Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax hungaricus

Nannospalax hungaricus | Nannospalax hungaricus

Hungarian Blind Mole-rat | Nannospalax hungaricus

Nannospalax hungaricus is de blindmuis van de Hongaarse laagvlakte; een Nederlandse naam heeft de soort niet, in het Hongaars heet zij magyar földikutya. In Hongarije heeft de soort reservaten, een wettelijk vastgestelde natuurbeschermingswaarde en een klein aantal bekende kolonies, en zij is daar bedreigd. Nehring beschreef het taxon in 1898 naar dieren uit Mezőhegyes aan de Hongaars-Roemeense grens; lange tijd gold het als ondersoort of chromosoomvorm van de westelijke blindmuis. De Mammal Diversity Database behandelt het sinds 2024 als soort, met daarin ook transsylvanicus uit Noordwest-Roemenië en Noordoost-Hongarije en hercegovinensis uit het Dinarisch gebergte.

Nannospalax hungaricus (Nannospalax hungaricus)
Foto: Lajos Rózsa — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De aardhopen zijn het belangrijkste spoor en vormen in Hongarije de basis van een inventarisatiemethode. Een blindmuishoop is breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaat uit grove kluiten in plaats van fijne kruimels en heeft nooit een zichtbare opening, omdat de gang van binnenuit wordt afgesloten. Bij Hongaars veldwerk wordt een hoop pas meegeteld wanneer de basis meer dan zestig centimeter meet. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; in harde grond liggen de ondiepe voedselgangen op tien tot vijftien centimeter, in losse grond reiken de diepe gangen en kamers tot anderhalve meter en dieper. Eén dier verplaatst per etmaal ongeveer tien kilo aarde. De hopen liggen met twintig tot dertig meter tussenruimte in een slingerende rij langs de hoofdgang. Ondergronds zijn er aparte voorraadkamers, een met gras bekleed nest en een latrine. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht; op zandgrond kunnen beide sterk op elkaar lijken, en dan zijn formaat en rangschikking in een rij beslissend. Verder zijn er afgeknaagde wortels en bollen in de gang, en schedelresten in braakballen van kerkuil en steenuil, die in Hongarije een groot deel van de oudere verspreidingsgegevens hebben opgeleverd.

Nannospalax hungaricus, verse aardhoop in steppegrasland bij hajdúbagos, hongarije: breed, laag en van grove kluiten, zonder zichtbare gangopening, naast kruisdistel. de toeschrijving rust op de plek — hajdúbagos is een bekende hongaarse blindmuisvindplaats — en op de vorm en de maat van de hoop
Verse aardhoop in steppegrasland bij Hajdúbagos, Hongarije: breed, laag en van grove kluiten, zonder zichtbare gangopening, naast kruisdistel. De toeschrijving rust op de plek — Hajdúbagos is een bekende Hongaarse blindmuisvindplaats — en op de vorm en de maat van de hoop · Foto: Kiss Izolda — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Uitwendig een typische blindmuis: een halsloze, cilindrische graver van 19 tot 27 centimeter en 140 tot 220 gram, met een brede, platte kop, een grote kale neusspiegel en een borstelige lichte rand die daarvandaan naar achteren loopt. Oorschelpen, zichtbare ogen en een uitwendige staart ontbreken; de ogen zijn gereduceerd tot lensjes van een millimeter onder een gesloten huidplooi. De vacht is fluweelzacht, bruingrijs met een gele of roestkleurige zweem, de buik donkergrijs; op de kop zitten vaak kleine witte of gele vlekjes. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit. Geen van deze kenmerken onderscheidt de soort van de verwante soorten; zij beschrijven het dier, maar zijn niet determinerend. Het onderscheidende kenmerk is het chromosoomgetal 2n = 48 (armgetal NF = 84), tegen 54 bij N. montanosyrmiensis, 56 bij N. leucodon en 58 bij N. hellenicus.

Gelijkende soorten

Buiten het verspreidingsgebied en het chromosoompreparaat is er geen beslissend kenmerk. Kleur, formaat, kopvorm, de borstelrand op de snuit en de tandkleur zijn bij alle soorten van het leucodon-complex gelijk, en de verschillen tussen de vormen zijn kleiner dan de variatie binnen elke vorm. Ook het chromosoomgetal alleen is niet altijd voldoende: N. monticola, N. montanosyrmiensis en N. serbicus hebben alle drie 2n = 54 en verschillen alleen in het armgetal. In het veld bepaalt de vindplaats de toewijzing. In de Hongaarse laagvlakte en in Banaat en Bačka is dit de enige soort, behalve in de grensstreek bij Kelebia en Ásotthalom en de aansluitende Subotička peščara in het noorden van de Bačka, waar N. montanosyrmiensis voorkomt; daar is het onderscheid uitwendig niet te maken. Uit te sluiten zijn de mol, met schopvormige voorpoten, een korte staart en een veel kleiner formaat, en de woelrat, met normale oren, ogen en staart. Een veldwaarneming wordt genoteerd als 'blindmuis'; de vindplaats bepaalt de soortnaam.

