Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Gerbillus andersoni
Gerbillus andersoni | Gerbillus andersoni
Anderson's Gerbil | Gerbillus andersoni
Gerbillus andersoni is een renmuis van kustduinen, van de Tunesische Sahel tot de Egyptische Middellandse-Zeekust en verder over de Sinaï tot de duinen van Israël. Er is geen gangbare Nederlandse of Spaanse naam; in het Engels heet de soort Anderson's Gerbil. Het is een van de best onderzochte woestijnknaagdieren: veel van wat bekend is over het naast elkaar leven van knaagdiersoorten is gemeten op de duinen van de Negev, waar deze soort met verwante soorten samenleeft.
Sporen
In het leefgebied zijn sporen bruikbaarder dan waarnemingen van het dier. In fijn, vochtig ochtendzand staan de sporen van een springende renmuis: paren langgerekte achtervoetafdrukken van elk 1 tot 1,5 cm, met de voorvoeten ertussen bij langzaam lopen en zonder voorvoeten bij snelle sprongen. Omdat de zolen behaard zijn, is de prent een vage, gevulde afdruk zonder scherp tenenpatroon. Tussen twee sprongsporen loopt vaak een dunne, doorlopende sleepstreep van de staart; bij een renmuis smal en licht, bij een springmuis afwezig. Het hol is een gangenstelsel in een half vastgelegde duinhelling of in de luwte van een struik, met enkele ingangen van 2 tot 3 cm doorsnede, een verse zandwaaier ervoor, en overdag een dichtgestopte ingang; daardoor zijn op een duin met renmuizen overdag geen open holen te zien en na zonsondergang wel. Bij het hol liggen zaadhuiden en lege doppen en aangevreten vruchten van kustplanten, waaronder Thymelaea. Keutels zijn klein (2 tot 3 mm), donker, hard en droog, en liggen verspreid, niet in een latrine. In duinpannen zijn krabsporen van graven en foerageren te vinden: renmuizen zeven zand op zoek naar zaad en laten kuiltjes van enkele centimeters achter, het duidelijkste teken dat het zand bewoond is.
Herkenning
Een slanke renmuis van 7 tot 11,5 cm kop-romplengte, met een staart die langer is dan het lichaam (9 tot 13,5 cm) en in een donkerder eindpluimpje uitloopt. De rug is zandoranje tot oranjebruin, warmer van tint dan bij de meeste verwante soorten; de buik is zuiver wit, met een scherpe grens langs de flank. De oren zijn middelgroot (14 tot 18 mm), de ogen groot en zwart. De achterpoten zijn lang en de achtervoet meet 25 tot 32 mm, met behaarde zolen die op los zand grip geven. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes en hebben een langere staart. Gewicht 16 tot 38 gram. Het chromosoomgetal (2n = 40) is beslissend; op uiterlijke kenmerken alleen is de soort niet met zekerheid te determineren.
Gelijkende soorten
Renmuizen van het geslacht Gerbillus zijn in het veld vaak niet van elkaar te onderscheiden. De kleine Egyptische renmuis (Gerbillus gerbillus) is de naaste verwant en het moeilijkst te onderscheiden: ongeveer even groot, met dezelfde behaarde zolen en dezelfde achtervoetmaat, maar gemiddeld bleker en met een verhoudingsgewijs langere staart (135 tot 145 procent van de kop-romplengte, tegen ongeveer 120 procent). Flowers renmuis (Gerbillus floweri) leeft in de Sinaï en de Negev op dezelfde duinen, maar is zwaarder en heeft een grote achtervoet van 31 tot 38 mm; dat is het bruikbaarste veldkenmerk binnen de groep. Gerbillus dasyurus verschilt in leefgebied: die leeft op rots en gruis, is grijzer geel en heeft een kleinere achtervoet (20 tot 27 mm). De dikstaartmuis heeft een korte staart en een gedrongen bouw. De stekelmuizen hebben een stekelvacht, maken korte sprongen en leven op steen. Voor zekerheid zijn karyotype of DNA nodig.
