Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Baskische woelmuis
Baskische woelmuis | Microtus lusitanicus
Lusitanian Pine Vole | Topillo Lusitano
De Baskische woelmuis is het talrijkste kleine zoogdier van Noordwest-Iberië, maar wordt zelden gezien. Hij leeft in gangen onder weilanden, heggen en moestuinen in Galicië, Asturië, León, Noord-Portugal en Baskenland, en is vooral vast te stellen aan de kleine aardhoopjes langs akkerranden. Zijn graafsporen zijn te vinden en van die van de mol te onderscheiden, wat bij verwante soorten zelden het geval is.
Sporen
De soort graaft een uitgebreid, sterk vertakt stelsel: ondiepe foerageergangen tot ongeveer 15 cm diep en diepere gangen tot 40 cm met nest- en voorraadkamers. De gangdoorsnede is met 25 tot 35 mm zeer constant en komt zelden boven 45 mm; een molgang is duidelijk wijder. De uitgeworpen aarde ligt in kleine, lage hoopjes zeer fijn verkruimelde grond, dicht bij elkaar en in slingerende rijen; alle ingangen zijn met aarde afgesloten, zodat er geen open gaten te zien zijn. Een molshoop is veel groter, hoog en kegelvormig, uit kluiten opgebouwd, staat verder uit elkaar en komt uit een verticale schacht. De hoop van de woelrat is groter en grover, met de gangopening zichtbaar aan één kant en met afgeknaagde plantenresten ernaast. Het vraatspoor is het tweede kenmerk: de soort eet vooral ondergrondse plantendelen: bollen, knollen, wortelstokken en wortels, en eet kenmerkend de stengel terwijl het blad onaangeroerd blijft. Wortels van jonge fruit- en olijfbomen worden vlak onder de grond geschild, waardoor een boom in één winter geringd kan worden. Tussen de hoopjes liggen soms korte, schuin afgeknipte stengels. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in latrines in de gang, niet in het open veld. Kerkuil en steenuil eten de soort in grote aantallen, en braakbalonderzoek is voor de hele groep de betrouwbaarste bron.
Herkenning
Een zeer kleine, cilindrische woelmuis, met 7,8 tot 10,5 cm kop-romplengte een van de kleinste van Europa, met een grote kop, stompe snuit, zeer kleine oogjes en oren die in de vacht verdwijnen, en een staart van 1,7 tot 3 cm, ongeveer een vijfde van de kop-romplengte. De vacht is kort, dicht en glad, donkergrijs tot sepiabruin op de rug en grijs op de buik, zonder scherpe scheiding; jonge dieren zijn donkerder dan volwassen. De poten zijn kort en de klauwen van de voorvoet krachtig. De bouw is aangepast aan een gravend bestaan: oren, ogen en staart zijn gereduceerd.
Gelijkende soorten
In het veld, en zelfs in de hand, is de soort niet betrouwbaar te scheiden van haar zustersoorten. De Provençaalse woelmuis (Microtus duodecimcostatus) is de naaste verwant en is uiterlijk gelijk; de twee soorten delen een lange contactzone dwars door Spanje en Portugal en zijn vooral gescheiden door bodem en klimaat: de Baskische woelmuis leeft op de koudere, nattere, zure gronden van het noordwesten en de bergen, de Provençaalse woelmuis op de warmere, drogere, ondiepere en kalkrijkere gronden van het zuiden en oosten. De vindplaats is daarom de beste aanwijzing; in de contactzone is alleen de schedel beslissend. De Pyrenese woelmuis (M. pyrenaicus) vervangt de soort in het oosten van het Cantabrisch Gebergte en in de Pyreneeën en is uitwendig evenmin te onderscheiden. Wel te onderscheiden zijn de veldmuis, de aardmuis en Microtus rozianus: zij hebben duidelijk grotere ogen, zichtbare oren en een langere staart, en gebruiken wissels aan de oppervlakte in plaats van gangen. De Cabrera-woelmuis is duidelijk groter, met een langere, ruigere vacht met gele haarpunten, en leeft alleen in vochtige, ongemaaide zeggen- en russenvegetaties; de rosse woelmuis heeft een rode rug en grote ogen. De mol, waarmee het graafwerk het vaakst wordt verward, is geen knaagdier en maakt een andere hoop (zie sporen).
