Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Perzische bosmuis
Perzische bosmuis | Apodemus witherbyi
Steppe Field Mouse | Ratón de campo de estepa
De Perzische bosmuis is een bosmuis van droge steppe en struiksteppe, met onder meer alsem, pistache en wilde amandel, van de Krim tot het Zagrosgebergte. De wetenschappelijke naam verwijst naar Witherby, die het typedier uit de provincie Fars in Iran verzamelde. De namen fulvipectus, hermonensis, iconicus en arianus werden ooit voor aparte soorten gebruikt en worden nu bij deze soort ondergebracht. Aan de zuidoostrand van Europa vervangt hij de bosmuis in drogere gebieden.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De sporen zijn die van een bosmuis en laten geen determinatie tot op soort toe. Zaden, eikels en pitten zijn geopend met een rond gat van 5 tot 8 mm met gladde rand, met snijtandgroeven dwars over de schaal ernaast; verder kleine voorraden in holtes onder stenen en in gangen, en donkere spoelvormige keutels van 3 tot 5 mm. De gangen liggen onder struiken en tussen stenen en zijn zelden als tunnel zichtbaar; wel zijn er kale ronde gaten van 2 tot 3 cm zonder aardhoopje. In fijn stof onder een struik of langs een veepad laat hij het gewone sprongspoor achter: vier prenten in een blok, de vijftenige achtervoeten vóór de viertenige voorvoeten. In braakballen van de kerkuil in Anatolië en de Levant is hij een van de gewoonste soorten, en daar is hij op schedelmaten van de bosmuis te scheiden.
Herkenning
Een middelgrote, slanke bosmuis: kop-romp 7,7 tot 11 cm, staart 7,5 tot 11,8 cm — ongeveer gelijk aan of iets langer dan de kop-romplengte, gemiddeld zo'n 103 procent — en een gewicht van 16 tot 34 gram. De bovenzijde is geelbruin tot houtbruin, doorgaans bleker en zandkleuriger dan bij de bosmuis, de onderzijde wit met een duidelijke grens. De staart is tweekleurig. Op de borst kan een gelige vlek staan; die is variabel en niet betrouwbaar, maar de oude naam fulvipectus ('geelborstig') verwijst ernaar. Ogen en oren zijn groot, zoals bij alle bosmuizen; geen enkel uiterlijk kenmerk bepaalt de soort los van de vindplaats.
Gelijkende soorten
Op uiterlijk is hij niet van de bosmuis te scheiden, en in de zone waar de arealen elkaar raken — Anatolië, de Kaukasus en de Levant — geeft het veld geen uitsluitsel. In de literatuur worden de soorten gescheiden op chromosomen, eiwit- en DNA-kenmerken en schedelmaten. Het landschap geeft een aanwijzing: de Perzische bosmuis is de soort van droge, open steppe en struiksteppe, de bosmuis die van vochtig bos, en waar beide voorkomen, bepaalt de vochtigheid meestal welke soort er zit. De oostelijke rotsmuis, die in hetzelfde gebied leeft, is veel groter, grijs in plaats van geelbruin, met een zware kop en zeer lange snorharen. De grote bosmuis, die in Turkije en de Levant in bergbossen voorkomt, is forser en heeft een doorlopende gele borstband. De huismuis is grijzer en doffer, heeft geen scherpe buikgrens en een rondom donkere staart. Zonder maten, en in dit geval vaak ook met maten, is 'Apodemus' de verantwoorde determinatie.
Leefgebied
Open, droog terrein met struiken. De kern is de steppe met alsem, pistache en wilde amandel van Anatolië, de Kaukasus en Iran, maar hij komt ook voor in cederbos, gedegradeerd bos, struweel, garrigue en doornige phrygana, akkers en akkerranden. Hij heeft struikdekking nodig, en in open grasland ook stenen om onder te schuilen. Hij komt voor van zeeniveau tot 2800 meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuidoost-Oekraïne ten oosten van de Dnjepr, Zuid-Rusland, de oostelijke Egeïsche eilanden Kos en Rhodos, heel Anatolië, Syrië, Libanon, Israël, Noordwest-Jordanië, Georgië, Armenië, Azerbeidzjan, Noord-Iran en West- en Zuid-Turkmenistan. Binnen Europa komt hij daarmee op drie plaatsen voor: in de Oekraïense steppe, in de Kaukasus en op twee Griekse eilanden voor de Turkse kust. In West- en Midden-Europa ontbreekt hij. De precieze arealgrens is onzeker, omdat populaties die in de twintigste eeuw als fulvipectus en hermonensis zijn beschreven nu tot deze soort worden gerekend; oude verspreidingskaarten zijn daardoor niet zonder meer bruikbaar.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en op de grond levend. Hij is een alleseter, maar eet overwegend zaden en eikels, daarna vruchten, bloemen, stengels, paddenstoelen, insecten, slakken en regenwormen. Hij houdt geen winterslaap. De voortplanting valt vooral in voorjaar en zomer; een worp telt één tot zeven jongen, gemiddeld vier tot vijf. Het nest ligt in een gang onder een struik of tussen stenen. Over sociale organisatie, leefgebied en levensduur is weinig bekend. Omdat de soort pas laat als afzonderlijke soort werd erkend, kan een deel van het onderzoek aan 'Apodemus sylvaticus' in dit gebied achteraf op deze soort betrekking hebben.
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei in Anatolië of de Kaukasus na donker met een zaklamp langs de rand van een alsemsteppe met struiken, een oud terras of een steenhoop in open grasland. Een bosmuis die daar wordt gezien, is waarschijnlijk deze soort, maar op zicht is dat niet te bewijzen; vermeld dat bij de waarneming. Op Rhodos en Kos is hij de gewone kleine muis van open terrein. Een betrouwbare determinatie is mogelijk via braakballen: kerkuilen in ruïnes in Turkije en de Levant leveren reeksen schedels, waaraan de soort te bepalen is. Meld een zichtwaarneming als 'Apodemus', met de vindplaats; die is bij deze soort belangrijker dan de foto.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2008). De soort is over een groot gebied verspreid, is op veel plaatsen de gewoonste kleine muis van open terrein en verdraagt gedegradeerd bos, struweel en akkerland. De beoordeling dateert van vóór de algemene aanvaarding van de soort in de huidige omgrenzing, met fulvipectus, hermonensis en iconicus erbij. Ernstige bedreigingen zijn niet bekend; de omzetting van steppe in geïrrigeerd akkerland kost plaatselijk leefgebied, maar de soort blijft in de randen aanwezig. De belangrijkste open vraag betreft de afbakening ten opzichte van de bosmuis.
Wetenschappelijke naam
Apodemus witherbyi | (O. Thomas, 1902)
O. Thomas beschreef de soort in 1902 als Mus sylvaticus Witherbyi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. witherbyi eert de Britse ornitholoog Harry Forbes Witherby (1873–1943), die in Perzië verzamelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Iran, Fars.






