Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Gerbillus dasyurus

Gerbillus dasyurus | Gerbillus dasyurus

Wagner's Gerbil | Gerbillus dasyurus

Gerbillus dasyurus is een renmuis van rotsachtig terrein: kalkkliffen, zandsteenheuvels, grindwadi's en doornstruweel, van Zuid-Turkije tot diep in Arabië. De meeste verwante soorten leven op zand; deze soort niet. Het is de talrijkste renmuis van het Levantijnse bergland en de renmuis die in Petra, Wadi Rum en de Judese woestijn 's nachts tussen de rotsblokken wordt waargenomen.

Gerbillus dasyurus (Gerbillus dasyurus)
Foto: Broobas — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Op harde rots blijven geen sporen achter; ze zijn te vinden op plekken met zand of stof: zandophopingen tussen de rotsblokken, de stoffige rand van een wadibedding en de luwte onder een overhang. Daar staan de sprongsporen: paren langgerekte achtervoetafdrukken van ruim 1 cm, naast elkaar, met tussen de paren tot 15 cm afstand, en daartussen een dunne sleepstreep van de lange staart. Het hol is bij deze soort eenvoudig: geen uitgebreid stelsel maar een enkele gang van 0,5 tot 3 m, meestal onder een steen, in een rotsspleet of in de zandzoom onder een struik, met een kleine zandwaaier en overdag een dichtgestopte ingang. Keutels zijn klein, donker, hard en droog, 2 tot 3 mm, en liggen verspreid rond het hol en langs de foerageerroutes, niet in een latrine; dat onderscheidt ze van die van de stekelmuis op dezelfde rots, die wel latrines maakt. De vraatsporen zijn die van een zaadeter die van het oppervlak eet: kleine kuiltjes waar zand of grind is gezeefd, lege zaadhuiden en doppen van eenjarige kruiden onder een struik, en bij de holingang afgeknaagde resten van sappige plantendelen. Braakballen van kerkuil en dwergooruil in een verlaten gebouw of onder een rotsrichel geven snel uitsluitsel over het voorkomen in een wadi.

Herkenning

Een kleine, fijngebouwde renmuis van 7 tot 11 cm kop-romplengte, met een lange, dicht behaarde staart van 8,5 tot 14 cm (122 tot 155 procent van de kop-romplengte) die eindigt in een duidelijke pluim. De vacht is dicht en zacht, de rug bleek grijsgeel, de buik zuiver wit. Op het gezicht staan witte vlekken, en boven het oog loopt een donkere wenkbrauwstreep die de soort van de zandbewonende renmuizen onderscheidt. De oren zijn klein voor een renmuis (9 tot 16 mm) en de achtervoet is kort: 20 tot 27 mm, tegen 25 tot 38 mm bij de renmuizen van los zand. Die korte voet is een aanpassing aan het leven op rots en grind. Vrouwtjes hebben vier paar tepels; het chromosoomgetal is 2n = 60.

Gelijkende soorten

Van de renmuizen in de Levant is dit de best herkenbare, vanwege het leefgebied: op rots en grind is het vrijwel altijd de enige Gerbillus. De kleine Egyptische renmuis (Gerbillus gerbillus), Flowers renmuis (Gerbillus floweri) en Gerbillus andersoni leven alle drie op zand, hebben een veel grotere achtervoet (25 tot 38 mm) en missen de donkere wenkbrauwstreep; waar een duin tegen een rotshelling ligt, kunnen ze naast elkaar voorkomen, en dan zijn achtervoet en leefgebied de enige aanwijzingen. De zandmuizen van het geslacht Meriones leven in hetzelfde rotslandschap, maar zijn duidelijk groter en zwaarder, met een kortere, dikkere staart. De stekelmuizen gebruiken dezelfde rotsspleten; ze hebben een ruwe stekelvacht, een staart die niet langer is dan het lichaam en geen pluim, en ze lopen waar de renmuis springt. Noteer bij twijfel alleen het geslacht Gerbillus.

