Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax serbicus

Nannospalax serbicus | Nannospalax serbicus

South Serbian Blind Mole-rat | Nannospalax serbicus

Nannospalax serbicus is de blindmuis van het zuidelijke binnenland van de Balkan: de dalen van Oost-Servië, Kosovo, Noord-Macedonië en Zuidwest-Bulgarije, en zuidwaarts tot in Grieks Macedonië en Thracië. Een Nederlandse naam heeft de soort niet. Méhelÿ beschreef het taxon in 1909 naar dieren uit Pirot in Oost-Servië, als ondersoort van Spalax monticola. Een eeuw lang gold het als een van de chromosoomvormen van de westelijke blindmuis; sinds de herziening door Németh en collega's in 2024 behandelt de Mammal Diversity Database het als soort. Onder deze naam vallen meerdere beschreven vormen, waaronder thermaicus van de Thermaïsche Golf, makedonicus, ovchepolensis, strumiciensis, thracius, rhodopiensis en tranensis, elk met een eigen chromosoomgetal en in het veld niet te onderscheiden.

Nannospalax serbicus (Nannospalax serbicus)
Foto: Tashkoskim — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het dier zelf wordt zelden gezien; het graafwerk wel. Een blindmuishoop is breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaat uit grove kluiten in plaats van fijne kruimels en heeft nooit een open gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt afgesloten. De hopen liggen twintig tot dertig meter uit elkaar in een slingerende rij die de hoofdgang volgt. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht; de vuistregel uit het Hongaarse veldwerk, dat een hoop pas meetelt bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter, is ook op de Balkan bruikbaar. Ondergronds ligt een hoofdgang met zijgangen, met ondiepe voedselgangen van vijf tot zeven centimeter breed op vijftien tot vijfentwintig centimeter diepte, diepe verbindingsgangen tot ruim een meter, een met gras bekleed nest, aparte voorraadkamers en latrines. Verder zijn er afgeknaagde wortels, bollen en knollen in de gang, en plekken aan de oppervlakte waar een plant van onderaf is weggetrokken. Schedelresten in braakballen van kerkuil, steenuil, ransuil en oehoe leveren in grote delen van de Balkan de enige harde verspreidingsgegevens.

In zijn leefgebied

Nannospalax serbicus, hoe de meeste mensen deze soort te zien krijgen: een dier dat midden op de rijbaan de weg tussen prilep en mažučište oversteekt, met het beweide dalland van pelagonië erachter
Hoe de meeste mensen deze soort te zien krijgen: een dier dat midden op de rijbaan de weg tussen Prilep en Mažučište oversteekt, met het beweide dalland van Pelagonië erachter · Foto: Tashkoskim — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Nannospalax serbicus, kop van dichtbij aan de rand van het asfalt: de brede, platte wig, de stijve lichte borstelrand vanaf de neusspiegel naar achteren, en de plaats waar bij een ander knaagdier het oor zou zitten
Kop van dichtbij aan de rand van het asfalt: de brede, platte wig, de stijve lichte borstelrand vanaf de neusspiegel naar achteren, en de plaats waar bij een ander knaagdier het oor zou zitten · Foto: Tashkoskim — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Uitwendig gelijk aan de andere blindmuizen: een halsloze, langgerekte graver met een brede, platte kop, een zwaar gebouwde voorzijde en een fluweelzachte, bruingrijze vacht met een gele of roestkleurige zweem. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn gereduceerd tot lensjes van ongeveer een millimeter onder een gesloten huidplooi, en er is geen uitwendige staart. Vanaf de grote, kale, driehoekige neusspiegel loopt een stijve rand van lichte borstelharen naar achteren, waarmee de aarde opzij wordt geduwd. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit, zodat de dieren met gesloten mond in de grond kunnen bijten. Voor deze soort zijn geen eigen maten gepubliceerd; maten van verwante soorten worden niet overgenomen. Het soortkenmerk is karyologisch: 2n = 54 met armgetal NF = 98 bij de dieren uit het typegebied, tegen NF 94 bij de vorm van het Ovče Polje en NF 96 bij die van Tran.

Gelijkende soorten

Aan een levende blindmuis is niet te zien tot welke soort hij behoort. De vormen van het leucodon-complex zijn gelijk in vacht, formaat, kopprofiel, borstelrand en tandkleur, en de in de literatuur genoemde verschillen vallen binnen de variatie van elke populatie; kruisingsproeven tussen de vormen leverden geen embryo's op, en daarop berust hun soortstatus. Ook het chromosoomgetal alleen is niet beslissend: N. monticola, N. montanosyrmiensis en deze soort hebben alle drie 2n = 54. In het veld bepaalt de vindplaats de toewijzing: in Noord-Macedonië, Kosovo, Oost-Servië ten zuiden van de Donau en Grieks Macedonië en Thracië is dit de enige soort; in West-Bulgarije komt zij naast N. bulgaricus voor en in de bergen van Centraal-Servië naast N. montanoserbicus. Het geslacht is wel in het veld te bepalen. Een Nannospalax weegt ongeveer zoveel als een grote rat, tot iets meer dan een halve kilo bij de zwaarste dieren, terwijl een Spalax van de oostelijke steppen zes- tot achthonderd gram kan wegen en bijna een derde langer is; dit verschil is in de geslachtsnamen uitgedrukt en werd door Németh en collega's in 2013 met DNA bevestigd. De sporen verschillen ook: de hopen van een Nannospalax liggen twintig tot dertig meter uit elkaar in een dunne, slingerende rij, terwijl een Spalax een dicht veld van hopen op een à twee meter afstand maakt. In het areaal van deze soort speelt dat onderscheid geen rol, omdat het dichtstbijzijnde Spalax-areaal honderden kilometers naar het noordoosten ligt. Verwarring is hier wel mogelijk met de mol (kleiner, schopvormige voorpoten, korte staart) en de woelrat (normale oren, ogen en een lange staart). Een waarneming wordt genoteerd als 'blindmuis', met de vindplaats; de soort vereist een karyogram.

