Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus liechtensteini

Microtus liechtensteini | Microtus liechtensteini

Liechtenstein's Pine Vole | Microtus liechtensteini

Microtus liechtensteini is een ondergrondse woelmuis van de zuidoostelijke Alpen en de Dinariden zonder Nederlandse naam. Hij leeft grotendeels onder de zode en wordt zelden waargenomen; GBIF bevat wereldwijd negen vindplaatsen met coördinaten. Tot deze soort wordt ook de Beierse woelmuis gerekend, een vorm die na zijn beschrijving in 1962 decennialang niet werd teruggevonden.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Het dier zelf is zelden te zien; sporen zijn de belangrijkste aanwijzing. De soort graaft ondiepe gangen direct onder de strooisel- en moslaag van bosranden en open plekken en sluit de ingangen af met aarde; dit afsluiten is kenmerkend. Waar aarde naar buiten wordt gewerkt, liggen kleine, lage hoopjes fijne grond, veel kleiner dan een molshoop en dicht bijeen in een rij langs de gang. Een molshoop is hoog, kegelvormig, opgebouwd uit kluiten en komt uit een verticale schacht. De hoop van de woelrat is groter en grover, met de gangopening zichtbaar aan de zijkant. Onder mos en bladstrooisel langs bosranden liggen geveegde looppaadjes van drie tot vier centimeter breed. Verder geschilde en doorgebeten wortels en wortelstokken van boterbloemen, anjerachtigen en heidekruid, en in de winter geknaagde bast aan de voet van jonge sparren en bergdennen. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in kleine latrines in de gang. De betrouwbaarste bron is de braakbal van bosuil en ruigpootuil. De kiezen van Microtus zijn plat, in scherpe zigzagprisma's gevouwen en groeien levenslang door; welke ondergrondse woelmuis het betreft, blijkt uit de vorm van de eerste onderkies onder een loep.

Het jong

Microtus liechtensteini, jong dier van de beierse vorm (bavaricus), rofan, noord-tirol — in de hand, vangonderzoek
Jong dier van de Beierse vorm (bavaricus), Rofan, Noord-Tirol — in de hand, vangonderzoek · Foto: Nadja Hattinger — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, gedrongen woelmuis van het ondergrondse type: bol kopje, zeer kleine oogjes, korte in de vacht verzonken oren en een korte staart van 2,7 tot 4 cm, ruwweg een derde van de kop-romplengte. De vacht is zacht, dicht en tamelijk lang, donkerbruin op de rug en grijs op de buik, zonder scherpe scheiding op de flank. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen; bij de meeste echte veldmuizen zijn dat er acht. De voetzool draagt vijf kussentjes. De schedel is licht gebouwd, met een ruime hersenpan en zonder bovenoogrichels. De bouw is die van een gravende woelmuis.

Gelijkende soorten

In het veld is deze soort niet te scheiden van andere ondergrondse woelmuizen. Het hele areaal overlapt met dat van de ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus), die gemiddeld iets kleiner is en een iets kortere staart heeft; de maten overlappen echter volledig, en het onderscheid berust op kiezen en schedel, dus op materiaal in de hand of uit braakballen. Ten westen van ongeveer de Etsch leeft Fatio's woelmuis (M. multiplex), met een langere staart van 4 tot 4,4 cm, bijna veertig procent van de kop-romplengte; dat is binnen deze groep het enige uitwendige kenmerk dat soms bruikbaar is. De tatrawoelmuis in de Karpaten komt niet in het areaal voor. Van de bovengrondse woelmuizen is de soort wel in het veld te scheiden: veldmuis en aardmuis hebben grotere ogen en zichtbare oren en gebruiken graswissels in plaats van gangen; de rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, grote ogen, uitstekende oren en een staart van ongeveer de halve lichaamslengte. Een woelmuis met zeer kleine ogen die in een gangenstelsel in een Alpenbos verdwijnt, is deze soort of de ondergrondse woelmuis; verdere determinatie vereist het gebit.

