongen intensief, ook jongen van andere mannetjes, en gebruiken een jong om spanningen met andere mannetjes te verminderen. Het voedsel wisselt sterk met het seizoen: gras, kruiden, blad, bloemen en jonge scheuten in het voorjaar, eikels, cederzaad, bessen en vruchten in de nazomer, en wortels, bollen, korstmossen en bast in de winter, aangevuld met insecten en af en toe een vogelei. Na een draagtijd van ongeveer vijf en een halve maand wordt in het voorjaar één jong geboren, dat maandenlang wordt gedragen; in het wild worden dieren twintig jaar en ouder.
Waar en wanneer kijken
In de Midden-Atlas, rond het cederbos bij Azrou en Ifrane, zijn troepen langs de weg vrijwel altijd te zien. Die dieren zijn door toeristen aan voer gewend, wat hun gedrag, gezondheid en overlevingskansen schaadt. Voer ze niet, ook niet één keer en ook niet als ze dichtbij komen. Om de soort in haar natuurlijke gedrag te zien, loop je in de vroege ochtend een stuk cederbos in en zoek je op geluid: geblaf en krakende takken zijn eerder waar te nemen dan de dieren zelf. Op Gibraltar is de Upper Rock de gemakkelijkste plek in Europa om apen te zien, met dezelfde regel: voeren is er verboden en wordt beboet, en tassen, brillen en telefoons moeten buiten bereik blijven. Let op mannetjes met een jong op de rug; dit gedrag is kenmerkend voor de soort.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2020): er leven naar schatting nog twaalf- tot eenentwintigduizend dieren in Marokko en Algerije, na een afname van meer dan de helft in enkele decennia. De belangrijkste oorzaak is de achteruitgang van het cederbos: houtkap, overbegrazing door schapen en geiten waardoor geen jonge bomen meer opkomen, en aanhoudende droogte waardoor de Atlasceder over grote oppervlakten afsterft. Daarnaast is er illegale handel: jaarlijks worden jonge apen uit het wild gehaald en als huisdier naar Europa gesmokkeld, met Spanje als belangrijkste doorvoerland, en voor elk jong dat aankomt sterven er meerdere onderweg. Verkeer, vergiftiging en conflicten met veehouders dragen verder bij. De populatie op Gibraltar is klein maar stabiel en wordt actief beheerd, met geboortebeperking, merken en een voerverbod; zij is genetisch te klein om bij te dragen aan het voortbestaan van de soort, maar het is de plek waar de meeste Europeanen een vrij levende aap te zien krijgen.
Wetenschappelijke naam
Macaca sylvanus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Simia Sylvanus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Macaca komt via het Portugese macaco 'aap' uit een Bantoetaal van het Kongogebied; de verdere herkomst is onbekend. sylvanus is Latijn voor 'van het woud', bij silva 'bos'; het is tegelijk de naam van Silvanus, de Romeinse god van bos en veld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.






