Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Ondergrondse woelmuis

Ondergrondse woelmuis | Microtus subterraneus

Common Pine Vole | Topillo Europeo

De ondergrondse woelmuis leeft in gangen onder de zode en komt zelden boven de grond. De soort is in 1836 beschreven naar een dier uit Borgworm (Waremme) in de Belgische provincie Luik. Op een foto is hij niet te scheiden van de andere ondergrondse woelmuizen; de determinatie berust op het gebit, het aantal chromosomen en het areaal.

Ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus)
Foto: Vojtěch Zavadil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het dier zelf wordt zelden gezien; de soort wordt vooral aan sporen vastgesteld. Hij graaft gangen van ongeveer 3 cm doorsnee, zowel vlak onder de strooisellaag als tot 40 cm diep, en gebruikt daarnaast bestaande molsgangen. De uitgegraven grond komt naar buiten als kleine, lage hoopjes fijne aarde, dicht op elkaar in een rij boven de gang. Een molshoop is veel groter, hoog en kegelvormig, bestaat uit kluiten en komt uit een verticale schacht; een woelratshoop heeft een zijdelingse gangopening. De ingangen worden met aarde dichtgeschoven, en dat is kenmerkend voor de groep. Onder het mos en de bladlaag van een holle weg, bosrand of houtwal liggen geveegde looppaadjes van 3 tot 4 cm breed, tot op de kale grond uitgesleten. Verder geschilde en doorgeknaagde wortels en wortelstokken, uitgeholde knollen, bollen en bieten in moestuinen, en in de winter geknaagde bast aan de voet van jonge bomen en struiken, steeds op of onder de grondlijn. De keutels zijn 4 tot 6 mm, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in kleine latrines in de gang. In Noordwest-Europa wordt de soort meestal vastgesteld in braakballen van kerkuil, bosuil en ransuil. De kiezen zijn plat, in scherpe zigzagprisma's gevouwen en groeien levenslang door; de eerste onderkies bepaalt de soort.

De kop van dichtbij

Ondergrondse woelmuis, kop van dichtbij: stompe snuit, kraaloogje van nauwelijks een millimeter of twee en oren die geheel in de lange vacht wegvallen
Kop van dichtbij: stompe snuit, kraaloogje van nauwelijks een millimeter of twee en oren die geheel in de lange vacht wegvallen · Foto: Vojtěch Zavadil — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een van de kleinste woelmuizen van Noordwest-Europa, met een kop-romplengte van 7,9 tot 11,5 cm en een gewicht van 10 tot 26 gram. De bouw is die van een graver: bolle kop, stompe snuit, zeer kleine ogen en korte ronde oren die vrijwel geheel in de vacht verdwijnen. De staart meet 2 tot 4,4 cm, een vijfde tot ruim een derde van de kop-romplengte, en is tweekleurig. De vacht is lang en zacht, geelbruin tot donkerbruin op de rug en zilver- tot blauwgrijs op de buik, zonder scherpe scheiding op de flank. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen; de echte veldmuizen hebben er acht. In de hand is één kenmerk doorslaggevend tegenover de bovengronds levende woelmuizen: de achtervoet draagt vijf eeltkussens, waar veldmuis, aardmuis en rosse woelmuis er zes hebben.

Gelijkende soorten

Binnen de groep van de ondergrondse woelmuizen is deze soort in het veld en op een foto niet van de andere te scheiden. De scheiding berust op drie kenmerken, waarvan de eerste twee een dier in de hand of onder een loep vereisen: de vorm van de eerste onderkies, het aantal chromosomen (de tatrawoelmuis heeft er 32, Thomas' woelmuis 44) en het areaal. In Frankrijk, de Benelux, Duitsland, Polen, Tsjechië en de meeste Balkanlanden is dit de enige ondergrondse woelmuis en volgt de determinatie uit de vindplaats. In de zuidoostelijke Alpen en de Dinariden leeft hij samen met Liechtensteins woelmuis; die twee zijn zonder gebit niet te onderscheiden. In de Karpaten komt de tatrawoelmuis voor, met een langere staart (35 tot 41 procent van de kop-romplengte) en zes eeltkussens onder de achtervoet. In de westelijke Alpen leeft Fatio's woelmuis, met een staart van bijna 40 procent van de kop-romplengte. In het zuiden van de Balkan ligt het areaal van Thomas' woelmuis, met een korte staart. Op het Iberisch Schiereiland ontbreekt de soort; daar komen als ondergrondse woelmuizen de Mediterrane woelmuis, de Baskische woelmuis en de Pyrenese woelmuis voor; de grotere Cabrerawoelmuis leeft er ook, maar behoort tot een eigen ondergeslacht, Iberomys, en niet tot de ondergrondse woelmuizen. In het veld is hij wel te scheiden van de bovengronds levende woelmuizen: veldmuis en aardmuis zijn groter, hebben grotere ogen, zichtbare oren en zes eeltkussens, en gebruiken wissels in de grasmat; de rosse woelmuis heeft een roodbruine rug, uitpuilende ogen, uitstekende oren en een staart van half de lichaamslengte.

