Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Mediterrane monniksrob
Mediterrane monniksrob | Monachus monachus
Mediterranean monk seal | Foca monje del Mediterráneo
De mediterrane monniksrob (Monachus monachus) is de enige zeehond die in de Middellandse Zee voortplant, en met ongeveer achthonderd tot duizend dieren een van de zeldzaamste zeezoogdieren. Vroeger rustte de soort op open stranden in Griekenland, Italië en Noord-Afrika; het Griekse woord voor rob zit in de naam van de mythische held Phokos, naar wie het landschap Phocis zou zijn genoemd, en de Ionische stad Phocaea voerde de monniksrob als embleem op haar munten. Tegenwoordig gebruikt ze vooral zeegrotten met een onderwateringang, een verschuiving die wordt toegeschreven aan langdurige vervolging door de mens.
Sporen
Op open stranden worden van deze soort vrijwel geen sporen meer gevonden. Sporen zijn vooral in grotten te vinden: een bewoonde grot is te herkennen aan een gladgesleten baan over het kiezelstrandje binnenin, waar de dieren zich al generaties op de kant trekken, aan een vetglans op de rotswand op rughoogte en aan een scherpe geur van zeehond en uitwerpselen in de stilstaande lucht. Op het strandje liggen plukken kort, stug haar van de verharing en soms een vormeloze keutel met visgraten en inktvissnavels. Buiten de grotten zijn de aanwijzingen indirect en vaker waargenomen: opengescheurde kieuwnetten en fuiken met een rond gat op de plaats waar de vangst zat, en vissen waarvan alleen de kop of de romp over is. Op zandbanken bij Cabo Blanco en op enkele Griekse en Turkse eilandjes gebruiken de dieren weer open stranden; daar laten ze een breed sleepspoor achter, een sleuf van ongeveer een halve meter breed van de branding naar de duinvoet.
De kop van dichtbij

Herkenning
Een zware zeehond met een gladde, kortharige vacht, een brede, afgeplatte kop en een korte, stompe snuit, waarop de neusgaten naar boven openen in plaats van naar voren; dat is het beste kenmerk wanneer alleen de kop boven water zichtbaar is. De snorharen zijn kort, dik en glad, niet gegolfd. Volwassen dieren zijn effen bruin of grijsbruin; oude mannetjes worden bijna zwart en hebben op de buik een onregelmatige witte vlek, bij mannetjes vaak vlindervormig, bij vrouwtjes eerder rechthoekig. Die vlek verschilt voldoende tussen dieren om individuen te herkennen. De romp is torpedovormig, zonder de huidplooien van de grijze zeehond. Het pasgeboren jong is zwart en wollig met een witte vlek op de buik. Bij het duiken maakt het dier één korte, krachtige plons en verdwijnt zonder verdere beweging.
Gelijkende soorten
In de Middellandse Zee is de monniksrob de enige zeehond die er regelmatig voorkomt; een zeehond in Griekse, Turkse of Cypriotische wateren is een monniksrob. In de Atlantische randgebieden (Madeira, de Westelijke Sahara, soms de Portugese kust) kan een dwalende gewone zeehond of grijze zeehond uit het noorden opduiken. De kop is dan beslissend: de monniksrob heeft een brede, platte schedel en naar boven gerichte neusgaten, beide noordelijke soorten een smallere kop en naar voren of opzij gerichte neusgaten. De monniksrob is bovendien effen gekleurd en mist de stippen van de gewone zeehond en de vlekkentekening van de grijze zeehond. Verwarring met een bruinvis of dolfijn is alleen op afstand mogelijk: die hebben een rugvin, de monniksrob niet.