Leefgebied

Droge en matig vochtige graslanden op diepe, losse, goed doorlatende grond: lössteppe, zandsteppe, de zilte graslanden (szik) van de Hongaarse poesta, hooiland, schapenweide en begroeide grafheuvels in het akkerland. Daarnaast bosranden, overhoeken, oude dijken en ongeploegde perceelsranden. Natte grond, rots, gesloten bos en intensief bewerkte akkers zijn ongeschikt. Ploegen maakt een einde aan een kolonie; daardoor komt de soort in het grotendeels in akkerland omgezette landschap alleen nog op restanten voor.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het Karpatenbekken en de noordelijke Balkan: Oost- en Zuidoost-Hongarije, met bekende vindplaatsen bij Debrecen, Battonya, Mezőtúr en Kunmadaras, verder Noordwest- en West-Roemenië, Noord-Servië (Banaat en Bačka) en Bosnië en Herzegovina. De typelocatie is Mezőhegyes in het Hongaarse comitaat Békés. De grens met de verwante soorten is niet nauwkeurig bekend, omdat zij alleen karyologisch vast te stellen is: bij elke nieuwe kolonie moeten dieren worden gevangen en gekaryotypeerd om de soort te bepalen. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Strikt ondergronds levend en het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag; bovengronds komen vrijwel alleen jonge dieren tijdens de verspreiding. Er is geen winterslaap; de winter wordt overbrugd met voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, in het late voorjaar aangevuld met groene plantendelen; de dagelijkse opname is een aanzienlijk deel van het lichaamsgewicht. De soort leeft solitair en laat geen soortgenoten in het gangenstelsel toe; alleen in de paartijd, aan het eind van de winter, komen dieren samen. Na een draagtijd van ongeveer dertig dagen worden in maart of april twee tot vier jongen geboren, blind, naakt en lichter dan zeven gram; ze zijn tegen de zomer zelfstandig, en vrouwtjes planten zich pas in hun tweede levensjaar voort. Door deze trage voortplanting herstelt een verdwenen kolonie zich niet vanzelf. Predatoren zijn vos, hermelijn, wezel, steppebunzing, verwilderde honden en katten, en steenuil, kerkuil, ransuil, oehoe en keizerarend.

Waar en wanneer kijken

Bezoek in maart of april een van de Hongaarse reservaten of een ongeploegd steppeperceel in Békés of Hajdú-Bihar, bij voorkeur vroeg in de ochtend en bij laag gras, en zoek naar een rij brede, lage aardhopen met twintig tot dertig meter tussenruimte. Verse, donkere, grofkluitige aarde wijst op een bewoond stelsel. Als je op enkele meters van de laatste hoop wacht, kun je het verplaatsen van aarde van binnenuit soms horen en zien. Graven is zinloos en bij deze streng beschermde soort verboden. Meld vondsten: de kennis van de verspreiding in Hongarije berust grotendeels op meldingen van nieuwe hopen, en alleen bekende kolonies kunnen worden beschermd.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling geldt niet voor deze soort. De enige afzonderlijke beoordeling is die van Csorba en collega's uit 2015, die de vormen van het Karpatenbekken elk apart beoordeelden en hungaricus als bedreigd aanmerkten: een verspreidingsgebied en bezet oppervlak van hooguit driehonderd vierkante kilometer, minder dan vijf bekende vindplaatsen, meer dan vijfennegentig procent van de populatie op één plaats, en een leefgebied dat in omvang en kwaliteit blijft afnemen. De vorm transsylvanicus, die de Mammal Diversity Database tot deze soort rekent, werd als kwetsbaar beoordeeld. In Hongarije is de soort streng beschermd en heeft zij een van de hoogste natuurbeschermingswaarden van het land. De oorzaken van de achteruitgang zijn het scheuren van grasland, diepploegen, bebouwing, wegaanleg en het afbranden van vegetatie. Omdat de dieren zelden worden waargenomen, verdwijnen kolonies vaak onopgemerkt.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax hungaricus | (Nehring, 1898)

Nehring beschreef de soort in 1898 als Spalax typhlus var. hungaricus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. hungaricus betekent 'Hongaars', bij het middeleeuws-Latijnse Hungaria; Nehring beschreef het dier van Mezőhegyes in het zuidoosten van Hongarije. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hongarije, Mezőhegyes.