Alle soorten › Klipdassen › Klipdassen › Kaapse klipdas
Kaapse klipdas | Procavia capensis
Rock hyrax | Procavia capensis
De Kaapse klipdas is een gedrongen, vrijwel staartloos rotsbewonend zoogdier van 1,5 tot 5,4 kg. Hij behoort tot een eigen orde, de klipdassen (Hyracoidea), waarvan de naaste levende verwanten de olifanten en de zeekoeien zijn. Het areaal omvat grote delen van Afrika en het Arabisch Schiereiland; in het noorden reikt het tot de rotsgebieden van de Levant, van de Golan tot de Dode Zee. Op rotshellingen in Israël zijn in de vroege ochtend groepen zonnende dieren te zien.
Sporen
Het meest opvallende spoor van deze soort is op honderden meters afstand zichtbaar en blijft eeuwenlang bewaard. Klipdassen gebruiken vaste latrines onder overhangende rotsen en in spleten. Omdat ze op dezelfde plek mesten en urineren, hoopt zich daar een mengsel van keutels en ingedroogde urine op dat verhardt tot een taaie, glanzende, zwartbruine massa: hyraceum. Verse urine loopt langs de rotswand naar beneden en droogt in tot lange, roomkleurige tot krijtwitte strepen van kalkzouten uit de urine; op een donkere rotswand zijn die van ver zichtbaar, en ze zijn de betrouwbaarste aanwijzing voor een bewoonde kolonie. Onder de strepen ligt de latrine met de kegelvormige of ovale keutels van ongeveer een centimeter; de lucht is er scherp en ammoniakachtig. Hyraceum is zo duurzaam dat het in de Levant en zuidelijk Afrika als klimaatarchief wordt uitgeboord: de laagjes bevatten stuifmeel van duizenden jaren oud. Op de routes naar de latrine slijten looppaden over de rotsen glad en donker, en de randen van de spleten waar de dieren in- en uitgaan, zijn gepolijst. Prenten zijn zeldzaam, omdat het dier vrijwel alleen over kaal gesteente loopt; in stof of zand laat de korte, brede voet een kussenafdruk zonder klauwsporen achter.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een gedrongen, staartloos ogend dier met een kop-romplengte van ongeveer 38 tot 63 cm en een gewicht van 1,5 tot 5,4 kg. De vacht is grijsbruin tot geelbruin, bij de Levantijnse vorm op de rug vaak roomkleurig tot roodbruin, met een lichtere buik. Midden op de rug ligt een klierplek met afwijkend gekleurd haar (zwart, geel of wit, afhankelijk van het dier), dat bij opwinding rechtop gaat staan. De staart is een stompje van hooguit twee centimeter en valt in de vacht weg. De kop is kort met een stompe snuit, kleine ronde oren en kleine zwarte ogen; de bovenlip is gespleten, en bij het gapen worden twee korte, driehoekige, slagtandvormige snijtanden zichtbaar. De poten zijn kort, met rubberachtige, altijd vochtige zoolkussens waarmee het dier vrijwel loodrechte rotswanden beklimt; de tenen dragen platte nagels in plaats van klauwen, op één gebogen poetsnagel aan de achtervoet na. Jongen zijn kleiner en donkerder, maar verder gelijk aan de volwassen dieren.
Gelijkende soorten
In de Levant zijn er geen verwarringssoorten: het is de enige klipdas, en er komt geen ander gedrongen, staartloos zoogdier van dit formaat op rotsen voor. Op afstand en in tegenlicht kan een klipdas op een grote rat of een kleine marmot lijken; marmotten komen in de Levant echter niet voor, en een rat heeft een lange staart en een spitse snuit. De stekelmuizen en gerbils die dezelfde rotsen bewonen, zijn veel kleiner. De steppeklipdas (Heterohyrax), die in Oost-Afrika samen met de Kaapse klipdas voorkomt, ontbreekt in de Levant. Een liggende klipdas op verweerde kalksteen is zonder beweging moeilijk te ontdekken.