Leefgebied

Kleinschalig landschap met een dichte gras- of kruidlaag en een lichte, vochtige, vergraafbare bodem. In Noordwest-Europa zijn dat bermen, holle wegen, graften, bomenrijen, houtwallen, bosranden, kalkgraslanden en hooggelegen wei- en akkerland; in Midden-Europa loof- en gemengd bos met een dichte ondergroei, bosranden en kapvlakten; in de bergen alpiene weiden en de zone van de bergden. Hij komt voor van zeeniveau tot ongeveer 2335 meter. Hij mijdt kortgegraasde weide zonder dekking, dichte sparrenopstanden zonder kruidlaag en rotsgrond.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noordwest-Frankrijk en de Benelux oostwaarts tot in Rusland en zuidwaarts tot Griekenland en Noordwest-Turkije; met bijna drie miljoen vierkante kilometer het grootste areaal van de ondergrondse woelmuizen. Aan de noordwestrand van het areaal komt hij in Nederland voor in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en ten noorden van de grote rivieren alleen in de Achterhoek rond Winterswijk; in België is hij wijder verspreid. Hij ontbreekt op de Britse eilanden, in Scandinavië, op het Iberisch Schiereiland en in Italië ten zuiden van de Alpen.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Polyfasisch en overwegend nachtactief: twaalf tot veertien activiteitsperioden per etmaal van elk 20 tot 40 minuten, met de meeste activiteit in het donker. Hij verplaatst zich vrijwel uitsluitend door zijn gangen. Iets meer dan de helft van het voedsel bestaat uit groene delen van kruidachtige tweezaadlobbigen — paardenbloem, alpenhoefblad, havikskruid en andere composieten, rozen- en vlinderbloemigen — met daarnaast ongeveer 15 procent grassen en zeggen, 10 procent mossen, ruim 10 procent vruchten en enkele procenten paddenstoelen; in de winter ook wortels en bast. De voortplanting loopt vrijwel het hele jaar door, met een onderbreking in de winter; de draagtijd is 21 dagen, en in gevangenschap zijn tot tien worpen per jaar vastgesteld. Een worp telt één tot vijf jongen, meestal twee of drie; in Nederland wordt uitgegaan van vijf worpen per jaar. Hij houdt geen winterrust en blijft onder de sneeuw en de bevroren bovenlaag graven.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar het gangenstelsel, niet naar het dier. Kies een holle weg, graft of oude houtwal met een dichte kruidlaag, licht voorzichtig het mos en de bladlaag op en volg de geveegde paadjes; de rij kleine hoopjes fijne aarde en de met aarde dichtgeschoven gaten geven het stelsel aan. Na zomerse regen is verse aarde het best te zien. Voor een betrouwbare soortenlijst van een gebied kun je braakballen verzamelen onder een kerkuilnestplaats of een ransuilenroest en die uitpluizen; op die manier is de verspreiding van de soort in Noordwest-Europa grotendeels in kaart gebracht. Het dier zelf is hooguit een fractie van een seconde te zien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021) en over het hele areaal algemeen. Aan de noordwestrand van het areaal is de soort afhankelijk van kleine landschapselementen die bij ruilverkaveling zijn verdwenen — bermen, graften, houtwallen, holle wegen en ruige perceelsranden — en neemt hij toe waar die worden hersteld. De kennis van zijn verspreiding berust er grotendeels op braakballenonderzoek en niet op waarnemingen van het dier.

Wetenschappelijke naam

Microtus subterraneus | (de Sélys-Longchamps, 1836)

De Sélys-Longchamps beschreef de soort in 1836 als Arvicola subterraneus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. subterraneus is Latijn voor 'onderaards', van sub 'onder' en terra 'aarde', naar het leven in gangen vlak onder de zode. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit België, Liège.