Leefgebied
Terrein met een zachte, vochtige, goed doorwortelde bodem en een gesloten kruidlaag: hooiland en weiland, akkerranden, heggen en houtwallen van het kleinschalige Atlantische boerenland, moestuinen, boomgaarden, beekoevers en de randen van kastanje- en eikenbossen. De soort is sterk gebonden aan het traditionele mozaïeklandschap met kleine percelen en veel randen, en neemt af waar percelen worden samengevoegd. Van zeeniveau tot ongeveer 2000 meter, vooral in streken met veel neerslag en regelmatig vorst, op zure gronden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Noordwest-Iberië en het aangrenzende deel van Frankrijk. In Spanje van Galicië, Asturië en Cantabrië via León, Zamora en Salamanca tot in de Sierra de Gata, Gredos en Guadarrama, en oostwaarts via La Rioja, Soria, Navarra en Huesca tot in Baskenland, waaraan de Nederlandse naam is ontleend. In Portugal van het noorden zuidwaarts tot de Serra da Estrela en verder tot Setúbal, ten zuiden van Lissabon. In Frankrijk de westelijke voet van de Pyreneeën en het aangrenzende Aquitaanse laagland. Met ruim zesduizend gegeorefereerde waarnemingen is de soort binnen haar areaal niet zeldzaam, maar zij wordt zelden gezien. Buiten dit gebied, onder meer op de Britse Eilanden en in de Lage Landen, ontbreekt zij.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral 's nachts en in de schemering actief, in korte perioden verdeeld over dag en nacht, en het grootste deel van de tijd onder de grond. Vrijwel geheel planteneter met een voorkeur voor geofyten: in winter en voorjaar bladeren en scheuten, in zomer en herfst bollen, knollen, wortelstokken en zaden, die in voorraadkamers worden opgeslagen. De soort leeft in kleine familiegroepen in een gedeeld gangenstelsel, met een woongebied van gemiddeld ongeveer 950 vierkante meter en dagelijkse verplaatsingen van rond 73 meter. De voortplanting loopt het hele jaar door en neemt alleen in de winter iets af; na een draagtijd van 22 tot 24 dagen worden één tot vijf jongen geboren, meestal twee of drie, naakt, blind en ongeveer anderhalve gram zwaar. Vrouwtjes zijn na vijf weken vruchtbaar, mannetjes na zeven. Er is geen winterrust.
Waar en wanneer kijken
Zoek naar de aardhoopjes. Loop in de vroege ochtend na een natte nacht langs een oude weide, een akkerrand of een moestuin in Galicië, Asturië of Noord-Portugal en let op rijen kleine, fijne hoopjes verse aarde zonder open gat. Graaf naast een hoopje voorzichtig met een mes een gang vrij en meet de doorsnede: vijfentwintig tot vijfendertig millimeter wijst op deze soortgroep. Kijk in een moestuin naar aardappels, wortels en bloembollen met gladde knaagsporen van onderaf. Het dier zelf wordt vrijwel alleen bij vangonderzoek gezien: het komt 's nachts kort boven de grond en verdwijnt bij de kleinste beweging. Verzamel braakballen onder een roestplaats van een kerkuil; die geven snel een overzicht van de woelmuissoorten in een dal.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024) en in Noordwest-Iberië plaatselijk zeer talrijk. In appel- en kersenboomgaarden, wijngaarden en moestuinen geldt de soort als plaagdier; zij wordt bestreden met gifgraan op basis van anticoagulantia, waardoor kerkuilen, steenuilen, wezels en vossen, die de aantallen reguleren, ook worden vergiftigd. Samen met de Provençaalse woelmuis wordt de soort in verband gebracht met uitbraken van tularemie op de Spaanse hoogvlakte. Waar het landschap wordt samengevoegd tot grote, kruidenarme percelen zonder heggen, verdwijnt zij; het kleinschalige boerenland waarvan zij afhankelijk is, neemt in heel Noordwest-Iberië af. Als alternatieven voor gif worden bufferstroken, herstel van heggen en zitpalen voor roofvogels genoemd.
Wetenschappelijke naam
Microtus lusitanicus | (Z. Gerbe, 1879)
Z. Gerbe beschreef de soort in 1879 als Arvicola (Microtus) lusitanicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. lusitanicus betekent 'Lusitanisch', naar Lusitania, de Romeinse provincie die ongeveer het huidige Portugal besloeg. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Portugal.