Leefgebied
De soort is gebonden aan rotsen: steile rotswanden, kliffen, blokkenvelden, puinhellingen, kalksteenkloven en basaltkoppen, met spleten en holten waarin het dier 's nachts en bij gevaar schuilt, en met kruidenrijke begroeiing, struweel of bomen op korte afstand. In de Levant loopt het leefgebied van de wadi's aan de Dode Zee, ruim vierhonderd meter onder zeeniveau, tot de basalthellingen van de Golan en de flanken van de Hermon. Het gaat om maquis, garrigue en phrygana op rotsbodem, oases zoals Ein Gedi, en tegenwoordig ook steengroeven, dijklichamen, ruïnes en puin langs bergwegen. Waar de mens rotsachtig terrein schept, vestigt de soort zich.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Grote delen van Afrika en het Arabisch Schiereiland, met een sterk versnipperde noordrand. Uit het noordoostelijke deel van het areaal bevat GBIF ruim zevenduizend waarnemingen, bijna allemaal uit Israël; de overige komen uit de Palestijnse gebieden, Libanon, Syrië, Jordanië en Egypte. De Mammal Diversity Database vermeldt ook Algerije en Libië; daar gaat het om geïsoleerde bergpopulaties in de Sahara. In Europa komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief. De soort regelt haar lichaamstemperatuur slecht en compenseert dat met gedrag: 's ochtends komt de kolonie uit de spleten en zont een uur of langer, dicht opeen op dezelfde rots, en pas daarna wordt er gegeten. Ongeveer negentig tot vijfennegentig procent van de tijd wordt rustend doorgebracht. Kolonies tellen tien tot tachtig dieren en bestaan uit haremgroepen van één territoriaal mannetje met drie tot zeven vrouwtjes en hun jongen; jonge mannetjes zwerven buiten die groepen rond. Tijdens het foerageren houdt één dier vanaf een hoog punt de wacht; bij een arend of jakhals klinkt een schelle alarmroep, waarna alle dieren binnen enkele seconden van de helling verdwijnen. Het geluidsrepertoire is groot: er zijn meer dan twintig verschillende geluiden beschreven, en de territoriale zang van de mannetjes is op honderden meters te horen. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, bladeren, twijgen en bast; daarvoor klimt het dier ook in struiken en bomen. De draagtijd van zes tot acht maanden is lang voor een dier van deze grootte; de één tot zes jongen worden behaard en met open ogen geboren en kunnen binnen een uur klimmen. Er is geen winterrust.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de eerste twee uur na zonsopgang bij een rotswand op het zuiden of oosten; de kolonie ligt dan te zonnen en de dieren zijn weinig actief. Zoek eerst met een verrekijker naar de witte urinestrepen op de rotswand, die een kolonie aanwijzen voordat een dier zichtbaar is, en bekijk daarna de randen van de spleten eronder. In Israël zijn Ein Gedi aan de Dode Zee, Nachal David, Masada, de omgeving van Tabgha aan het Meer van Galilea, de basaltrotsen bij Katzrin op de Golan en de kloven van Boven-Galilea plaatsen waar de soort vrijwel altijd te zien is; op veel bezochte plaatsen zijn de dieren weinig schuw. Blijf zitten en wacht: als de wachtpost niet alarmeert, komen de andere dieren tevoorschijn. Luister naar de roepen: het schelle alarm en de lange, krakende zang van de mannetjes.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2015). Het wereldareaal is groot en de soort past zich goed aan. In de Levant heeft ze eerder geprofiteerd van de mens dan erdoor geleden: wegtaluds, groeven en ruïnes vormen nieuw rotsachtig terrein, en tuinen en boomgaarden leveren voedsel. In Israël is de soort plaatselijk zo talrijk dat ze als schadelijk voor gewassen en tuinen wordt beschouwd. Daarnaast speelt een gezondheidskwestie: de klipdas is een reservoir van de parasiet die cutane leishmaniasis veroorzaakt, en de zandvliegen die deze overbrengen, leven in dezelfde rotsspleten. In het Saharagedeelte van het areaal is de situatie anders: daar gaat het om kleine, geïsoleerde bergpopulaties die door jacht en het opdrogen van bronnen onopgemerkt kunnen verdwijnen. De mondiale categorie op de Rode Lijst weerspiegelt dat verschil niet.
Wetenschappelijke naam
Procavia capensis | (Pallas, 1766)
Pallas beschreef de soort in 1766 als Cavia capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Procavia verbindt het Griekse pro 'vóór, naast' met Cavia, de geslachtsnaam van de cavia: het dier dat men naast de cavia plaatste. capensis is Latijn voor 'van de Kaap'; Pallas beschreef het dier van de Kaap de Goede Hoop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika, Kaap de Goede Hoop.