Leefgebied

Rots, grind en doornstruweel, en uitdrukkelijk geen duinen: kalkkliffen en kalkplateaus, zandsteenheuvels, puinhellingen, wadibeddingen met grind en lage begroeiing, doornstruweel en de stenige steppe daarachter; in Israël van ongeveer 500 tot 2000 m. De soort zit onder stenen, in spleten of in de zandzoom onder een woestijnstruik, en komt ook voor in stapelmuren van oude terrassen en in puinhellingen langs wegen. Los stuifzand wordt gemeden; dat is de scherpste ecologische grens binnen de groep: in de Levant zijn de Gerbillus-soorten verdeeld in soorten van zand en soorten van steen, en deze soort behoort tot de laatste.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Zuid-Turkije via Syrië, Libanon, Israël, Palestina en Jordanië tot de Sinaï, en oostwaarts via Irak over het hele Arabisch Schiereiland tot Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. Het noordwestelijke deel van het areaal omvat de zuidrand van Anatolië, de Syrische en Libanese bergrand, het Levantijnse rotsland (de Judese woestijn, de kloven boven de Dode Zee, Petra, Wadi Rum) en de Sinaï. In geschikt terrein is het daar de algemeenste renmuis: er zijn dichtheden gemeten van ruim 7 tot ruim 32 dieren per hectare, die sterk afhangen van de regenval in het voorafgaande winterhalfjaar. Na een natte winter zijn de dichtheden in een wadi hoog; na twee droge jaren is de soort er nauwelijks te vinden.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Strikt nachtactief en volledig op de grond levend. Het voedsel is vooral plantaardig: zaden van eenjarige kruiden die van het bodemoppervlak worden opgenomen, daarnaast sappige plantendelen en af en toe een insect. In de gang wordt een voorraad aangelegd. De soort graaft zelf, maar beperkt: één gang van 0,5 tot 3 m, meestal onder een steen of struik. De voortplanting loopt van februari tot oktober, met een piek in het voorjaar na de winterregens; de draagtijd is in Israël 18 tot 22 dagen en in Saoedi-Arabië vier tot zes dagen langer, en de worp telt vier tot acht jongen. Anders dan bij stekelmuizen worden de jongen naakt en blind geboren: de ogen gaan op dag 22 open en ze worden rond dag 40 gespeend. In het wild wordt de soort twee tot vijf jaar oud, in gevangenschap ruim vier. Er is geen winterslaap; in de koude, natte weken van de Levantijnse winter is de soort juist het actiefst, omdat dan kiemplanten en verse zaden beschikbaar zijn.

Waar en wanneer kijken

Rijd na zonsondergang stapvoets over een grindpiste in een wadi of loop met een lamp langs de voet van een kalkklif; in Wadi Rum, de Judese woestijn, rond Petra en in de zuidelijke Negev is dit de renmuis die er wordt waargenomen, met een oranjerode oogreflectie. De eerste twee uur na het invallen van de duisternis en een maanloze nacht zijn het best. Let op het silhouet: lange staart met pluim, kleine oren en een verende sprong over het grind. Zoek overdag onder stenen langs een wadirand naar de enkele gang met een verse zandwaaier, en in het stof naar sprongsporen met de fijne staartstreep ertussen. De beste jaren zijn die na een natte winter: tussen goede en slechte jaren verschillen de dichtheden bij deze soort met een factor vier.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), algemeen en wijdverspreid; van de renmuizen in de regio is deze soort het minst afhankelijk van een kwetsbaar leefgebied, omdat rotsland zelden wordt bebouwd of omgeploegd. De aantallen schommelen sterk met de regenval; dat is een natuurlijke fluctuatie en geen achteruitgang. De naamgeving vraagt aandacht: de Mammal Diversity Database heeft de soort in versie 2.5 van Dipodillus terug naar Gerbillus verplaatst, en veel literatuur, veldgidsen en waarnemingsdatabanken gebruiken nog Dipodillus dasyurus. Bij vergelijking van oudere en nieuwere bronnen gaat het om dezelfde soort.

Wetenschappelijke naam

Gerbillus dasyurus | (J. A. Wagner, 1842) (GBIF: Dipodillus dasyurus)

J. A. Wagner beschreef de soort in 1842 als Meriones dasyurus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. dasyurus is Grieks voor 'ruwstaart', van dasys 'dicht behaard, ruig' en oura 'staart', naar de lange haren aan het staarteinde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Sinaï.