Leefgebied
Rotskusten met steile wanden en zeegrotten, vooral grotten met een onderwateringang en een droog kiezel- of zandstrandje binnenin, waar de dieren rusten en jongen werpen. Daarnaast ondiepe rotsbodems, kalkplaten en zeegrasvelden tot ongeveer zestig meter diepte, waar ze jagen op octopus, pijlinktvis, murene, congeraal en bodemvissen. Waar de dieren ongestoord blijven, gebruiken ze weer open stranden en kiezelbaaien, zoals aan de kust van Mauritanië en op een aantal Griekse eilandjes.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De oostelijke Middellandse Zee, vooral de Egeïsche kusten van Griekenland en Turkije, daarnaast Cyprus, de Ionische Zee en de Adriatische kust; aan Atlantische zijde de Madeira-archipel en het schiereiland Cabo Blanco op de grens van de Westelijke Sahara en Mauritanië, met de grootste kolonie. Uit het westelijke bekken is de soort vrijwel verdwenen: in de twintigste eeuw stierf ze uit op Corsica, Sardinië, de Balearen en langs de Spaanse, Franse en Noord-Afrikaanse Middellandse-Zeekust. Op de Balearen, bij Cabo de Gata en op de Chafarinas-eilanden plantte ze zich tot het midden van de twintigste eeuw voort. Sinds ongeveer 2010 worden weer zwervende dieren waargenomen, onder meer langs de Spaanse oostkust en de Balearen, en tot in de Adriatische Zee, Israël en Libanon. Het zwaartepunt van de verspreiding in Europa ligt in Griekenland en Turkije.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend overdag actief, met duiken van zes tot tien minuten tot tientallen meters diepte; waar mensen in de buurt zijn, verschuift de activiteit naar de nacht en verlaten de dieren de grot alleen in het donker. Solitair of in kleine, losse groepen; een grot kan door meerdere vrouwtjes tegelijk worden gebruikt. Jongen worden vooral tussen september en januari geboren, één per worp, in de grot: 80 tot 100 cm lang, 17 tot 24 kilo, met een zwarte, wollige vacht met een witte buikvlek, die na vier tot zes weken verhaart naar zilvergrijs. Het jong wordt vier maanden gezoogd, lang voor een zeehond, en blijft daarna nog maanden in de buurt van de moeder. Vrouwtjes krijgen hooguit om het jaar een jong. De levensduur bedraagt twintig tot dertig jaar.
Waar en wanneer kijken
De kans op een waarneming is klein, en gericht zoeken bij grotten is ongewenst. De beste kans biedt een boottocht in het Nationaal Zeepark van Alonissos en de Noordelijke Sporaden in Griekenland, of langs de kusten van Karpathos, Gyaros of de Lycische kust van Turkije, vroeg in de ochtend, waarbij vanaf het water de kliffen worden afgezocht; ook bij Madeira (Deserta Grande) leven vaste dieren. Ga nooit een zeegrot in en vaar er niet dicht langs: één verstoring kan een vrouwtje ertoe brengen haar werpgrot op te geven, en het aantal geschikte grotten is klein. Houd afstand bij een waarneming en meld die bij de plaatselijke organisatie; bij een populatie van deze omvang is elke waarneming van belang.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2023). In juni 2023 verlaagde de IUCN de status van Bedreigd naar Kwetsbaar, omdat de populatie langzaam groeit en het verspreidingsgebied zich uitbreidt. De totale populatie wordt geschat op ongeveer achthonderd tot duizend dieren, verdeeld over drie gescheiden groepen: de oostelijke Middellandse Zee met enkele honderden dieren in Griekenland en Turkije, Cabo Blanco in Mauritanië met een vergelijkbaar aantal, en Madeira met enkele tientallen. De historische oorzaak van de achteruitgang is directe vervolging door vissers, die de soort als concurrent beschouwden en beschouwen. Daarnaast spelen verstoring van grotten door duik- en pleziervaart, verdrinking in kieuwnetten, instortende grotten, giftige algenbloei en een sterk verarmde genetische variatie met aangetoonde inteelt in het oosten een rol. Bij Cabo Blanco kwam in 1997 in enkele maanden twee derde van de kolonie om bij een massale sterfte, vermoedelijk door een algentoxine. Omdat de soort in weinig, kleine kolonies leeft, kan één zulke gebeurtenis een groot deel van de populatie treffen.
Wetenschappelijke naam
Monachus monachus | (Hermann, 1779)
Hermann beschreef de soort in 1779 als Phoca (Monachus); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Monachus is het Latijnse monachus 'monnik', uit het Griekse monachos 'alleenlevend'. Hermann nam de naam in 1779 over van het Marseillaanse moine: in de ronde kop en de zware plooien over de schouders zag hij een monnik met zijn kap. Waar dat volkswoord vandaan komt is nooit opgehelderd. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kroatië, Osor (Adriatische Zee).






