Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Kleine Egyptische renmuis
Kleine Egyptische renmuis | Gerbillus gerbillus
Lesser Egyptian gerbil | Gerbillus gerbillus
De kleine Egyptische renmuis (Gerbillus gerbillus) is een renmuis van stuivend zand, verspreid van de Atlantische duinen van Mauritanië tot de Sinaï en de zuidrand van de Negev, in gebieden waar de wind zand verplaatst en de begroeiing beperkt blijft tot lage struiken in de luwte. De soort is een van de bleekste renmuizen van Noord-Afrika en draagt de wetenschappelijke naam van het geslacht. Haar sprongsporen zijn 's ochtends op Saharaduinen algemeen.
Sporen
De soort wordt meestal via sporen in het zand vastgesteld en zelden via het dier zelf. 's Ochtends, voordat de wind de sporen uitwist, staan in een duinpan sprongsporen: paren langgerekte achtervoetafdrukken van twee en een halve tot ruim drie centimeter, bij langzaam lopen met de kleine voorvoetafdrukken ertussen, bij een snelle sprong zonder. Door de behaarde zolen is de afdruk gevuld en onscherp begrensd, zonder duidelijke tenen. Tussen de prenten loopt een fijne, doorlopende sleepstreep van de lange staart; springmuizen laten die streep niet achter en zetten geen voorvoeten neer, zodat dit het betrouwbaarste onderscheid is. Het hol is groot: een gangenstelsel van vijf tot vijfenveertig meter lang, dertig tot tachtig centimeter onder het oppervlak, met drie of vier ingangen die overdag worden dichtgestopt. Overdag zijn bewoonde holen daardoor nauwelijks te zien; na zonsondergang liggen er open ingangen met verse zandwaaiers. Rond de ingangen liggen zaadhuiden, lege doppen en aangevreten knoppen en blaadjes van struiken als Thymelaea, reigersbek en weegbree. Zeefkuiltjes in het zand onder de struiken geven aan waar het dier naar zaad heeft gezocht. Keutels zijn klein (twee tot drie millimeter), donker, hard en droog, en liggen verspreid. Braakballen van de kerkuil onder palmen of in ruïnes bevatten in zandgebieden vaak veel resten van deze soort.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een kleine, licht gebouwde renmuis van zeven tot tien en een halve centimeter, met een zeer lange staart van negen tot bijna veertien centimeter, honderdvijfendertig tot honderdvijfenveertig procent van de kop-romplengte. De rug is zandkleurig tot licht oranje, elk haar met een grijze basis en een oranje schacht; de buik is zuiver wit en scherp afgegrensd. Rond het oog staat een witte ring en achter de oorbasis een witte vlek; ook op het achterwerk staat een lichte vlek, en handen en voeten zijn wit. De oren zijn groot en dicht behaard (10 tot 18 mm). De staart is tweekleurig, zandkleurig boven en wit onder, en eindigt in een pluim van witachtige tot donkergrijze haren. De achtervoet meet 25 tot 32 millimeter en heeft dicht behaarde zolen, waardoor het dier op los zand niet wegzakt. Gewicht veertien tot vijfendertig gram. Vrouwtjes hebben vier paar tepels; het chromosoomgetal is 2n = 42 of 43.
Gelijkende soorten
De renmuizen van los zand zijn in het veld vaak niet tot op soort te determineren. Gerbillus andersoni is de zustersoort en het moeilijkst te onderscheiden: dezelfde achtervoetmaat en dezelfde behaarde zolen, maar warmer oranjebruin en met een naar verhouding kortere staart (ongeveer honderdtwintig procent van de kop-romplengte, tegen honderdvijfendertig tot honderdvijfenveertig bij de kleine Egyptische renmuis). Flowers renmuis (Gerbillus floweri) is duidelijk zwaarder en heeft een veel grotere achtervoet van 31 tot 38 millimeter; dat verschil is het bruikbaarste binnen de groep en is ook aan een prent in het zand te meten. Gerbillus dasyurus leeft op rots en grind in plaats van zand, is grijzer geel, heeft een donkere wenkbrauwstreep en een kortere achtervoet. De dikstaartmuis heeft een korte staart en een gedrongen bouw, de stekelmuizen hebben een stekelvacht en leven op steen, en de springmuizen hebben veel langere achterpoten en zetten alleen de achtervoeten neer. In de praktijk is het substraat de beste aanwijzing: op stuivend zand gaat het meestal om deze soort.