Leefgebied

Vroege bosstadia: bosranden, kapvlakten, open plekken en jonge aanplant met een dichte kruidlaag en een lichte, vochtige, vergraafbare bodem. De soort is het talrijkst in bergbos van beuk, spar en lariks en in de bergdennenzone, en komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1960 meter. Bepalend is niet het bostype maar een losse, humeuze bodem onder een gesloten kruidlaag. Kortgegraasde weide, donkere sparrenopstanden zonder ondergroei en rotsgrond worden gemeden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De zuidoostelijke Alpen en de Dinariden: uiterst zuidelijk Beieren, West- en Zuid-Oostenrijk (Noord-Tirol, Oost-Tirol, Karinthië, Salzburg, Stiermarken), Noordoost-Italië, Slovenië, West-Kroatië tot in het Velebitgebergte, waar de typelocatie ligt, West-Bosnië en West-Servië. In het westen sluit het areaal van Fatio's woelmuis aan. De Beierse woelmuis, in 1962 beschreven van Garmisch-Partenkirchen en daarna lange tijd niet meer aangetroffen, wordt in de hier gevolgde taxonomie tot deze soort gerekend. Friederike Spitzenberger vond hem in 2000 in een levendvangval in Noord-Tirol; in 2023 werd hij ook bij Mittenwald aan de Duitse kant vastgesteld. Hij leeft in een klein aantal dalen rond Zugspitze, Wetterstein en Karwendel. Deze toewijzing is niet algemeen aanvaard: genetisch vormt de Beierse vorm een eigen groep, en verscheidene auteurs behandelen M. bavaricus als aparte soort. Buiten de zuidoostelijke Alpen en de Dinariden komt de soort niet voor.

Levenswijze

Schemer- en nachtactief. De soort graaft gangenstelsels met een nestkamer en een voorraadkamer en sluit de ingangen af. Grassen vormen geen hoofdvoedsel. Ongeveer de helft van het voedsel bestaat uit groene delen van tweezaadlobbigen, vooral boterbloemen, anjerachtigen, heidekruid en maagdenpalmachtigen; bloemen, zaden, vruchten, paddenstoelen en korstmossen vormen samen ongeveer een tiende. Doordat grassen worden gemeden, is er weinig voedselconcurrentie met de veldmuis. Drachtige vrouwtjes zijn gevonden van maart tot augustus, met twee tot vier embryo's (gemiddeld 2,6) en ten minste twee worpen per jaar; de veldmuis produceert in dezelfde periode ongeveer tien keer zoveel jongen. Er is geen winterrust; onder de sneeuw blijft de soort actief.

Waar en wanneer kijken

De kans om het dier zelf te zien is zeer klein. Sporen bieden meer mogelijkheden. Zoek in juni of juli in bergbos in bijvoorbeeld Karinthië of Slovenië een bosrand of kapvlakte met een dichte kruidlaag, til mos en bladstrooisel op en volg de geveegde paadjes; de kleine hoopjes fijne aarde in een rij wijzen op het gangenstelsel. Braakballen van de ruigpootuil onder een roestplaats geven meer informatie over de kleine zoogdieren van een dal dan veldwaarnemingen. Waarnemingen van het dier zelf zijn vrijwel alleen mogelijk bij vangonderzoek: alle bruikbare foto's van deze soort zijn gemaakt van gevangen dieren in de hand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024). De beoordeling berust vooral op de omvang van het areaal; over aantallen, dichtheden en trend is vrijwel niets vastgelegd, wat ook blijkt uit het kleine aantal gecoördineerde waarnemingen. De Beierse vorm staat in Oostenrijk als ernstig bedreigd en in Duitsland als verdwenen op de Rode Lijst en behoort tot de meest bedreigde zoogdieren van Midden-Europa. Sinds 2024 loopt in Innsbruck een kweekprogramma en sinds 2025 een grensoverschrijdend beschermingsproject in de Euregio Zugspitze–Wetterstein–Karwendel. De terugvondst na bijna veertig jaar laat zien dat afwezigheid van waarnemingen bij ondergrondse woelmuizen geen bewijs van uitsterven is.

Wetenschappelijke naam

Microtus liechtensteini | (Wettstein-Westersheim, 1927)

Wettstein-Westersheim beschreef de soort in 1927 als Pitymys liechtensteini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. liechtensteini eert vorst Johann II van Liechtenstein (1840–1929), de beschermheer aan wie Wettstein zijn beschrijving opdroeg. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kroatië.