Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Kleine dwergspitsmuis
Kleine dwergspitsmuis | Sorex minutissimus
Eurasian Least Shrew | Musaraña Menuda
De kleine dwergspitsmuis (Sorex minutissimus) weegt 1,4 tot 4 gram en is daarmee een van de kleinste soorten van het geslacht Sorex. Het areaal loopt door de hele noordelijke naaldbosgordel, van Noorwegen via Siberië tot Hokkaido en Alaska; in Europa leeft hij alleen in Fennoscandië, Estland en het noorden en midden van Europees Rusland. Waar hij voorkomt, is hij meestal een van de schaarste spitsmuizen: in vangsten maakt hij doorgaans een klein deel uit van de spitsmuizengemeenschap. Veel van wat over de soort bekend is, komt uit onderzoek in Rusland, Siberië en Japan.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn geen sporen die specifiek voor de kleine dwergspitsmuis zijn. Keutels, paadjes en prenten zijn zo klein dat ze in het veld nauwelijks te vinden zijn en niet van die van de dwergspitsmuis te onderscheiden. De meeste gegevens komen uit vangonderzoek met valkuilen, waarin de soort zelden in grote aantallen verschijnt. In braakballen van uilen is hij schaars, wat past bij de lage dichtheden. Onderkaken en schedeltjes met roodbruine tandpunten zijn door hun geringe grootte en de korte snuit te herkennen, maar voor een zekere determinatie is een gespecialiseerde sleutel nodig.
Herkenning
Een zeer kleine Sorex met een korte snuit en een korte staart die hooguit de helft van de kop-romplengte haalt. De vacht is tweekleurig: een grijsbruine rug en een lichtgrijze buik, zonder de lichtere flankband van de bosspitsmuizen. De staart is eveneens tweekleurig, van boven donker en van onderen licht, en draagt verspreide, uitstekende haren. De tandpunten zijn roodbruin, zoals bij alle Sorex-soorten. Zwangere vrouwtjes wegen meer dan drie gram. Het karyotype verschilt tussen de populaties: in Finland is 2n = 38 vastgesteld, in Siberië en Japan 2n = 42. Kop-romplengte 3,0 tot 5,3 cm, staart 1,7 tot 3,3 cm, achtervoet 7 tot 9 mm, gewicht 1,4 tot 4 gram.
Gelijkende soorten
De soort die er het meest op lijkt is de dwergspitsmuis (Sorex minutus), die in hetzelfde gebied leeft. Die is gemiddeld groter en heeft een naar verhouding veel langere, dikke staart van ongeveer 70 tot 80 procent van de kop-romplengte, tegen hooguit de helft bij de kleine dwergspitsmuis; ook de achtervoet is bij de dwergspitsmuis langer dan de 7 tot 9 mm van deze soort. De noordse spitsmuis (Sorex caecutiens) is duidelijk zwaarder, met een langere staart die bij volwassen dieren scherp tweekleurig is. De gewone bosspitsmuis (Sorex araneus) en de grauwe spitsmuis (Sorex isodon) zijn veel groter; zelfs hun jonge dieren wegen meer dan een volwassen kleine dwergspitsmuis. In het veld is een spitsmuis van deze grootte niet op soort te brengen. In de hand beslissen gewicht, staartverhouding en de lengte van de achtervoet, en bij twijfel de schedel met een gespecialiseerde determinatiesleutel.
Leefgebied
De soort gebruikt een breed scala aan leefgebieden, maar wordt vooral gevonden in randzones die voor andere spitsmuizen minder geschikt zijn: bosranden, de overgang van bos naar veen, hoogvenen, onbegroeide puinhellingen, kustduinen en oevers. Voedselrijke uiterwaarden en overstromingsvlakten worden gemeden. In de taiga leeft hij in naald- en gemengd bos met een mos- of strooisellaag, vaak op de natte en schrale plekken daarin.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Fennoscandië oostwaarts door de hele taiga van Rusland en Siberië tot de Grote Oceaan, met in het zuiden Kazachstan, de Altaj, Mongolië, het noordoosten van China en het Koreaans Schiereiland, en verder Sachalin, Hokkaido en Alaska. Elf ondersoorten worden erkend. In Europa komt hij voor in Noorwegen, Zweden en Finland, in Estland en in het noorden en midden van Europees Rusland, met Karelië en het Kolaschiereiland. De Finse dieren wijken in hun chromosomen af van de Siberische, wat erop wijst dat de Europese populaties een eigen geschiedenis hebben; hoe die zich tot de ondersoorten verhoudt, is niet opgehelderd. Uit grote delen van het Europese areaal zijn weinig vondsten bekend, zodat de grenzen van de verspreiding onzeker zijn.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Zoals andere spitsmuizen is de kleine dwergspitsmuis het hele etmaal afwisselend actief en in rust. Het aandeel dagactiviteit verschilt per streek: in het Russische Verre Oosten valt tot 60 procent van de activiteit overdag. Het voedsel bestaat uit zeer kleine ongewervelden, waarvan de samenstelling per streek verschilt: in Karelië vooral kleine volwassen kevers en spinachtigen, in West-Siberië kleine kevers en vooral haantjes, in het Verre Oosten spinachtigen en duizendpoten. Regenwormen en muggenlarven ontbreken overal in het dieet. Een winterslaap is er niet. In West-Siberië loopt de voortplanting van mei tot half augustus, met gemiddeld vier tot vijf embryo's per vrouwtje; in het noordoosten van Europees Rusland zijn vier tot negen embryo's geteld. Vrouwtjes die in het jaar zelf geboren zijn, planten zich ook voort, en per seizoen zijn er ten minste twee worpen. Over het leefgebied van een individueel dier en de sociale organisatie zijn geen gegevens.
Waar en wanneer kijken
In het veld is de kleine dwergspitsmuis niet te determineren: een zeer kleine spitsmuis die in de taiga van Fennoscandië langs een veenrand of tussen stenen wordt gezien, is alleen als Sorex te noteren. De soort wordt vastgesteld in vangonderzoek, meestal met valkuilen, en dat vraagt in vrijwel alle landen een vergunning. Kom je bij zulk onderzoek een spitsmuis van rond de twee gram tegen, meet dan de staart en de achtervoet en maak een foto waarop de staart naast het lijf te zien is: een staart van hooguit de halve kop-romplengte wijst op deze soort. Vondsten uit Estland en uit het zuiden van het Scandinavische areaal vullen de kennis van de verspreiding aan.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) op de Rode Lijst van de IUCN, vanwege het zeer grote areaal. De aantallen zijn overal laag, en in de spitsmuizengemeenschap is hij doorgaans een van de minst talrijke soorten. In Rusland staat de soort op achttien regionale Rode Lijsten. Omdat vondsten schaars zijn en vaak uit gericht vangonderzoek komen, is over veranderingen in de aantallen weinig bekend. Hij staat op bijlage III van de Conventie van Bern.
Wetenschappelijke naam
Sorex minutissimus | E. A. W. von Zimmermann, 1780
E. A. W. von Zimmermann beschreef de soort in 1780 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Sorex is het Latijnse woord voor de spitsmuis. minutissimus is Latijn voor 'allerkleinst', de overtreffende trap van minutus 'klein'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.






