Alle soorten › Insecteneters › Egels › Langooregel

Langooregel | Hemiechinus auritus

Long-eared hedgehog | Erizo Orejudo

De langooregel (Hemiechinus auritus) is een egel van steppe en halfwoestijn, met lange oren en lange poten. Het areaal ligt grotendeels in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Centraal-Azië; in Europa komt de soort alleen nog voor in Zuid-Rusland en op Cyprus, en uit Oekraïne is ze verdwenen. Op de Europese regionale Rode Lijst staat ze als kwetsbaar, de hoogste bedreigingscategorie onder de Europese egels.

Langooregel (Hemiechinus auritus)
Foto: Hannes Grobe/AWI — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het bruikbaarste spoor is het hol: een zelf gegraven gang van twintig centimeter tot anderhalve meter lang met één opening, meestal onder een struik, in de kant van een greppel of in de losse grond van een droge rivierbedding, met een kleine grondwaaier voor de ingang. De gewone egel graaft geen hol, maar gebruikt een bladnest onder een takkenhoop. De keutel lijkt op die van andere egels maar is kleiner, twee tot vier centimeter, cilindrisch, zwart en glanzend, en bevat veel resten van kevers; in droge gebieden ook resten van schorpioenen, die geregeld worden gegeten. Keutels liggen open op paden, bij de holingang of op dorsvloeren. De prent is klein; in het spoor staan de prenten door de lange poten ver uit elkaar en regelmatig, meer zoals bij een klein roofdier dan bij de gewone egel. In stuifzand is de vijftenige prent met de ver vooruitstekende nagels goed herkenbaar. In het zand van oases en tuinranden zijn kegelvormige snuitputjes te vinden. 's Nachts snuift en blaast het dier hoorbaar. Omdat het per nacht zeven tot negen kilometer aflegt, meer dan de gewone egel, kan het ochtendspoor een lange, rechte lijn door het zand zijn.

In zijn leefgebied

Langooregel, op het kale zand van een natuurreservaat in de steppe van kyzylorda, kazachstan — buiten het kaartvenster van deze gids, maar precies het droge, halfopen land waar de soort thuishoort; de witte buik en het lange oor zijn hier goed te zien
Op het kale zand van een natuurreservaat in de steppe van Kyzylorda, Kazachstan — buiten het kaartvenster van deze gids, maar precies het droge, halfopen land waar de soort thuishoort; de witte buik en het lange oor zijn hier goed te zien · Foto: Леонид Ишков — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Langooregel, kop recht van voren, cyprus: de twee grote, licht gepunte en beweeglijke oren die boven het stekelkleed uit staan, en het egale, maskerloze gezicht dat hem van de abessijnse egel scheidt
Kop recht van voren, Cyprus: de twee grote, licht gepunte en beweeglijke oren die boven het stekelkleed uit staan, en het egale, maskerloze gezicht dat hem van de abessijnse egel scheidt · Foto: Hannes Grobe/AWI — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, licht gebouwde egel van zestien tot achtentwintig centimeter en meestal tweehonderddertig tot vierhonderd gram, ongeveer een derde van het gewicht van een gewone egel, met uitschieters tot een kilo. De oren zijn vier tot zes centimeter lang, licht gepunt en beweeglijk, en steken duidelijk boven het stekelkleed uit; ze spelen een rol bij de warmteafgifte. De poten zijn lang; de staart is een stompje van een tot vijf centimeter dat in het veld niet zichtbaar is. De stekels zijn ongeveer vijfentwintig millimeter lang, op de onderrug en flanken tot vierendertig, en hebben twee brede zwarte banden met daartussen een lichte band en een lichtbruine punt, waardoor het stekelkleed fijn gestreept en licht oogt. De buikvacht is wit en scherp begrensd, en het gezicht is egaal grijsbruin tot zandkleurig, zonder masker en zonder kale scheiding op de kruin. Bij gevaar rolt het dier zich niet altijd op: vaker rent het weg of springt het sissend naar de belager.

Gelijkende soorten

De abessijnse egel (Paraechinus aethiopicus) heeft ook grote oren en komt in Israël, Jordanië en Noord-Afrika samen met de langooregel voor, maar heeft een donker masker rond snuit en ogen, met daarboven een brede witte voorhoofdsband, en donkere poten; de langooregel heeft een egaal gezicht. De oren van Paraechinus zijn bovendien breder en ronder, die van de langooregel langer en spitser. Erinaceus concolor, die in Turkije en de Levant in cultuurland leeft, is veel forser en donkerder, met kleine oren die nauwelijks boven de stekels uitkomen en een donkere buik met een witte borstvlek; deze soort blijft in akkers en tuinen, terwijl de langooregel ook in droger terrein voorkomt. Op Cyprus is de langooregel de enige egel. In Zuid-Rusland grenst het areaal aan dat van de Oost-Europese egel; oren, witte buik en lange poten onderscheiden de langooregel. Een oor dat langer is dan de stekels eromheen wijst op deze soort.