Leefgebied

Droge en matig vochtige graslanden op diepe, losse, goed doorlatende grond. Binnen het areaal gaat het vooral om het dalenlandschap: de vlakten van de Morava, de Vardar, de Struma en het Ovče Polje, de lager gelegen weiden en hooilanden van Kosovo en West-Bulgarije, en in Grieks Macedonië en Thracië de kustvlakten en lagere hellingen. De soort heeft een ondergronds voedselaanbod van bollen, knollen en dikke wortels nodig en mijdt nat terrein, rots en gesloten bos. Waar het landschap het toelaat, komt zij ook voor in bosranden, overhoeken, boomgaarden, schapenweiden en ongeploegde akkerranden. Intensief bewerkt akkerland is ongeschikt; diepploegen maakt een einde aan de kolonie op die plek.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het zuidelijke binnenland van de Balkan. In de hier gevolgde afbakening: Zuidoost-Servië met het typegebied rond Pirot, Kosovo, heel Noord-Macedonië, West- en Zuidwest-Bulgarije, en in Griekenland Macedonië en Thracië tot aan de Turkse grens. De Mammal Diversity Database vermeldt Albanië en Europees Turkije met een vraagteken, omdat daar te weinig materiaal is gekaryotypeerd. De grens met de verwante soorten is nergens nauwkeurig bekend, omdat zij alleen karyologisch vast te stellen is: bij elke nieuwe kolonie moeten dieren worden gevangen en gekaryotypeerd. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Strikt ondergronds, het hele etmaal actief, met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag. Bovengronds komen vrijwel alleen jonge dieren tijdens de verspreiding, en de meeste waarnemingen betreffen zulke dieren, bijvoorbeeld tijdens het oversteken van een weg. Er is geen winterslaap of winterrust; de winter wordt overbrugd met voorraadkamers. Het voedsel bestaat uit bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, in het late voorjaar aangevuld met groene plantendelen en soms een insect; de dagelijkse opname is een aanzienlijk deel van het lichaamsgewicht. De soort leeft solitair en laat geen soortgenoten in het gangenstelsel toe; buiten de paartijd in de late winter is een gangenstelsel het territorium van één dier. Na een draagtijd van ongeveer dertig dagen worden in maart of april twee tot vier jongen geboren, blind, naakt en lichter dan zeven gram; ze zijn tegen de zomer zelfstandig, en vrouwtjes planten zich pas in hun tweede levensjaar voort. Predatoren zijn vos, hermelijn, wezel, steppebunzing, verwilderde honden en katten, en steenuil, kerkuil, ransuil, oehoe en keizerarend.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar de rij hopen, niet naar het dier. Bezoek in maart of april een dal zoals het Ovče Polje, de Pelagonische vlakte bij Prilep of de weiden rond Pirot, vroeg in de ochtend en bij laag gras: een bewoond stelsel is te herkennen aan een reeks brede, lage hopen met twintig tot dertig meter tussenruimte. Verse, donkere, grofkluitige aarde wijst op een bewoond stelsel; begroeide hopen op een verlaten stelsel. Als je op enkele meters van de laatste hoop wacht, kun je soms zien hoe van binnenuit nieuwe aarde naar buiten wordt geduwd. Graven heeft geen zin. In de Macedonische en Servische dalen zijn de meeste foto's van deze soort gemaakt van dieren die een weg overstaken.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling heeft betrekking op een andere soortopvatting en zegt niets over deze soort. Een afzonderlijke beoordeling ontbreekt. Het Handbook of the Mammals of the World stelt vast dat verscheidene soorten van dit complex bedreigd zijn, geen bescherming genieten en afzonderlijk beoordeeld moeten worden. Deze soort heeft voor een Europese blindmuis een groot areaal, verspreid over vijf landen, en in de hogere dalen van Servië, Noord-Macedonië en Bulgarije is het extensieve weideland nog niet overal omgeploegd. De soort is echter gebonden aan ongeploegde, diepe, droge grond, het landtype dat het eerst in akkerland wordt omgezet. Bij elke omzetting verdwijnen de dieren van dat perceel, en omdat de soort zelden wordt waargenomen, verdwijnen kolonies meestal onopgemerkt.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax serbicus | (Méhelÿ, 1909)

Méhelÿ beschreef de soort in 1909 als Spalax monticola serbicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. serbicus betekent 'Servisch'; Méhelÿ beschreef het dier van Pirot in het zuidoosten van Servië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Servië, Pirot.