Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus socialis
Microtus socialis | Microtus socialis
Social Vole | Microtus socialis
Microtus socialis is een woelmuis van droge graslanden tussen de Zwarte Zee en Centraal-Azië. De soortnaam verwijst naar de leefwijze: de dieren leven in families die een gangenstelsel delen, en ze worden meestal via hun kolonies aangetroffen. In Europa komt de soort voor op de Krim, in de steppen van Zuid-Oekraïne en langs de lagere Wolga en ten noorden van de Kaukasus. De dichtheden kunnen hoog zijn: in piekjaren leven er tot driehonderd dieren per hectare, en het gras rond de kolonies is dan tot op de grond afgegraasd.
Sporen
Het belangrijkste spoor is de kolonie, die van een afstand te zien is als een kortgegraasde, iets lichtere plek in de steppe. Een familiegangenstelsel heeft gemiddeld zeven ingangen, soms zestien; de gangen liggen op 25 tot 30 cm diepte en hebben samen een lengte van ongeveer zestig centimeter tot enkele meters; het geheel beslaat tien tot honderdzestig vierkante meter. Tussen de holen lopen wissels van drie tot vijf centimeter breed, uitgesleten tot op de kale bodem, met kort gras en harde grond. Bij de openingen liggen hoopjes uitgegraven aarde en, kenmerkend voor deze soort, voorraadjes afgesneden stengels en aren: het gras wordt vlak bij de gang afgebeten en naar binnen gesleept, zodat er bosjes van gelijke lengte bij de ingang achterblijven. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch, vers groenzwart, en liggen in kleine latrines langs de wissels. Waar de soort niet zelf graaft, gebruikt zij gangen van de blinde woelmuis, van gerbils of van soeslikken; haar keutels en wissels liggen dan in het stelsel van een andere soort. Braakballen onder roestplaatsen van velduil en steenuil bestaan in de steppe in sommige jaren grotendeels uit deze soort.
Herkenning
Een middelgrote, bleke woelmuis met een korte staart van 2,4 tot 3,7 cm, ongeveer een kwart tot een derde van de kop-romplengte. Anders dan bij de ondergrondse woelmuizen zijn de oren duidelijk zichtbaar en de ogen groot; de soort is een grasetende woelmuis die ook graaft, geen gespecialiseerde graver. De vacht is zacht, zonder grove dekharen, grijs- tot zandgeel op de rug, vaak met een roestkleurige zweem, en lichtgrijs op de buik; in de zomer en op zoutgrond is de vacht bleker. De staart is tweekleurig, licht aan de onderzijde. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. De maten variëren sterk binnen het areaal, van kleine vormen in het zuiden tot grote in het noorden; de dieren van de Krim behoren tot de grote vormen.
Gelijkende soorten
In Europa overlapt de soort vooral met Microtus obscurus en, op de Krim en de Balkan, met soorten van de guentheri-groep, waaronder Microtus hartingi; die zijn groter, donkerder en langerstaartig, maar het verschil is op een foto niet met zekerheid vast te stellen. De veldmuis is donkerder grijsbruin en minder zandkleurig. Bruikbaar is de combinatie met de kolonie: een bleke, geelgrijze woelmuis in een dichte, goed zichtbare kolonie van holen in droge steppe of op braakland is in dit deel van Europa vrijwel altijd deze soort; veldmuizen leven verspreider en in vochtiger gras. De blinde woelmuis leeft in dezelfde steppe en stelt soms zijn gangen ter beschikking, maar is direct te herkennen aan het ontbreken van zichtbare oren, de rudimentaire ogen en de grote, uitstekende snijtanden. De sociale woelmuizen zijn de afgelopen twintig jaar op grond van chromosomen en DNA in een reeks soorten gesplitst; de naam van een dier hangt daardoor af van de vindplaats, niet van het uiterlijk.
Leefgebied
Open, kruidenrijk droog grasland: veder- en zwenkgrassteppe, halfwoestijn, zoutsteppe, braakland, wegbermen en akkerranden, tot ongeveer 2000 meter. De soort komt voor op tsjernozjom, klei, zand en zilte grond, maar kiest binnen een droog gebied de vochtigere plekken: laagten, greppelranden en de randen van geïrrigeerde percelen. Bos en dicht struweel worden gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De steppen en halfwoestijnen van het zuidoosten van Europees Rusland, de Kaukasus, Turkije, de Levant en Centraal-Azië tot in Noordwest-China. In en aan de rand van Europa omvat het areaal de Krim, de steppen van Zuid-Oekraïne en de lagere Wolga, Kalmukkië en de Kaukasusvoorlanden, en het Anatolisch plateau. In Midden- en West-Europa komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het activiteitsritme hangt af van de temperatuur: bij temperaturen boven ongeveer dertig graden is de soort vooral 's nachts actief, in koelere seizoenen overwegend overdag. Het voedsel omvat tot honderdvijftig plantensoorten, met grassen als hoofdbestanddeel en verder vlinderbloemigen, composieten en ganzenvoetachtigen; zaden en graankorrels vormen altijd minstens dertig procent van het voedsel, en de dagelijkse opname bedraagt ongeveer driekwart van het lichaamsgewicht. Waar het klimaat het toelaat, is er het hele jaar voortplanting, met twee tot vijf worpen per jaar en één tot elf embryo's per worp; de draagtijd is 21 tot 22 dagen. Een familie bestaat uit een broedpaar en de jongen van één of twee worpen; meer dan de helft van de broedende dieren is monogaam, en families bewonen hetzelfde gangenstelsel gedurende meerdere jaren. De aantallen schommelen sterk, van vier tot zes dieren per hectare in een dal tot driehonderd in een piekjaar. Er is geen winterrust; er wordt het hele jaar gegraven.
Waar en wanneer kijken
Zoek in april of mei in de steppe van de Krim of Zuid-Rusland naar kale plekken: een kolonie is op tientallen meters afstand te herkennen aan het korte gras en het netwerk van kale paadjes. Wacht vervolgens op enige afstand. Anders dan de meeste woelmuizen is deze soort op koele ochtenden bovengronds te zien: de dieren komen bij de holen naar buiten, bijten gras af en slepen het naar binnen, waarbij de familiestructuur zichtbaar wordt. In de zomerhitte is de soort overwegend nachtactief en overdag nauwelijks te zien. Braakballen uit de omgeving van een steppekolonie geven in korte tijd een overzicht van de kleine zoogdieren van het gebied.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), met een areaal van ongeveer twee miljoen vierkante kilometer en op de meeste plaatsen hoge aantallen. Waar de soort massaal optreedt, geldt zij als landbouwplaag en als drager van ziekten en wordt zij bestreden; enkele geïsoleerde ondersoorten aan de randen van het areaal hebben een ongunstiger status. De belangrijkste factor op lange termijn is het verlies van steppe: dit leefgebied behoort tot de vegetatietypen die in Europa het sterkst door ploegen zijn verdwenen. Met de steppe verdwijnen ook soorten die van of naast deze woelmuis leven, zoals de steppebunzing, de tijgerbunzing, de steppearend en de blinde woelmuis.
Wetenschappelijke naam
Microtus socialis | (Pallas, 1773)
Pallas beschreef de soort in 1773 als Mus socialis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. socialis is Latijn voor 'gezellig, in gezelschap levend', bij socius 'metgezel', naar de kolonies waarin het dier leeft. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan.