Leefgebied
Zand, bij voorkeur bewegend zand: stuifduinen en duinpannen, verstoven zand in wadibeddingen, zandvlakten met een schrale begroeiing van lage struiken, de zandige randen van zoutpannen en sebkha's, en dadelpalmgaarden en oases waar het zand tot tussen de bomen reikt. De soort gaat verder het losse zand in dan Gerbillus andersoni, die half vastgelegde duinen verkiest. Op harde bodem (hamada, grind, rots) ontbreekt ze en komen andere soorten voor. Aan de Mauritaanse kust zijn dichtheden van 0,2 tot 4,8 dieren per hectare gemeten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Vrijwel de hele Sahara en haar randen: van Marokko en Mauritanië oostwaarts door Algerije, Tunesië, Libië, Mali, Niger en Tsjaad tot Egypte en Noord-Soedan, en verder tot Noord-Djibouti; in het oosten tot in de Sinaï, zuidwestelijk Israël, Palestina en zuidwestelijk Jordanië. Het noordelijke deel van het areaal omvat de hele Maghreb ten noorden van 29°N, de Libische en de Egyptische woestijn, de Nijlvallei (de typelocatie ligt in de provincie Gizeh), de Sinaï en de zuidelijke Negev. Ze is een van de wijdst verspreide renmuizen van de Sahara en komt zowel aan de Atlantische Oceaan als aan de Rode Zee voor; de enige is ze daarin niet, want ook Gerbillus nanus reikt in de ruime opvatting van de Mammal Diversity Database van Mauritanië en Marokko tot voorbij de Rode Zee.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en uitsluitend op de grond levend; overdag verblijft het dier in een diep, dichtgestopt gangenstelsel dat het zelf graaft. Het voedsel bestaat vooral uit zaad, aangevuld met blad, knoppen en vruchten van woestijnstruiken en in het voorjaar met insecten; de soort legt voorraden aan en drinkt niet. Meerdere dieren delen een gangenstelsel, in tegenstelling tot de solitaire Gerbillus andersoni. Het leefgebied is ongeveer honderd meter in doorsnee; per nacht verwijdert een dier zich gemiddeld ongeveer tien meter van het hol, maar één dier is binnen vier nachten op honderdvijf meter afstand teruggevangen. Van dieren die op vijfhonderd tot duizend meter afstand werden losgelaten, vond de helft het hol terug, en van dieren op twee kilometer een vijfde. In Mauritanië vindt voortplanting het hele jaar plaats, met drie tot zes jongen per worp. In het laboratorium is vastgesteld dat de soort in torpor kan gaan; in het veld is ze ook in de Saharawinter 's nachts actief.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is het grootst in de eerste twee uur na zonsondergang op een maanloze nacht; bij maanlicht blijven de dieren onder de struiken. Rijd stapvoets over een zandpiste of loop langs de voet van een duinhelling en zoek met een lamp naar de oranje oogreflectie; de dieren zijn weinig schuw en blijven vaak zitten. Bij het eerste licht, voordat de wind opsteekt, zijn de sporen van de nacht op het duin te zien: de sprongsporen met de fijne staartstreep, de zeefkuiltjes onder de struiken en holingangen die nog niet zijn dichtgestopt. Een achtervoetafdruk van twee en een halve tot drie centimeter past bij deze soort, bijna vier centimeter bij Flowers renmuis. Braakballen onder palmen geven een beeld van de knaagdiersoorten in de omgeving.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Het areaal omvat de hele Sahara en haar randen, van de Atlantische Oceaan tot de Rode Zee. De soort is talrijk waar ze voorkomt, en stuivend zand wordt weinig door de mens gebruikt. Plaatselijk hebben de vastlegging van stuifzand door aanplant, de uitbreiding van landbouw op oasezand en overbegrazing van de struiken waarvan ze het zaad eet gevolgen; dat zijn lokale factoren binnen een areaal waarin de soort vrijwel nergens onder druk staat. Aantallen, schommelingen en de rol in de voedselketen van de woestijn zijn slechts op enkele plaatsen gemeten.
Wetenschappelijke naam
Gerbillus gerbillus | (Olivier, 1800)
Olivier beschreef de soort in 1800 als Dipus gerbillus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Giza.



