Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax insularis

Nannospalax insularis | Nannospalax insularis

Limnos Blind Mole-rat | Nannospalax insularis

Nannospalax insularis is de enige Europese blindmuis die tot één eiland beperkt is, en heeft daarmee het kleinste areaal van de Europese blindmuizen: Limnos in de noordelijke Egeïsche Zee, een kaal, winderig, vrijwel boomloos eiland van minder dan vijfhonderd vierkante kilometer. Een Nederlandse naam heeft de soort niet. Oldfield Thomas beschreef het taxon in 1917 als ondersoort van Spalax monticola, naar materiaal van ten westen van Moudros; in die jaren was de baai van Moudros een geallieerde vlootbasis en werd er door Britten op het eiland verzameld. Sinds 2024 behandelt de Mammal Diversity Database het als soort.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Zoals overal in deze groep zijn aardhopen het enige te verwachten spoor; op een kaal, laag eiland als Limnos zijn ze goed zichtbaar. Het gaat om brede, lage hopen van grove kluiten zonder zichtbare gangopening, in een slingerende rij met twintig tot dertig meter tussenruimte door een graanakker, braakliggend perceel of schapenweide; de rij volgt de hoofdgang. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; de voedselgangen liggen ondiep, de met gras beklede nestkamer en de voorraadkamers dieper. Omdat er op Limnos weinig mollenactiviteit is en veel open, kortgegraasd terrein, zijn grote, brede hopen in rijen daar vrijwel zeker van deze soort. Verder zijn er afgeknaagde bollen en wortelstokken in geopende gangen, en braakballen van kerkuil en steenuil, die op de Egeïsche eilanden de meeste gegevens opleveren; braakballen onder een kerktoren of een verlaten molen geven hier sneller uitsluitsel dan zoeken in het veld.

Herkenning

Een typische blindmuis: cilindrisch, halsloos en zwaar gebouwd aan de voorzijde, met een brede, platte, wigvormige kop, een grote kale driehoekige neusspiegel en een borstelige lichte rand die van de neus naar achteren loopt. De vacht is fluweelzacht en in alle richtingen strijkbaar, bruingrijs met een gele of rossige zweem. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit. Er zijn geen oorschelpen, geen zichtbare ogen en geen uitwendige staart. Voor deze soort zijn geen eigen kop-romplengten, staartlengten of gewichten gevonden; de maten van de westelijke blindmuis worden niet overgenomen. Ook een chromosoomgetal is niet gepubliceerd: waar de verwante soorten op karyologische gegevens zijn onderscheiden, berust N. insularis op de oorspronkelijke beschrijving van Thomas en op DNA-onderzoek van Németh en collega's uit 2024. Dat is binnen deze groep uitzonderlijk en betekent dat de soortgrens hier minder goed onderbouwd is dan bij de andere soorten.

Gelijkende soorten

Op Limnos komt geen tweede blindmuis voor, zodat verwarring met een andere blindmuis daar in de praktijk niet optreedt; dat berust op de vindplaats, niet op een kenmerk. Uitwendig is niet te zien tot welke Europese blindmuissoort een dier behoort: de vormen zijn gelijk in vacht, formaat, kopvorm, borstelrand en tandkleur, en de verschillen vallen binnen de variatie van elke populatie. Op de omliggende eilanden verandert alleen de toewijzing: op Samothraki leeft de blindmuis van het Thracische vasteland, op Lesbos N. xanthodon. Op Limnos zijn uit te sluiten de mol, die kleiner is, schopvormige voorpoten en een korte staart heeft, en de plaatselijke ratten, met oren, ogen en een lange staart. Een waarneming wordt genoteerd als 'blindmuis, Limnos'; de vindplaats bepaalt de soortnaam.

Leefgebied

Droog en matig vochtig grasland en akkerland op diepe, losse grond: graanakkers en braakland in de laagvlakte, schapen- en geitenweiden, oude terrassen en begroeide perceelsranden. Limnos is vlak tot licht glooiend, vrijwel boomloos en grotendeels in cultuur; de soort is daardoor sterker afhankelijk van landbouwgrond dan de bergsoorten van het vasteland. Rots, kustduinen en drassige bodem zijn ongeschikt, en waar diep en vaak geploegd wordt, kan de soort niet blijven, omdat de voedselgangen op ploegdiepte liggen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Uitsluitend het eiland Limnos in de noordelijke Egeïsche Zee, met de typelocatie ten westen van Moudros. Het areaal behoort daarmee tot de kleinste van alle zoogdieren in het gidsgebied, vergelijkbaar met dat van een eilandendemische spitsmuis. Hoeveel van het eiland werkelijk bewoond is, op hoeveel plaatsen, en of de aantallen toe- of afnemen, is niet gepubliceerd. Op het naburige Samothraki leeft eveneens een blindmuis, maar die wordt tot een vastelandsoort gerekend. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Over deze soort zijn vrijwel geen eigen waarnemingen beschreven; het volgende geldt voor het complex, waarbinnen de levenswijze weinig varieert. De dieren leven solitair en vrijwel volledig ondergronds, zijn het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, en houden geen winterslaap. Het voedsel bestaat uit bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, in het voorjaar aangevuld met groene plantendelen. In het mediterrane klimaat is de zomer, wanneer de bodem sterk uitdroogt en verhardt, waarschijnlijk de moeilijkste periode; de graafactiviteit neemt dan sterk af. Eén gangenstelsel is het territorium van één dier, dat buiten de paartijd aan het eind van de winter geen soortgenoten toelaat. De draagtijd is ongeveer dertig dagen; er worden twee tot vier jongen geboren, en vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Omdat vossen en marters op het eiland ontbreken, zijn uilen, verwilderde katten en honden waarschijnlijk de belangrijkste predatoren.

Waar en wanneer kijken

De beste periode op Limnos is maart of april, wanneer het graan nog laag staat, de weiden groen zijn en de grond na de winterregens zacht is; dan wordt het meest gegraven. Zoek langs akkerranden, op braakland en in weiden naar een reeks brede, lage aardhopen die door gras of stoppels slingert. Braakballen onder zitplaatsen van kerkuil en steenuil zijn op een klein eiland de snelste manier om de aanwezigheid te bevestigen. Het dier zelf wordt vrijwel nooit gezien; graven is zinloos, en bij een populatie die alleen hier voorkomt is terughoudendheid geboden.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. Een soort die op één eiland van minder dan vijfhonderd vierkante kilometer leeft, komt op grond van de omvang van het areaal in aanmerking voor een bedreigde categorie, maar een beoordeling heeft niet plaatsgevonden. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling is op Limnos niet van toepassing. Er zijn geen tellingen, geen trendgegevens, geen bekende beheermaatregelen en geen beschermde vindplaatsen gepubliceerd. De risico's zijn die van elke eilandsoort: intensivering en diepploegen in de landbouw, bebouwing en toerisme aan de kust, wegaanleg en incidentele bestrijding als landbouwplaag, op een oppervlak zonder uitwijkmogelijkheden. Het belangrijkste tekort is basaal onderzoek naar verspreiding en aantallen.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax insularis | (O. Thomas, 1917)

O. Thomas beschreef de soort in 1917 als Spalax monticola insularis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. insularis is Latijn voor 'van het eiland', bij insula 'eiland'; het eiland is Limnos, waar Thomas het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Griekenland, Limnos.