Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Flowers renmuis
Flowers renmuis | Gerbillus floweri
Flower's Gerbil | Gerbillo de Flower
Flowers renmuis (Gerbillus floweri) is de grootste renmuis van de duinen van de Sinaï. Kenmerkend is de grote achtervoet, tot bijna 4 cm, bij een gewicht van minder dan 70 gram. De soort is genoemd naar Stanley Smyth Flower, de Britse directeur van de dierentuin van Gizeh, en beschreven uit een wadi bij Al Arish. Hij leeft op de zandstrook tussen de Nijldelta en de Negev.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Op zand zijn de sporen van deze soort goed te herkennen, door de grote voet. In vochtig ochtendzand in een duinpan vormen de sprongsporen paren langgerekte afdrukken van 3 tot bijna 4 cm, duidelijk groter dan die van de andere renmuizen op dezelfde duin; in de praktijk is dat het bruikbaarste onderscheid. Omdat de zolen behaard zijn, is de afdruk gevuld en vaag in plaats van een scherp tenenpatroon, en bij een snelle sprong ontbreken de voorvoeten. Tussen de paren loopt vaak een fijne sleepstreep van de staart. Het hol ligt in los of half vastgelegd zand, meestal in de luwte van een struik of aan de voet van een duinhelling, met enkele ingangen en een verse zandwaaier; overdag is de ingang dichtgestopt, zodat er geen open holen zichtbaar zijn; na zonsondergang worden de ingangen geopend. Rond de ingang liggen lege zaadhuiden en uitgeknaagde pitten van kolokwint, de wilde woestijnkomkommer waarvan hij de zaden eet; de gele, harde vruchten liggen op de duin, en opengeknaagde vruchten wijzen op een bewoonde plek. Keutels zijn klein, donker en droog, 2 tot 3 mm, verspreid en niet in een latrine. In het zand rond de struiken liggen zeefkuiltjes waar zaad uit het zand is gehaald.
Herkenning
Een forse, langgerekte renmuis van 9,5 tot 13 cm kop-romplengte, met een staart van 13 tot bijna 16 cm (120 tot 130 procent van de kop-romplengte), tweekleurig en eindigend in een klein grijs pluimpje. De rug is kaneelkleurig tot vaal geelbruin, met een vage lichtere rugstreep die alleen bij strijklicht zichtbaar is; de buik is zuiver wit. De oren zijn groot, dun en ongepigmenteerd (14 tot 18 mm). Het beslissende kenmerk is de achtervoet van 31 tot 38 mm, met dicht behaarde zolen; dit is de grootste achtervoet van de renmuizen van de Sinaï en de Negev. Gewicht 26 tot 63 gram, duidelijk meer dan bij verwante soorten in hetzelfde gebied. De schedel heeft sterk vergrote gehoorblazen, die een scherp gehoor geven, onder meer voor naderende uilen.
Gelijkende soorten
Op dezelfde duinen leven twee andere renmuizen. Gerbillus andersoni is kleiner en lichter (16 tot 38 gram), oranjebruiner, en heeft een kleinere achtervoet van 25 tot 32 mm. De kleine Egyptische renmuis (Gerbillus gerbillus) is nog kleiner en bleker, weegt 14 tot 35 gram en heeft eveneens een achtervoet van 25 tot 32 mm. Deze soort is dus bij benadering de zware renmuis met de grote voet van de groep, maar de maten overlappen aan de randen, en een jong dier van deze soort is niet van een volwassen andersoni te onderscheiden. Gerbillus dasyurus verschilt duidelijk: kleiner, grijzer geel, met een donkere wenkbrauwstreep, een korte achtervoet van 20 tot 27 mm, en hij leeft op rots en grind in plaats van op zand. De dikstaartmuis en de stekelmuizen zijn aan hun korte of vrijwel kale staart te onderscheiden. In het veld zijn deze renmuizen vaak niet op soort te brengen; zonder meting van de achtervoet is het geslacht de juiste determinatie.
Leefgebied
Zand met enige dekking: duinen en duinpannen, zandvlakten aan de kust, zandstroken langs wadi's, dadelpalmplantages en acaciagroepen, en de zandige randen van zoutmeren en zoutpannen met lage struikbegroeiing. De soort komt ook voor in bebouwd en bewerkt land, zoals akkerranden en tuinen op zandgrond in de Nijldelta en langs de kust, en bereikt in de duinen van de noordelijke Sinaï plaatselijk hoge dichtheden. Op rotsgrond ontbreekt hij; daar leeft Gerbillus dasyurus.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een smal gebied: de zandstrook aan weerszijden van de Nijldelta en het noorden van Egypte, de hele noordelijke Sinaï (de typelocatie ligt in Wadi Hareidin, enkele mijlen ten zuiden van Al Arish), en verder de Negev en de kustvlakte van Zuid-Israël en Palestina. De Mammal Diversity Database rekent sinds versie 2.5 ook perpallidus, de bleke renmuis van de westelijke woestijnrand van Egypte, tot deze soort; op nieuwere kaarten loopt het areaal daardoor verder naar het westen dan op oudere.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en volledig op de grond levend; overdag rust hij in een zelfgegraven, dichtgestopte gang in het zand. Hij eet zaden en plantendelen, met name vastgesteld zijn zaden van kolokwint, en daarnaast insecten. Over de voortplanting in het wild is vrijwel niets gepubliceerd: het Handbook of the Mammals of the World vermeldt er niets over, en andere gegevens die in omloop zijn (een voortplantingsseizoen van mei tot december, een worp van ongeveer vier jongen, een draagtijd van 20 tot 22 dagen, geslachtsrijp binnen drie maanden) komen uit secundaire bronnen en zijn niet geverifieerd. Er is geen winterslaap; op de Sinaï is de soort het hele jaar 's nachts actief. De grote, behaarde achtervoet en de vergrote gehoorblazen zijn aanpassingen voor snelle vlucht over los zand bij naderende uilen.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de duinen van de noordelijke Sinaï of de zandstroken van de noordwestelijke Negev na het donker met een lamp. De eerste twee uur na zonsondergang in een maanloze nacht leveren de meeste waarnemingen op; rijd stapvoets over een zandpiste of loop langs de voet van een duin en let op oogreflectie. De betrouwbaarste manier om deze soort vast te stellen is echter via de prent: loop bij het eerste licht, voordat de wind de sporen heeft uitgewist, door een duinpan en meet de afdrukken van de achtervoet. Afdrukken van 3 tot 4 cm wijzen op deze soort, 2 tot 3 cm op een van de kleinere verwante soorten. Zoek daarnaast naar opengeknaagde kolokwintvruchten en dichtgestopte holingangen. Noteer bij twijfel alleen het geslacht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2008). De beoordeling dateert van vóór de taxonomische herziening waarbij perpallidus aan de soort is toegevoegd; een nieuwe beoordeling met de ruimere soortopvatting ontbreekt. Het areaal is klein en ligt op de zandstroken die in Egypte en Israël het sterkst onder druk staan: kustbebouwing, landbouw op duinzand en het vastleggen van stuifzand verkleinen het leefgebied van de soort. Daar staat tegenover dat hij in de duinen van de noordelijke Sinaï nog in hoge dichtheden voorkomt en ook akkerranden en palmplantages gebruikt.
Wetenschappelijke naam
Gerbillus floweri | O. Thomas, 1919
O. Thomas beschreef de soort in 1919 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. floweri eert Stanley Smyth Flower (1871–1946), de Britse directeur van de dierentuin van Gizeh, die Thomas van Egyptische zoogdieren voorzag. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.