Leefgebied

Droog, open en halfopen land, maar geen kale woestijn: de soort verdraagt hitte en droogte slechts matig en heeft water en dekking nodig. Leefgebieden zijn droge rivierbeddingen, duinranden, oases, dalen met struiken, halfwoestijn en steppe, en daarnaast in sterke mate cultuurland: akkers, boomgaarden, tuinen, parken en dorpsranden, waar water en insecten samen voorkomen. In Pakistan is de soort gevonden tussen negenhonderd en vijfentwintighonderd meter. De jaarlijkse neerslag in het kerngebied ligt tussen ongeveer honderd en vierhonderd millimeter, de overgangszone tussen steppe en woestijn; in Europa beperkt dat het voorkomen tot het zuidoosten.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noord-Libië en Egypte door het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot Mongolië, West-China en West-Pakistan. De nominaatondersoort reikt het verst naar Europa: Oekraïne, Zuidwest-Rusland en de oostelijke Kaukasus. Op Cyprus is de soort volgens het Handbook of the Mammals of the World door de mens ingevoerd. Rond de oostelijke Middellandse Zee komen de meeste waarnemingen uit Cyprus en Israël, met enkele uit Egypte en Jordanië. Uit Oekraïne zijn de laatste twintig jaar geen waarnemingen gemeld, en specialisten beschouwen de soort daar als verdwenen. In Europa resteren daarmee Zuid-Rusland en Cyprus. Uit Nederland is één waarneming bekend, van een ontsnapt dier.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief en solitair, maar niet agressief tegenover soortgenoten; leefgebieden van mannetjes beslaan ongeveer vijf hectare, die van vrouwtjes één tot drieënhalf, en ze overlappen. Per nacht legt een dier zeven tot negen kilometer af. Alleseter: vooral insecten, daarnaast andere ongewervelden, kleine gewervelden, eieren, aas, vruchten en zaden. De soort eet ook schorpioenen en slangen; tegenover een slang beschermt ze zich met de stekels en rolt ze zich op wanneer de slang toeslaat. De voortplanting loopt van het voorjaar tot in de late zomer; na een draagtijd van achtentwintig tot tweeënveertig dagen worden drie tot vijf jongen geboren, soms één tot zeven, van zeven tot dertien gram, die na een maand tot veertig dagen gespeend zijn. Jongen kunnen na zes weken geslachtsrijp zijn. De levensduur bedraagt zes tot zeven jaar. De overwintering verschilt per streek: de soort gaat in torpor, maar de duur varieert. In Noord-Afrika duurt die vijf tot veertig dagen achtereen, in de bergen van Pakistan vijf tot zes maanden, en in de Russische steppe, met strenge winters, houdt de soort een winterslaap van maanden. Op Cyprus is ze in zachte winters waarschijnlijk vrijwel het hele jaar actief.

Waar en wanneer kijken

Op Cyprus is de soort het gemakkelijkst te vinden. Zoek bij het laatste licht en in de eerste nachturen langs akkerranden, irrigatiekanalen, dorpsranden en hoteltuinen; de dieren komen ook op gazons. Maart tot mei en september zijn de beste maanden. In Israël zijn de halfwoestijnranden en oases van de Negev en de Jordaanvallei geschikt; daar komt ook de abessijnse egel voor, en het gezicht onderscheidt de twee. Gebruik een zaklamp met rood filter. Omdat het dier bij verstoring eerder wegrent dan zich oprolt, benader je het langzaam en gebukt. Bij een gevonden hol kun je 's avonds wachten; het hol heeft één ingang, waar het dier naar buiten komt. In Zuid-Rusland is de soort schaars en plaatselijk; gedocumenteerde waarnemingen zijn daar van belang voor de kennis van de verspreiding.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2021); in het Aziatische deel van het areaal is de soort algemeen en stabiel. Op de regionale Rode Lijst van Europa staat ze als kwetsbaar, de hoogste categorie van de Europese egels. Ze is uit Oekraïne verdwenen en komt in Europa alleen nog voor in Zuid-Rusland en op Cyprus; in verscheidene Russische regionale Rode Boeken staat ze als zeldzaam. Het Europese aantal wordt geschat op minder dan enkele duizenden dieren, een schatting die op weinig gegevens berust. De oorzaken zijn dezelfde als bij andere egels: omzetting van steppe in akkerland, verlies en versnippering van struweel langs droge beddingen, en verkeer. Er bestaat geen meetreeks waarmee de achteruitgang in Zuid-Rusland te volgen is, en de situatie op Cyprus is nooit systematisch in kaart gebracht.

Wetenschappelijke naam

Hemiechinus auritus | (S. G. Gmelin, 1770)

S. G. Gmelin beschreef de soort in 1770 als Erinaceus auritus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Hemiechinus is Grieks, van hēmi- 'half' en echinos 'egel': de halve egel, omdat de stekels maar een deel van de rug bedekken. auritus is Latijn voor 'langoorig', bij auris 'oor', naar de oren die ver boven de stekels uitsteken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Astrachan.