Leefgebied
Zand met enige vastlegging: half vastgelegde kustduinen en duinpannen, zandzomen langs wadi's, zandige berghellingen, vlakten met verstoven zand en schrale struikbegroeiing, en in oasen en langs de kust dadelpalmgaarden en akkerranden. Los, volledig stuivend zand wordt meer gemeden dan door de kleine Egyptische renmuis, die daar juist leeft; vastgelegd zand met enige struikbegroeiing is het leefgebied van deze soort. In Israël is het de renmuis van de kustvlakte en van de half vastgelegde duinen van de noordwestelijke Negev, tot aan de rand van steden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Twee gescheiden delen. De nominaatvorm leeft in de Noord-Afrikaanse kuststrook van Tunesië via Libië tot Egypte, met de typelocatie bij Mandara ten oosten van Alexandrië. De vorm allenbyi bewoont de Sinaï, Israël, Palestina en West-Jordanië. Het areaal omvat daarmee de Tunesische Sahel, de kust van Cyrenaica, de Egyptische Middellandse-Zeekust, de Sinaï en de Israëlische kustvlakte en Negev. De soort heeft veel synoniemen en kan een soortencomplex blijken te zijn; de Mammal Diversity Database behandelt haar voorlopig als één soort met twee ondersoorten.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en volledig op de grond levend; overdag verblijft het dier in een zelfgegraven gang met dichtgestopte ingang. Alleseter; in onderzochte diëten vormen groene plantendelen ongeveer 42 procent, zaden 35 procent en insecten 20 procent, zodat deze soort minder uitsluitend zaad eet dan verwante soorten. Zaden van struikjes, waaronder Thymelaea, zijn een vast bestanddeel. De soort leeft solitair en is agressief tegenover soortgenoten; om voedsel wordt gevochten, en de leefgebieden zijn klein. Op de duinen van de Negev is met deze soort en een grotere verwante soort onderzocht hoe twee knaagdieren dezelfde duin delen: ze verdelen niet zozeer het voedsel als wel de tijden en plaatsen waarop het risico van predatie door uilen verschilt, en passen hun activiteit aan maanlicht, dekking en elkaars aanwezigheid aan. De voortplanting valt in het winterhalfjaar en het voorjaar, ruwweg van januari tot juni; na een draagtijd van 20 tot 22 dagen worden drie tot zeven jongen geboren. Er is geen winterslaap; ook in januari is de soort 's nachts actief.
Waar en wanneer kijken
Zoek na het donker met een lamp op een duin. Half vastgelegde duinen met struikjes in de noordwestelijke Negev, langs de Egyptische Middellandse-Zeekust en op de Tunesische Sahel zijn geschikte gebieden; de eerste twee uur na zonsondergang zijn het beste, en een donkere nacht zonder maan levert veel meer dieren op dan een heldere, omdat renmuizen bij maanlicht dekking zoeken. Rijd stapvoets over een zandpiste of loop met een zaklamp langs de voet van een duin en let op de oranje oogreflectie. Overdag geven sporen informatie: loop langs de luwe kant van de duin en tel verse zandwaaiers, zeefkuiltjes en sprongsporen in het ochtendzand voordat de wind ze uitwist. Determinatie tot op soort is in het veld meestal niet mogelijk; noteer het geslacht Gerbillus.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) en algemeen in het hele areaal. De druk is plaatselijk en van twee soorten: overbegrazing, die de struikjes wegneemt waaronder de soort dekking en zaad vindt, en bebouwing van kustduinen, die in Israël en langs de Egyptische kust juist het leefgebied met de hoogste dichtheden treft. Kustduin is in het hele Middellandse Zeegebied de schaarste grondsoort geworden, en een soort die daaraan gebonden is, verliest leefgebied zonder dat de wereldwijde status verandert. Daarnaast is er taxonomische onzekerheid: als dit complex in meer soorten wordt opgesplitst, kan de status van sommige daarvan anders zijn dan die van het geheel nu.
Wetenschappelijke naam
Gerbillus andersoni | de Winton, 1902
De Winton beschreef de soort in 1902 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Gerbillus is een verkleinwoord bij gerbo, de oude naam van de springmuis, uit het Arabische yarbūʿ: het kleine broertje van de jerboa. andersoni eert de Schotse zoöloog John Anderson (1833–1900); de Winton voltooide na diens dood zijn Zoology of Egypt en beschreef het dier in dat werk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Alexandria.



