Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Kleine bosmuis
Kleine bosmuis | Apodemus uralensis
Herb Field Mouse | Ratón De Campo Enano
De kleine bosmuis (Apodemus uralensis) is de kleinste bosmuis van Europa: een volwassen dier blijft op het formaat van een halfwas bosmuis. In Midden-Europa wordt de soort nog vaak onder de oude naam Apodemus microps (dwergbosmuis) vermeld. Ze leeft in open land en langs randen, niet in gesloten bos, en is verspreid van Midden-Europa tot in West-China. In het veld is ze alleen op formaat en lichaamsmaten van de bosmuis te onderscheiden.
Sporen
Er zijn geen sporen die specifiek op de soort wijzen; dat is een van de redenen waarom ze slecht bekend is. Keutels, sprongsporen en opengeknaagde zaden en pitten zijn die van elke Apodemus: donkere spoelvormige keutels van drie tot vijf millimeter, vier prenten in een groepje met de vijftenige achtervoeten voorop, en een rond gat met gladde rand en snijtandgroeven ernaast. Het landschap geeft een aanwijzing: liggen zulke sporen niet in bos maar in een akkerrand, een droge berm, een steppeachtig grasland of een verruigde bosrand in Midden- of Oost-Europa, dan komt de kleine bosmuis naast de bosmuis in aanmerking. Een tweede bron zijn braakballen: in braakballen van kerkuil en velduil zijn de twee soorten aan de schedelmaten te scheiden, en het grootste deel van de kennis over deze soort is zo verzameld. De dichtheid is laag, tussen één en tien dieren per hectare, zodat ook sporen schaars zijn.
De kop van dichtbij

Herkenning
De kleinste Apodemus van Europa: kop-romp 7 tot 10,5 cm, staart 6,5 tot 11 cm, ongeveer even lang als kop en romp samen, en een gewicht van 13 tot 28 gram. De bovenzijde is donkerbruin, grijzer en doffer dan bij de bosmuis; de onderzijde is witgrijs en scherp afgegrensd. De ogen zijn betrekkelijk klein, de oren kort, minder dan 15 mm, en de snuit is stomp; de bosmuis heeft grote, uitpuilende ogen, lange dunne oren en een spitse snuit. De achtervoet meet 17 tot 21 mm en blijft bij een volwassen dier onder 20,5 mm; in de hand is dat het doorslaggevende kenmerk. Ongeveer één op de vijf dieren heeft een kleine geelachtige keelvlek. De staart is tweekleurig.
Gelijkende soorten
Van de bosmuis is de soort alleen met metingen te scheiden: volwassen kleine bosmuizen hebben het formaat van een halfwas bosmuis, hun achtervoet blijft onder 20,5 mm, bij de bosmuis erboven, hun oren zijn korter dan 15 mm, hun ogen kleiner en hun snuit stomper, en de vacht is grijzer en donkerder. In de hand, met een liniaal, is de determinatie uitvoerbaar; in het veld, in het licht van een zaklamp, niet, en dan luidt de determinatie 'Apodemus'. De grote bosmuis is twee keer zo zwaar, roder en heeft een gele borstband. De brandmuis, die in een groot deel van het areaal naast de kleine bosmuis voorkomt, heeft een zwarte rugstreep en een staart die korter is dan het lichaam. De huismuis is doffer, mist de scherpe grens tussen rug en buik en heeft een rondom donkere staart. De dwergmuis heeft een grijpstaart en een oranjebruine vacht.
Leefgebied
Open, droog land en de randen daarvan, niet het gesloten bos: droge graslanden en steppeachtige vegetaties, akkers en akkerranden, houtwallen, heggen en verruigde bosranden, en daarnaast vochtige ruigten met hoge kruiden. In Litouwen is de soort beschreven als een uitgesproken overgangssoort van de grens tussen bos en open terrein; in Turkije komt ze ook voor in loofbos van beuk, els, wilg, walnoot, esdoorn en eik en in sparren- en zilversparrenbos. In Oostenrijk is ze gebonden aan het Pannonische laag- en heuvelland, meestal onder vierhonderd meter; over het hele areaal is ze tot 2250 m gevonden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Midden- en Oost-Europa oostwaarts door Rusland, Noord-Anatolië en de Kaukasus tot in West-China. De westgrens in Europa is onregelmatig en loopt door Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Kroatië; verder naar het oosten, in Polen, de Baltische staten, Oekraïne, Roemenië en Bulgarije, is de soort algemener. Ze ontbreekt op de Britse Eilanden, in de Lage Landen, Frankrijk, het Iberisch Schiereiland en Scandinavië. Het precieze verloop van het areaal is slechter bekend dan bij de meeste andere Europese muizen, omdat de soort alleen na meting met zekerheid wordt herkend; in oudere verspreidingsgegevens is een deel van de kleine bosmuizen als bosmuis geboekt.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, klimt en springt goed, en foerageert zowel op de grond als in struiken. Geen winterslaap. Het voedsel bestaat overwegend uit zaden van grassen en kruiden, aangevuld met vruchten en insecten; eikels en beukennootjes spelen een kleinere rol dan bij de bosmuizen van gesloten bos. Het nest ligt in een ondergrondse gang of in een boom. Een worp telt drie tot zeven jongen, gemiddeld iets minder dan vijf. In Midden-Europa is een dichtheid van één tot ruim negen dieren per hectare gemeten, een fractie van wat de bosmuis in een mastjaar bereikt. Over levensduur, sociale organisatie en woongebied bestaat geen uitgebreide Europese studie.
Waar en wanneer kijken
Een waarneming in het veld is zelden tot op soort te determineren; meld zo'n dier als 'Apodemus'. Vaststellen vergt meting in de hand: achtervoet onder 20,5 mm, oren onder 15 mm en het kleine formaat samen, wat in de praktijk vangonderzoek met vergunning betekent. Voor een amateur is braakbalonderzoek de haalbare weg: kerkuilballen uit bijvoorbeeld de Pannonische vlakte, Zuid-Slowakije of Hongarije, waarvan de schedels door een specialist worden gedetermineerd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is verspreid van Midden-Europa tot West-China en uit geen deel van dat gebied is een aangetoonde achteruitgang gemeld. De dichtheid is echter overal laag, het leefgebied (kruidenrijke akkerranden, droge graslanden en verruigde randen) neemt in Midden- en Oost-Europa af door schaalvergroting en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en de soort wordt in monitoring niet apart geteld. Omdat veel waarnemingen als 'bosmuis' geboekt staan, berust de beoordeling op beperkte gegevens.
Wetenschappelijke naam
Apodemus uralensis | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Mus sylvaticus Uralensis varietas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. uralensis betekent 'van de Oeral'; Pallas beschreef het dier als een variëteit uit dat gebergte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.






